Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

Een bouwgeschiedenis van eeuwen

De eerste gotische kerk (1262-1276)

De eerste dominicanen komen in 1243 te Antwerpen aan, mede op vraag van het Antwerpse stadsbestuur om de ketterij van de katharen tegen te gaan, Ze vestigen zich in de later naar hen genoemde Prekersstraat. Kanunnik Hugo Nose schenkt hen een groot terrein op de Dries, dat binnen de nieuwe stadsuitbreiding wordt opgenomen. In 1256 verhuist de kloostergemeenschap naar de nieuwbouw aan de huidige Nosestraat. De Zwartzustersstraat heet aanvankelijk ‘Jakobijnstraat’, naar de volkse benaming van de orde.

Aan de zuidkant van hun terrein, dicht bij de stadskern, bouwen de dominicanen vanaf 1262 hun eerste kloosterkerk. Omdat de bisschop (van Kamerijk) zich laat verontschuldigen voor de inwijding, is het iemand uit eigen rang met bisschoppelijke waardigheid die de kerk in 1276 mag inwijden, nl. de befaamde, geleerde Albertus Magnus. De wijdingsakte van deze eerste Sint-Pauluskerk wordt in de schatkamer als een van de kostbaarste archiefstukken gekoesterd. De bouw was 30 voet hoog; enkel het koor en de sacristie waren gewelfd. Het koor was afgesloten met een doksaal met zijaltaren.

Grondplan 1276

Archeologische opgravingen in 1995-1996 legden de aanzet van deze gotische driebeukige kloosterkerk deels bloot, de omtrekmuren zowel als de zuilen. Het niveau van deze kerk lag 3,70 m onder de huidige vloer. Dit bedehuis, met een lengte van haast 55 m nam het huidige schip, de dwarsbeuk en de eerste traveeën van het huidige koor in beslag. De zuilen, in Doornikse kalksteen, met een diameter van ca. 70 cm, hadden een decoratieve, geprofileerde basis. De bodem gaf ook een mooie gotische kraagsteen met engel met banderol vrij, die deel uitmaakte van de kloosterpoort (ca. 1400).

De rede van Antwerpen in 1515: 'Antwerpia mercatorum emporium', 1518. detail: de dominicanenkerk, 'Het preecheerenclooster' © Stadsarchief Antwerpen

In 1444 bouwen de dominicanen een groot pand met overdekte galerijen, waar vooral edelsmeden en juweliers hun koopwaar uitstallen tijdens de beide jaarmarkten. De natie van de goudsmeden beschikt sinds 1479 ook over een eigen kapel nabij het koor, voortaan toegewijd aan haar patroonheilige, Elooi of Eligius.

Omdat de Schelde sinds de Sint-Elisabethsvloeden van 1421-1423 sneller in de Noordzee uitmondt, krijgt het laag gelegen Antwerpen wateroverlast te verduren. Ook de dominicanenkerk krijgt water over de vloer. De enige oplossing is het ophogen van het terrein op het kloostererf en van de straten rondom. Daarom heeft een Antwerpsch Chronijcke het over “eenen leelijcke donckere kercke, daer men met trappen van de straten plach in te gaen” (lees: afdalen). Voor een spectaculairder incident zorgt het vuur. Op 6 juli 1477 treft de blikseminslag uitgerekend het altaar van de ordestichter Dominicus, waarbij zijn beeld van de altaartrappen wordt geworpen.

 

De huidige gotische kerk (vanaf ca. 1512)

De eerste bouwfase (ca. 1512 – 1571)

Tijdens de opgang van Antwerpens ‘Gouden Eeuw’ gaan de predikheren ca. 1512 over tot de bouw van een grote gotische kerk, met als architecten mogelijk Domien de Waghemakere en na diens dood, in 1542, zeker Rombout de Dryvere. Om het probleem van het wassende water voorgoed te bedwingen, wordt in het vooruitzicht van de nieuwe kerk het hele bouwterrein rondom de bestaande kerk opgehoogd tot een talud dat 1,60 m boven het huidige straatniveau uitsteekt. Het straatniveau aan de zijpoort van de Veemarkt is in totaal ca. 0,70 m gestegen.

Grondplan 1515-1540

Eveneens bouwt men een nieuwe refter en slaapzaal. In 1540 kan de bouw van de beuken hervat worden. Op deze bouwfase alludeert een zonderlinge inscriptie op de middelste zuil van de noordzijde.

Grondplan 1549

In 1549 zijn de werken aan de benedenkerk zover gevorderd dat men het schip van het eerste kerkje kan afbreken. Het jaar nadien wordt het zilversmedenpand gesloopt voor de bouw van de zuidbeuk. De diensten kunnen reeds in de in opbouw zijnde kerk doorgaan, zo in 1556 meermaals in aanwezigheid van koning Filips II.

Stadszicht vanuit het zuiden, de dominicanenkerk in opbouw
Stadszicht vanuit het zuiden, gravure van Frans Huys, ca. 1557; detail: de dominicanenkerk in opbouw; gevel en schip voltooid
Vogelzichtplan van Antwerpen, Bononiensis, 1565
Vogelzichtplan van Antwerpen, houtsnede van Virgilius Bononiensis, 1565 detail: Is dit de nieuwe dominicanenkerk in aanbouw? Of de oude kerk? Want achter het koor ligt nog het zilversmedenpand, dat werd afgebroken in 1550. © Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet Antwerpen

Bij de eerste Beeldenstorm van 22/23 augustus 1566 vernielt een kleine bende het Sint-Eligiusaltaar van de zilversmeden. In de zuidbeuk dateren enkele grisaillewandschilderingen in maniëristische stijl nog van de eerste herstelperiode, namelijk van 1570 en 1577, evenals de wandschildering De Mystieke Wijnpers.

In 1571, amper vijf dagen nadat hij in de Antwerpse kathedraal tot bisschop van Haarlem is gewijd, wijdt de dominicaan Godfried van Mierlo het schip in met daarin vijf altaren.

De bouwplannen richten zich verder op de muren van de zuidelijke dwarsbeuk en de zuidelijke muur van het koor, maar de tijdsomstandigheden roepen ze een halt toe.

Grondplan 1571-1579

Het Calvinistisch Bewind (1579-1585)

Wanneer Antwerpen zich in 1577 tegen het wettelijke ‘Spaanse’ gezag keert, domineren de calvinisten het stadsbestuur. Na de eerste religievrede, in 1578, verkrijgen de protestanten al gauw enkele kerken, die doorgaans volgens eenzelfde stramien opgedeeld worden: de katholieken behouden de altaarruimten van koor en dwarsbeuk, de calvinisten bekomen de beuken – met de preekstoel – als zaalkerk. Vanaf 4 oktober wordt dit onder meer beslist voor de dominicanenkerk. Het oude koor zal op stadskosten door een muur van de nieuwe kerk “gesepareerd en afgestopt” worden en aan de paters voorbehouden blijven. Maar het geduld van de protestanten is niet zo groot en daags nadien al nemen ze bezit van de kerk, zonder dat de voorgeschreven muur opgetrokken is. Dat dit de dienst van de paters zou kunnen storen, deert hen minder.

Grondplan 1579-1585

Amper een half jaar later, bij de tweede religievrede, in 1579, worden de invloedrijke bedelorden, zoals de dominicanen, verbannen. In 1580 volgt de confiscatie van de kerkelijke goederen en schaft men de kloosters af. In het voormalige klooster wordt een kanongieterij en een ziekenhuis ondergebracht. De kerk wordt volledig toegewezen aan de calvinisten. Gevolg: een weloverwogen ‘zuivering’ van katholiek beeldmateriaal, lees: verwijdering en vernieling. Om met de paapse instelling van de dominicanen voorgoed komaf te maken, beslist de commissie om het kloosterdomein te verkavelen, zodat het grootste deel van het kloosterpand moet worden afgebroken. Twee straten worden er doorheen getrokken.

De calvinisten hebben een scheidingsmuur opgetrokken om het (oude) koor van het (nieuwe) schip af te scheiden en zo een meer rechthoekige centraalbouw te creëren, conform hun godsdienstige samenkomsten rondom het Woord (zonder altaar).

Wanneer bij het beleg van Antwerpen in 1584 Farnese de stad isoleert door een scheepsbrug over de Schelde te leggen, proberen de opstandige Antwerpenaren die te vernietigen met brandschepen. Als ballast gebruiken ze bouwmaterialen van de tot voor kort in aanbouw zijnde dominicanenkerk. Het zal echter niet baten. Antwerpen valt voor het wettige Spaanse gezag, dat volop het katholicisme steunt.

Het katholieke herstel (na 1585)
en
de contrareformatie (17de – 18de eeuw)

De predikbroeders keren weer en krijgen hun eigendommen terug. Men kan de verkaveling nog ongedaan maken. De kale kerk wordt opnieuw gewijd voor de katholieke eredienst en de predikheren gaan aan de slag. Eerst stofferen ze (het schip van) de kerk. Langzaamaan herbouwen ze het klooster op grotere schaal. In 1603 komen de aartshertogen Albrecht en Isabella op bezoek. Voor de heropsmuk van de altaren met grote geschilderde triptieken doet men een beroep op de maniëristische schilders zoals Marten Pepijn met De Maagschap van Sint-Anna.

Blijkbaar loopt het herstel van de altaren hier niet zo snel want voor twee altaren wordt de opdracht pas in ca. 1608 gegeven, aan de pas uit Italië teruggekeerde Pieter Paul Rubens. De altaren waarvoor beide stukken bestemd zijn, staan op dat moment nog tegen de afsluitwand van het schip en de zijbeuken.

De kapel naast de zuiddwarsbeuk wordt toegewezen aan de Broederschap (of Sodaliteit) van de Zoete Naam Jezus, die ze in 1616 op haar kosten laat overwelven en datzelfde jaar nog inricht.

In 1618, tijdens het Twaalfjarig Bestand, onder het prioraat van Michaël Ophovius, hervatten de dominicanen de bouw. Bisschop Johannes Malderus legt de eerste steen, als aanzet voor de uitbouw van de dwarsbeuk en van het in 1624 aangevatte, reusachtige koor. In volle baroktijd bouwt men hier omwille van de beoogde stijleenheid verder in de traditionele gotische stijl. De meiboom staat in 1628 op de nokpunt van de apsis.

Grondplan 1616-1618
Grondplan 1632-1634

In het apsisgewelf van het koor leest men de datum “1632” en prijkt het wapenschild van Ophovius. Twee jaar later wordt de middenbeuk overwelfd: de datum “1634” staat zowel te lezen op een gewelfrib van de middenbeuk als op de sluitsteen van de scheiboog tussen middenbeuk en viering. De afsluitingswand tussen middenbeuk en koor wordt geslecht, waardoor het huidige grandioze kerkinterieur zich voor het eerst ontvouwt als een openbaring van Gods grootheid én van het contrareformatorische elan. Het eindresultaat van ca. 120 jaar bouwactiviteit: een driebeukige kruiskerk met een immens koor, met een totale lengte van 88 m.

Het zijaltaar van de Zoete Naam Jezus en het Heilig Sacrament, en dat van O.-L.-Vrouw-van-de Rozenkrans worden met de bijbehorende marmeren tuinen vanuit de uiteinden van de zijbeuken verplaatst naar hun huidige standplaats in de dwarsbeuk. Het is dan ook met gepaste fierheid dat men anno 1636 het pas heringerichte kerkinterieur laat vastleggen door Pieter I Neefs (Rijksmuseum Amsterdam).

Eens het koorgestoelte, dat de corebusiness in het koor moet helpen waarmaken, geplaatst is, kan het koor met het hoofdaltaar, samen met de dwarsbeuk en de vier zijaltaren in 1639 ingewijd worden door de Antwerpse bisschop Gaspar Nemius.

In het verdere verloop van de 17de eeuw smukt men de kerk rijkelijk op met barok meubilair. Het monumentale marmeren Maria-altaar in de noorderdwarsbeuk (1650) krijgt zes jaar later een pendant in de zuiderdwarsbeuk: het Sacramentsaltaar (Peter I Verbruggen), waarvoor men later Rubens’ schilderij De samenspraak over het Heilig Sacrament vergroot. Tegelijkertijd met het marmeren koordoksaal bouwt Peter I Verbruggen er in 1654-1655 twee zijaltaren tegen: dat van het Heilig Kruis aan de zuid- en van Sint-Dominicus aan de noordzijde. In 1670 volgt het imposante marmeren hoofdaltaar (Peter I en II Verbruggen). Het grote orgel (Nicolaes van Haegen) neemt sinds 1654-1658 de hele westwand in beslag en in 1658-1660 worden de biechtstoelen en lambriseringen vervangen door de huidige in hoogbarokstijl (Peter I Verbruggen?).

Op 1 juni 1679 slaat de bliksem in op het vieringtorentje. Samen met het brandende dak van de middenbeuk stuikt de bekroning van de westgevel neer door de gewelven. Daardoor loopt ook het grote orgel schade op. De gotische puntgevel wordt vervangen door een eenvoudig schilddak, want alle aandacht moet in 1680-’81 gaan naar de heuse baroktoren van architect Nicolaes Millich.

Tegen de zuidgevel en de kapel naast de zuiderdwarsbeuk aan wordt in 1700-1707 de merkwaardige calvarieberg opgetrokken. Die geeft verder aanleiding tot de beeldentuin, waaraan verscheidene beeldhouwers tot in 1741 werken: de zgn. calvarietuin. De laatste opvallende ingreep is het koororgel van Jean-Baptiste Forceville (1720-1722), gekend als “het zilveren orgel”, dat Wolfgang Amadeus Mozart in 1765 bespeelt.

Het Antwerpse dominicanenklooster, gravure Reinier Blockhuysen in Antonius Sanderus, 'Chorographia Sacrae Brabantiae', 1659. detail: de kloosterkerk voor de brand van 1679 en voor de aanleg van de Calvarietuin. © Universiteit Antwerpen, Bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap (RG 1055 A 5)
Het Antwerpse dominicanenklooster, gravure Reinier Blockhuysen in Antonius Sanderus, 'Chorographia Sacrae Brabantiae', 1659. detail: de kloosterkerk voor de brand van 1679 en voor de aanleg van de Calvarietuin. © Universiteit Antwerpen, Bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap (RG 1055 A 5)
Veemarkt, gravure, M. Weber naar schilderij van Jacques François Carabain, ca. 1880 - toestand van gevel sinds ca. 1679. © Pierre Génard, Anvers,à travers les âges, deel 2, Brussel 1888, p.42)
Veemarkt, gravure, M. Weber naar schilderij van Jacques François Carabain, ca. 1880 - toestand van gevel sinds ca. 1679. © Pierre Génard, Anvers,à travers les âges, deel 2, Brussel 1888, p.42)

Oostenrijks despotisme ondergaan,
Franse Revolutie doorstaan (1784-1800)

Het einde van de 18de eeuw betekent nieuwe rampspoed, ditmaal in naam van de Verlichting. Eerst laat zich ‘de prijs van het succes’ gevoelen, wanneer De Rozenkrans-Madonna van Caravaggio zijn weg vindt naar de keizerlijke kunstverzameling te Wenen. Nadien volgen de algemeen kerkelijke aangelegenheden van de keizer, Jozef II van Oostenrijk. In 1784 verbiedt hij om nog te begraven in kerken en steden. De nieuwe begraafplaats Stuivenberg wordt de laatste rustplaats voor de parochianen van de noordelijke helft van de stad. Bij een volgende wet van de ‘keizer-koster’ worden in 1786 de broederschappen afgeschaft.

Eens onze gewesten in 1794 bezet zijn door het Frans Revolutionair Bewind, noodzaakt de opgelegde oorlogsbelasting tot verkoop van kerkzilver en worden de belangrijkste schilderijen van Rubens, Van Dyck en Jordaens als oorlogsbuit naar het centrale depot in Frankrijk weggevoerd. In 1796 worden bij wet alle kloostergemeenschappen ontbonden die zich niet inzetten voor onderwijs en ziekenzorg. Bij hun uitdrijving ontvangen de dominicanen elk een waardebon in ruil voor hun eigendom. In het vooruitzicht van de terugkoop van hun klooster, nemen ze die toch aan. Omstreeks deze tijd verdwijnen ook grotendeels de archieven: een aderlating voor de geschiedschrijving van het klooster en de kerk. Toch berusten er nog 631 dossiers in het Sint-Paulusarchief, gaande van de eerste dominicanen in de 13de tot de laatste in de 19de eeuw.

In 1797 wordt de kerk openbaar verkocht, maar omdat de kloosterlingen hun pensioenbonnen vrijwillig afstaan, kan prior Peltiers hiermee, en met de hulp van gelovigen van de Sint-Walburgisparochie, de kerk en het klooster terugkopen. Enkele dominicanen verblijven opnieuw, nu als ‘citoyens’, in hun klooster waar, ze hopen ooit weer een dominicanengemeenschap op te richten. De Franse administratie doorziet evenwel Peltiers’ plan om de kerk voor de eredienst te heropenen. Hij verkoopt de kerk en het klooster aan een stroman en legt op 9 mei 1798 – in tegenstelling tot de meeste geestelijken, die vervolgd worden − de eed van haat af tegen het Franse koningshuis, in de hoop de kerk weer te openen.

Aanpassing van kloosterkerk tot parochiekerk (19de eeuw)

Wanneer het Consulaat, met generaal Napoleon Bonaparte, particuliere eigenaars weer toelaat om hun kerken te openen voor de eredienst, stelt Peltiers als een van de eersten te Antwerpen in 1800 zijn kerk open. Een jaar later, bij het Concordaat, worden de parochies heropgericht. Doordat het Bisdom Antwerpen afgeschaft is, ressorteren die nu onder het Aartsbisdom Mechelen. De Sint-Walburgiskerk, nabij het Steen, die nog steeds dient als marinedepot, wordt echter te bouwvallig bevonden. Vandaar de vraag om de voormalige dominicanenkerk als parochiekerk te openen. Hiervoor koopt het stadsbestuur in 1803 de Sint-Pauluskerk over van Peltiers. Zo is de Stad Antwerpen tot op de dag van vandaag eigenaar van de kerk. Aan deze nieuwe functie dankt de Sint-Pauluskerk haar definitieve redding. Bovendien wordt zij de erfgenaam van de broederschappen van Sint-Elooi, Sint-Johannes Nepomucenus en Sint-Lucia uit de Sint-Walburgisparochie, hun kunstwerken incluis. De dominicanenpater Alexander Stordeur wordt de eerste pastoor van de Sint-Paulusparochie. De pastorij wordt ingericht in het voormalige gastenverblijf.

Een groot deel van de geroofde schilderijen uit Antwerpse kerken komt in 1815 uit Parijs terug. De Sint-Pauluskerk mag haar schilderijen van Rubens, Van Dyck en Jordaens weer verwelkomen. De beide schilderijen van het hoofdaltaar, die al naar regionale musea doorgestuurd waren, blijven echter onrechtmatig in Frankrijk…

In 1816 biedt Prior Peltiers het klooster aan de kerkfabriek aan. De grote ‘redder van het klooster’ sterft er vijf jaar later. De laatste Antwerpse dominicaan overlijdt er in 1846.

Tijdens de beschieting van de stad door de Nederlanders op 27 oktober 1830 worden alle 17de-eeuwse kleurrijke glasramen, gemaakt naar kartons van Abraham Van Diepenbeeck, vernield. Sindsdien staat de kilheid van het koor en de zuidbeuk in schril contrast met de kleurenweelde van de schilderijencyclus in de noordbeuk.

In 1833 gaat men eindelijk van start met de drastische aanpassing van klooster- tot parochiekerk. Voorop staat het uitzicht op het hoofdaltaar, vroeger het eigen altaar van de dominicanen, sinds 1801 het parochiealtaar voor alle gelovigen. Daartoe sloopt men het monumentale barokke koordoksaal, samen met de beide zijaltaren. Het zuidelijke altaar, dat van het Heilig Kruis, wordt verplaatst naar het annex van de zuiderdwarsbeuk; ‘het (klein) Visioen van Sint-Dominicus’ van Gaspar De Crayer komt tegen de noordwand van dat transept. Zeg nu zelf! Eerst doorstaat de kerk, uitzonderlijk, met heel haar kunstpatrimonium het revolutionair bewind van een bezetter en wordt dan, in het onafhankelijke België, door de eigen kerkfabriek aangetast!”)

Conform de opvatting van het doopsel als conditie om in de kerkgemeenschap te treden, wordt een aparte doopkapel gebouwd bij de ingang van de kerk, in de hoek van de calvarietuin, vlakbij de toen enige poort, die aan de Veemarkt. De Sint-Paulusstraat was immers nog niet aangelegd. Als doopvont dient het marmeren, ronde wijwaterbekken uit de voormalige Sint-Walburgiskerk. Ca. 1850 creëert men een trouwkapel door de halve oostpandgang af te sluiten (de huidige weekkapel).

Om de Meir met de Schelde te verbinden met “ruime, moderne straten” wordt in 1855 doorheen de voormalige kloostertuin de Sint-Paulusstraat geopend. De kerkfabriek geeft Bartholomeus De Proost de opdracht om aan de straatzijde 12 woningen te bouwen, gecentreerd ten opzichte van het poortgebouw in classiciserende stijl (1859-1862), dat de nieuwe toegang vormt tot de parochiekerk. Hierop ‘sluiten’ dan in het koor de (neo-)barokke ‘leeuwenpoorten’ aan.

In 1889 teistert de ontploffing van de Corvilain-kruitfabriek ramen en daken. Dankzij de neogotische trend wordt de voorgevel door François Baeckelmans grotendeels volgens het oorspronkelijk gotische uitzicht heropgebouwd (1895-1901). Het stedenbouwkundige ideaal van een vrij zicht op ‘monumenten’ resulteert in de afbraak van de beide huisjes die aan de voorgevel tegen de zijbeuk aanleunden.

Bescherming en restauratie (20ste – 21ste eeuw)

Het statuut van beschermd monument, toegekend in 1939, heeft de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1943 niet belet om twee luiklokken op te eisen om zijn oorlogs­machine van grondstoffen te voorzien. Omwille van het dreigende oorlogsgeweld beschermt men in datzelfde jaar, letterlijk, menig kunstwerk, vooral grote losstaande beelden, zoals Sint-Rosa, de Gegeselde Christus, de Mariatroon, de epitaafbeelden in het koor en alle biechtstoelen.

Sinds 1961 behoort de Sint-Paulusparochie tot het heropgerichte Bisdom Antwerpen.

In de nacht van 2 op 3 april 1968 vernielt een catastrofale brand het klooster en slaat het vuur over op het kerkdak en zo op de toren. Gelukkig houden de gewelven stand. Enkel het houten deksel voor het oude klokkengat (van de dakruiter van vóór 1679) midden in het stergewelf van de viering begeeft het, waardoor een cascade van vuurgensters naar beneden valt: het ultieme moment om nog te redden wat er te redden valt. Ondertussen hebben vele vrijwilligers uit de buurt de beelden van de biechtstoelen gerukt, via ladders schilderijdoeken uitgesneden en opgerold, de schatten uit de sacristie gehaald. Bij deze heldhaftige evacuatie is niets ‘verloren’ gegaan. Uit de kritiek later blijkt nog eens dat de beste kapiteins ook toen aan wal stonden.

De globale restauratie vergt jaren. In 1977-1982 wordt het bovenstuk van de toren volledig heropgebouwd, maar de hoogdringende restauratie van het dak, met een stalen gebinte, wordt pas in 1988 voltooid. Nog steeds onder leiding van architect Louis Williame ondergaat het hele exterieur van 1991 tot 1993 een grondige aanpak. Van 1994 tot 1998 leidt architect Rutger Steenmeijer de restauratie van het interieur. De installatie van vloerverwarming zorgt voor een buitenkans tot archeologisch onderzoek: graven, funderingen en het oude kerkje en klooster komen aan het licht.

In 1998 verkoopt de kerkfabriek het klooster en de oude pastorie, gevestigd in de gastenvleugel.

Drie jaar later, in 2001, wordt de schatkamer geopend, naast het koor.