Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

Een kerk voor
predicatie, biecht en muziek

Een kerk voor predicatie, biecht en muziek oftewel voor het ware, het goede en het schone. In elke katholieke kerk wil men niet enkel dankbaar of smekend voor God staan. Men wil de mens intellectueel vormen door predicatie, een stichtelijke en bezielende toespraak. Men wil de gelovige helpen om te strijden tegen het kwade door hem tijdens de biecht te helpen om zich te bezinnen over goed en kwaad en vooral door het goede te laten zegevieren in de verzoening met God. En in de (para-)liturgie wil men het harmonieuze schone laten weerklinken door zowel daverende als zachtminnende orgelklanken. Dit drievoudige opzet ‘om de waarheid te horen, het goede te laten zegevieren en het schone te laten weerklinken’, beantwoordt aan de definitie van God zoals de grote dominicaner geleerde Thomas van Aquino het in zijn Summa Theologica uitdrukte: “God is het ware, het goede en het schone” (Deus est verum, bonum et pulchrum’).

De Preekstoel

Het beeldsnijwerk van de neorenaissancistische preekstoel, is van Joannes Baptista de Boeck en Joannes Baptista van Wint (1874), die zes jaar eerder voor de familie van de schenker, Jacob de Vries, op het hoogkoor een gedachtenismonument hebben gemaakt. In de voetstam prijkt vooraan de patroonheilige Paulus. Op de kuip prijken vijf halfreliëfs die de kracht van Jezus’ woord, oftewel ‘prediking’, uitbeelden in verschillende omstandigheden.

Christus in gesprek met de Samaritaanse
(Joh. 4:5-42)

Jezus zit “moe van de tocht” bij een waterput (v.6). Wars van elk burgerlijk fatsoen neemt Hij het taboe-overschrijdende initiatief tot een gesprek met de Samaritaanse vrouw die water komt putten. Jezus wijst in de put: “iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst” (v.13), “maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven” (v.14). Met andere woorden: als de predikant overtuigd is dat Jezus het “levende water” (v.11) is voor alle mensen, te beginnen voor zichzelf, dan staat hij sterker om zijn toehoorders daarvan in de preek te overtuigen.

“Zee en wind gehoorzamen Hem”
(Mt. 8:18.23-27; Mc. 3:31-35; Lc. 8:22-25)

Jezus en zijn zeven vissers-apostelen varen over het meer van Genezaret, maar ze hebben te kampen met een storm. In de linkerbovenhoek blaast de wind (als Aeolus) dan ook fel. Het meer is echter zo onstuimig dat – getrouw aan het evangelie – de boot vol water geraakt en dreigt te zinken. Zelfs de mast is hier afgebroken. Enkel de achtersteven met het roer steekt nog boven het water uit. Daar ligt Christus (met het hoofd) op een kussen te slapen. De apostelen smeken Hem de storm te bedaren en daarop zullen wind en zee Hem gehoorzamen. Met andere woorden: Gods woord is krachtig(er dan je denkt).

Christus predikt tot het volk

Op de achtergrond staan palmbomen. Te midden van een aandachtig publiek van verschillende generaties en geslachten zit Christus als leraar met opgestoken vinger. Met andere woorden: Jezus predikt voor heel het volk.

Christus bij Marta en Maria
(Lc. 10:38-42)

Jezus is te gast in het huis van Marta en Maria. Marta wordt in beslag genomen door de drukte van het bedienen terwijl haar zus Maria aan de voeten van Jezus zit te luisteren. Een open boek en een boekenhangkastje illustreren Maria’s intellectuele belangstelling. Marta is net uit de keuken gekomen om zich bij Jezus te beklagen over haar zus Maria, die het werk aan haar overlaat. Jezus, gezeten in een zetel, tempert Marta’s ongenoegen: “Marta, Marta, wat maak jij je bezorgd en druk over veel dingen” (v.41). Terwijl zijn andere hand naar het boek op de tafel wijst, zegt Hij: “Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden” (v.42). Met andere woorden: graag wat meer aandacht bij de preek!

“Laat de kinderen tot Mij komen”
(Mc. 10:13-16)

Vrouwen komen met hun kindjes naar Jezus toe. Op de achtergrond staan twee bebaarde mannen, aan hun blote voeten als apostel herkenbaar. Hopelijk hebben zij nu hun lesje geleerd: “Laat de kinderen toch tot Mij komen en sta ze niet in de weg” (v.14). Met andere woorden: breng de kinderen zeker mee naar de preek (maar tegelijkertijd: preek zó dat de kleinsten het ook begrijpen).

De barokke preekstoel werd ontmanteld ca. 1874, maar de meeste onderdelen zijn ter plaatse gebleven. De reliëfs van de kuip werden in 1998 verwerkt in het huidige vieringaltaar. De vier hoekpanelen worden ingenomen door een zesvleugelig engelenhoofd, de hoofdreliëfs bevatten onder meer de bustes van twee dominicanen: Sint-Dominicus en de grote geleerde, Thomas van Aquino. Verder is er het wapenschild van de orde en een schild met enkele attributen van de ordestichter: de fakkelhond met een globe, een lelietak en een reisstok (met haak voor de kalebas).

De Biechtstoelen

Voor priester-kloosterlingen als de dominicanen vormt het optreden als geestelijke raadsman en/of biechtvader een belangrijk onderdeel van hun zending. ‘Vergeving van de zonden’ behoort immers tot de bevrijdende kracht van Jezus’ evangelie. Bij hun bezoek aan een van de nabije vee- en voedselmarkten profiteerden nogal wat gelovigen ervan om bij een anonieme biechtvader in deze paterskerk hun hart te luchten, zeker voor de jaarlijkse paasbiecht. Omdat de vraag naar het sacrament van de biecht fel was toegenomen, moesten niet minder dan tien biechtvaders paraat kunnen staan (lees: zitten) in evenzoveel biechtstoelen. Daarom werd in 1657-’59 een nieuwe reeks van hoogbarokke biechtstoelen in eik ontworpen en uitgevoerd door Peter I Verbruggen. Over de hele lengte van elke zijbeuk staan er vijf gevat in een doorlopende lambrisering, met naast de biechtelingen twintig levensgrote beelden. Met hun snijwerk getuigen deze kerkmeubels van levendige verhaalkunst. De innerlijke strijd van de mens tussen goed en kwaad wordt verbeeld. In een eindeloze fantasie verzinnebeelden de putti met hun attributen de gevoelens die in de ziel van de biechteling leven. Enerzijds wordt de tweestrijd die de mens constant in zichzelf moet voeren aanschouwelijk gemaakt door het gevecht tussen velerlei deugden en ondeugden. Of het nu gaat om onstuimige honden, brullende leeuwen, bekvechtende hanen, geile apen of een echte ‘zondebok’, hun kracht moet alleszins, als zinnebeeld van het kwaad, ingetoomd en getemd worden. Anderzijds staan onder meer Jezus lijdenswerktuigen voor Gods genade en de bevrijding van onze zonden door het liefdeoffer van Jezus. Verder getuigen speelse putti en dartele dieren van de herwonnen levensvreugde na de sacramentele verzoening met God: zo spreekt een (uit een rups) ontpopte vlinder over de verrijzenis tot onvoorstelbaar nieuw leven. Kinderspelen zoals kaatsballen, bellenblazen en een kat-en-muisspelletje moeten stimuleren tot hemelse deugdzaamheid, zonder daarom de pret te bederven… Een vos die van druiven snoept, duidt op een kerkganger die de communie onwaardig wil ontvangen, d.i. zonder biecht.

De biechtstoelen worden telkens gevormd door vier ‘sprekende beelden’: twee engelen die het priesterhokje flankeren en telkens een mannelijke en een vrouwelijke heilige aan de buitenzijde. Bij elk van de tien stoelen tegen de lange zijbeukwanden wordt een ander thema in beeld gebracht dat met biechten te maken heeft. Samen vormen ze een geestelijk schaakspel waarbij de tegenoverliggende biechtstoel in de andere zijbeuk een gelijklopende gedachtegang ontwikkelt.

NOORD                                        koor/altaar   ZUID
1) de heiligheid in het gezinsleven 1) de heiligheid van het kloosterleven
2) het verlangen naar een rechtvaardige dood 2) het berouw en de boetvaardigheid
3) het geloof en de liefde 3) de Eucharistie
4) de pelgrimstocht (als middel tot heiliging) 4) de innerlijke meditatieweg (voor wie opgesloten zit)
5) het bloedige martelaarschap 5) het onbloedige martelaarschap

Het ‘bloedige martelaarschap’ moge dan al een fatale afloop kennen, daarom is de heldhaftigheid niet minder bij het onbloedige martelaarschap, wanneer men vervolgd wordt zonder er het leven bij in te schieten, zoals de dominicaan Ludovicus Bertrandus, die het opnam voor de Zuid-Amerikaanse indianen.

Bovendien zijn er nog familiale verbanden tussen de noord- en de zuidzijde: Petrus staat tegenover zijn broer Andreas, Johannes tegenover zijn broer Jacobus. En er is zelfs een analoog detail: het aantal van drie stenen bij Agnes de Montepulciano en even zoveel medaillons bij Margaretha da Citta di Castello (derde biechtstoel, respectievelijk zuid- en noordbeuk).

De biechtstoelen in de zuidbeuk,
van oost naar west

Biechtstoel (A)
de biecht als middel voor de heiligheid van het (dominicaanse) kloosterleven

Allen zoeken genade in de biecht, zeker wie behoort tot de dominicanenorde, naar het voorbeeld van de ordestichter Sint-Dominicus. Zowel het vlammend hart van de eerste, als de doornenkroon van de tweede engel wijzen op de liefdevolle bereidheid van de kloosterling om doorheen soms zware ascese en opoffering Christus na te volgen, zoals derdeordelinge Catharina van Siëna (1347-1380).

A4 Catharina van Siëna drijft twee ‘helse’ slangen op de vlucht.
A6 Dominicus met fakkelhond en (Bijbel?-)boek.
A24 Pilaster: kat en muis; onderaan houdt een putto de kat bij de staart, bovenaan houdt een andere de muis vast door middel van een touwtje dat rond haar staart is geknoopt. Maar wat is de juiste boodschap hier? De bekoringen zijn zo speels, beheers u?

Biechtstoel (B)
berouw en boetvaardigheid stimuleren de biecht

De sleutel (oorspronkelijk twee?) van de apostel Petrus vertegenwoordigt de (‘sleutel’-)macht die hij van Jezus heeft ontvangen om op aarde zonden te vergeven en zo de toegang tot de hemelse gelukzaligheid te ontsluiten. De haan aan zijn voet herinnert hem er aan hoe zwaar hij zondigde door Jezus te verloochenen. Maar eens hij dit besefte, bij het kraaien van de haan, toonde hij berouw “en weende bitter” (Lc. 22:62)”.

Bij deze soberste biechtstoelbeeldengroep van de kerk hebben de vermanende en de berouwvolle engelen, uitzonderlijk, geen attributen.

Maria Magdalena in boetekleed, met aan de voet haar traditionele balsemvaas, maar eveneens een parelsnoer dat de kostbaarheid van het parfum moet suggereren.

Op de paneeltjes geven Jezus’ lijdenswerktuigen aan hoe het lijden van Jezus ons van onze zonden verlost heeft.

B1 Centrale figuur schenkt water uit een kan: de goddelijke genade (van de biecht). Putti voeren kruiken water aan, terwijl ze ‘helse’ dieren afweren.
B2 Twee engelen kussen elkaar ten teken van verzoening (als tegenpool van B17 en B21, waar twee engelen van elkaar weg kijken en in B21 elkaar de rug toekeren).
B26 Een dansend skelet roffelt met twee doodsbeenderen op een trom en geeft te denken over vergankelijkheid.

Biechtstoel (C)
de volle ontmoeting met Christus in de Eucharistie (dankzij de biecht)

De grote dominicaner geleerde Thomas van Aquino (1225-1274) (p. 42) schreef het officie van Sacramentsdag en dichtte het Lauda Sion; vandaar zijn dagelijks werkmateriaal van pen en inktkoker. Hij is te identificeren door de ketting op zijn borst met daaraan de zon van de wijsbegeerte, die zinspeelt op het overwinnende licht van de goddelijke waarheid.

De beide engelen vertolken het gebed: het gebed van de intellectueel met een gebedenboek en dat van de ongeletterde met een rozenkrans. Misschien indachtig de legende dat Thomas een verleidelijke prostituee met een brandende toorts verjoeg, symboliseert de omgekeerde brandende toorts aan de voet van de linker engel het doven van de brandende (onzuivere) wellust.

De dominicanes Agnes de Montepulciano (1268-1317; heilig verklaard in 1726) zou zich uit-sluitend met het eucharistische brood gevoed hebben. In de handen heeft ze de lelietak van de zuiverheid, een rozenkrans en een schoteltje waarop de drie stenen, die O.-L.-Vrouw haar volgens de legende gaf om er een klooster mee te bouwen. Ook het lint met het kruisje dat ze om de hals draagt, zou ze van Maria ter herinnering gekregen hebben nadat ze Jezus even in de armen had mogen houden.

De omlijsting van de biechtstoel verbeeldt hoe de genade van de Eucharistie pas ten volle werkzaam is indien men ze benadert met een zuiver hart, of anders gezegd, met een hart dat door de biecht gezuiverd is.

C1 Putti, gewapend met drietanden, bedreigen slangen; andere putti vluchten voor draken.
C2 Putti met pijl en boog maken met twee honden jacht op een vos.
C3 Trommelende putti: zolang God de trom roert, is er klank. Dit is: de genadewerking van de Eucharistie.
C6 Putto met korf vol broodjes, waar twee putti naar reikhalzen. Putti met pijl en boog verjagen honden, cf. “het ware brood van de kinderen niet voor de honden te werpen” (Mt. 15:26; Mc. 7:27), zoals verwerkt in het beroemde Lauda Sion, het loflied op het Heilig Sacrament. Putti omarmen elkaar.
C13 Centrale cartouche: twee putti in aanbidding voor het Heilig Sacrament, omgeven door zonnestralen; lunula in de vorm van een halve maan.
C23 Cartouche: putti schudden gewaad uit – gelovige komt in biecht(-stoel) zijn ziel luchten.
C24 Pilaster: vos, druivenguirlandes en fruit.
C26 Pilaster: vos eet van druiven – onwaardige zondaar wil de communie ontvangen zonder voorafgaand berouwvol te biechten (= Heilig-Sacramentsaltaar, zuil A2).

Biechtstoel (D)
de innerlijke meditatieweg als middel voor (biecht en) heiliging

Wie door omstandigheden, zoals gevangenschap of ballingschap, niet fysiek op bedevaart kan, onderneemt ter plekke een puur spirituele pelgrimage of een “lange reis naar binnen”, zoals bijvoorbeeld Johannes de Evangelist en Sint-Barbara.

Johannes vertoeft in ballingschap op het Griekse eiland Patmos. Als evangelist houdt hij een schrijfboek en een pen in de handen, terwijl aan zijn voet de arend hulpvaardig een inktkoker in de bek houdt.

De twee engelen mediteren over het kruisopschrift “INRI” en de Veronicadoek in hun handen; met andere woorden: in de geestelijke meditatieweg kan men geestelijk dergelijke grote relieken aanschouwen.

Aan de voet van Sint-Barbara (3de eeuw), met martelaarspalm, staat de legendarische toren met drie vensters, waarin ze door haar vader werd opgesloten om het contact met andere christenen te verhinderen.

D2 Wolven met ontblote tanden bedreigen putti, die van schrik de handen boven het hoofd houden: gebed in nood.
D24 Pilaster: vlinder – de ziel die uit de cocon van de dodenslaap verrijst; krekel: het gebed in nood, want hij zingt slechts bij hitte. Mensen gaan enkel naar kerk als het slecht gaat.
D26 Pilaster: drie artisjokken, die smaak krijgen als ze met aarde bedekt worden – God brengt een zondaar door meerdere noodsituaties tot bekering.

Biechtstoel (E)
het onbloedige martelaarschap

Uit liefde voor Christus kan men ver gaan: men verzaakt aan bezit, eer en macht, zoals Margaretha, of men heeft er zelfs doodsbedreigingen voor over, zoals Ludovicus.

De dominicaan Ludovicus Beltrán, alias Bertrandus (Valencia, 1526-1581; zalig verklaard in 1605, heilig verklaard in 1671) komt als missionaris in Zuid-Amerika in aanvaring met de Spaanse conquistadores, die de indianen uitbuiten, maar de vergiftigingspoging van een van hen overleeft hij; vandaar de beker waaruit een giftig slangetje kronkelt.

Beide engelen houden een rozenkrans, een van hen ook een gebedenboek: enkel door het gebed kan men dergelijke beproevingen (blijven) dragen.

Margaretha van Hongarije (1242-1270; heilig verklaard in 1943), dochter van Bela IV, koning van Hongarije en van koningin Maria Lascaris (en kleindochter van de keizer van Constantinopel), verzaakt uit liefde voor Christus (kruisbeeld in de handen) de dubbele koningskroon (op het voetstuk) om dominicanes te worden.

De strijd tegen het kwade wordt onder meer gewonnen door de bereidheid om zichzelf tot in de dood te geven.

E1 Putti met honden en gewapend met speren, jagen op hazen, symbool van de zondaar die door eigen schuld steeds in angst leeft. De hazen gevangen in een overvloedshoorn, zijn de zondaars met wroeging, die door goddelijke genade herleven.
E1 Putti met honden en gewapend met netten, speren en hoorns, jagen op vossen; kronkelende slang in planten. De zielen worden uit de ‘handen’ van het kwade gehouden.

De biechtstoelen in de noordbeuk,
van oost naar west

Biechtstoel (F)
de biecht als middel voor de heiligheid van het familieleven

Dé heilige familie bij uitstek is de Heilige Familie: Jezus, Maria, Jozef. De rechtvaardige Jozef staat er als man van middelbare leeftijd, met de lelie van de zuiverheid.

Maria, als O.-L.-Vrouw-van-de-Rozenkrans, is gekroond met een krans van rozen en op het voetstuk prijkt een scepter.

De twee engelen houden in de handen zowel een echte krans van rozen als het gebedssnoer, maar dan van kort formaat. In tegenstelling tot het gebedenboek van Dominicus en de kloosterlingen aan de overzijde, staat de rozenkrans voor het gebed van de (toen nog talrijke) ongeletterden.

In de lambrisering stimuleren de reliëfs de harmonie in het familieleven:

F2 Vurige jachthond beteugeld door drie putti: het intomen van de jeugdige onstuimigheid.
F3 Twee engelen keren elkaar de rug toe en bewonderen vruchten uit de overvloedshoorn: huiselijke onenigheid waarbij men uitkijkt naar de rijke genade van verzoening.
F4 Geklede putti houden druivenguirlande vast, waarop twee roofkatten klauteren: ? Een panter die aangename geur verspreidt zodat dieren hem volgen: Christus trekt de mensen aan door zijn voorbeeld.
F6 Twee apen, symbool van wellust, kijken verschrikt (letterlijk: versteend) bij het zien van het Medusamasker.

Biechtstoel (G)
het verlangen naar een rechtvaardige dood

De apostel Andreas, die liever naar God in de hemel verlangt dan nog van de marteldood gered te worden, omarmt zijn marteltuig: het sint-andrieskruis, en kijkt verlangend hemelwaarts.

Het doodshoofd en de zandloper van de beide engelen symboliseren de vergankelijkheid van de aardse tijd. Sint-Catharina van Alexandrië (4de eeuw) bleef doorheen de martelingen bereid voor haar christelijk geloof te sterven; vandaar het marteltuig – het gebroken rad – en de palmtak van de hemelse overwinning.

G4 O.-L.-Vrouw, gekroond met twaalf sterren; zij verwijzen naar de Apocalyps, maar ook naar Maria’s twaalf deugden, aldus de gebedsoefening bij de Rozenkransbroederschap: Het Cransken der Twaalf Sterren (1622).
G13 Sint-Andreas met sint-andrieskruis, ondersteund door twee putti, en palmtak.
G5 Cartouche: putti houden het medaillon met de zalige dominicaan Henricus Suso, die op de borst het monogram ‘IHS’ met kruis en nagels draagt.

Biechtstoel (H)
de Biecht leidt tot geloof en liefde

De opsteller van het eerste kerkelijk wetboek, de Spaanse dominicaan Raymundus van Peñafort (1175-1275) houdt de codex van het kerkelijk recht in de hand, net als de biechtsleutel om te binden en te ontbinden (Mt. 16:19).

Hij is enkele jaren de biechtvader van paus Gregorius IX, alsook van Jacob I van Aragon, en de traditie zegt dat hij, overigens op honderdjarige leeftijd, al biecht horend gestorven is.

Omwille van zijn inzet voor de vrijkoop van de christenslaven – de orde van de Mercedariërs, die zich daar op toelegt, rekent hem trouwens tot haar medestichters – prijkt er op het voetstuk een voetboei. Maar hij wordt zelf vaak door de mohammedanen vervolgd. Waar Thomas van Aquino de basis legt voor het Sacramentsfeest, fundeert Raymundus het juridisch statuut van de biecht. Een engel toont het kruis van het Geloof, de andere het vlammend hart van de Liefde.

Van de blindgeboren Margaretha da Citta di Castello (1287-1320; zalig verklaard in 1609), Italiaanse derdeordelinge, wordt beweerd dat men na haar dood in het hart drie parels zag met de beeltenis van Jezus, Maria en Jozef, ten teken van haar intense liefde voor de Heilige Familie; hier drie vierkantjes op het hart in haar hand.

H11 Cartouche: twee wenende engelen met doodssymbolen – doodshoofd, omgekeerde gekruiste fakkel, vleermuivleugels.
H26 Pilaster: twee gevleugelde puttihoofden; hun adem verandert in rozen: het rozenkransgebed, waarbij elk gepreveld Weesgegroetje als een roosje aan Maria wordt aangeboden.

Biechtstoel (I)
bedevaarten helpen zuiveren

Een (vrijwillige of een bij vonnis opgelegde) bedevaart kan helpen om het geweten te zuiveren en uiteindelijk te gaan biechten. Een opgelegde bedevaart als straf bij een vonnis of bij een biecht kan ook de misdadiger of biechteling helpen zijn mentaliteit verder te zuiveren en te sterken. Omdat de pelgrimage niet zonder gevaren was en eerder ‘mannenwerk’, staan uitzonderlijk bij deze biechtstoel twee mannen in plaats van een man(nelijke) en een vrouw(elijke heilige).

Gezien de populariteit van zijn graf in Compostela is de apostel Jacobus de Meerdere uitgegroeid tot de patroonheilige van de pelgrims.

Jacobus Venetus (1231-1314; sinds 1622 officieel vereerd), Italiaans dominicaan, is een groot vereerder van de grote relieken te Rome. Een engel toont de Veronicadoek (‘bewaard’ in de Sint-Pietersbasiliek te Rome) terwijl de andere er berouwvol bij treurt. De legende vertelt dat Jacobus Venetus in de winter een bloeiende rozentak vond, vandaar een dergelijk bloemmotief rond een kruis.

Enkele mooie taferelen in halfreliëf, onder meer De Boodschap, De Visitatie, De Herders en De Wijzen, beelden mysteries van het geloof uit die men op bedevaart in het Heilig Land overweegt.

Op de rechterpilaster: vogels vliegen naar de sterrenhemel en twee putti in halffiguur blazen (opstijgende) zeepbellen: het hemelgerichte gebed.

I2 Twee putti beteugelen een leeuw en houden hem vast bij de manen: zelfbeheersing of hoe de slechte neigingen van de mens moeten beteugeld worden.
I4 Adelaar met blik naar de zon, weg van het aardse, aanschouwt God.
I6 De bok, ‘de zondebok (van Israël)’ en dus symbool van het duivelse kwaad en de wellust, wordt beteugeld door vijf putti op meerdere zintuiglijke wijzen: verschrikt worden door het zien van een masker, pijn voelen door stokslagen en het trekken aan de hoorns, opgeschrikt worden door schel gefluit. Dezelfde scène komt voor in de muurbekleding van de kapel van de Zoete Naam Jezus.
I1 Cartouche: De aanbidding van de herders.
I Cartouche: De aanbidding van de Wijzen.
I13 Cartouche: het wapen van de Jeruzalemvaarders.
I20 Cartouche: De Boodschap.
I21 Cartouche: Johannes de Doper in schaapsvacht, met kruisvaandeltje. Het lam lijkt eerder op een hond!
I22 Cartouche: De Visitatie.

Biechtstoel (J)
het bloedige martelaarschap als weg naar de zaligheid

De dominicaan Jan van Keulen (? – Brielle, 9 juli 1572) is een van de negentien martelaren van Gorkum (in 1675 zalig, in 1867 heilig verklaard), die omwille van hun trouw aan het katholieke geloof gefolterd en opgehangen werden. De strop is echter van zijn schoudermantel verdwenen. De martelaarspalm spreekt voor zich. Het voorwerp in de rechterhand zou de zogenaamde bloemenpixis van Oirschot zijn, waarin de pastoor van Oirschot in 1614 een twijgje met enkele bloesems bewaarde, geplukt op het graf van de martelaren van Gorcum. Veel later zou volgens de legende de twijg nog steeds gebloeid en exact negentien bloesems gedragen hebben. De ene engel houdt een martelaarspalm, zijn collega een -kroon.

Volgens de legende heeft de Spaanse dominicanes Lucia Casta (13de eeuw, geen officiële heilige overigens en niet te verwarren met de heilige Lucia van Syracuse uit de 3de eeuw, zich de ogen uitgestoken om haar kuisheid te bewaren tegen een jongeman die al te opdringerig werd “om haar oogkens zo blauw”. Omdat zij er zo veel voor over had om haar deugdzaamheid te bewaren, kreeg ze van Christus twee nieuwe ogen.

J4 Fries: twee putti helpen uit het nest gevallen vogeltjes weer in hun nest; de moedervogel kijkt hulpeloos en kwaad toe.

De biechtstoel in de zuidkapel
(toegeschreven aan Willem I Kerricx, ca. 1684)

Na de brand van 1679 en na de restauratie van de westgevel ca. 1684 stelt men aan de noordkant van de hoofdingang een laatbarokke biechtstoel op, wat het totaal van deze meubels (opnieuw?) op elf brengt. Daar stond Albertus Magnus die in 1276 de eerste Sint-Pauluskerk had ingewijd, als ‘sprekend beeld’ met een breed verwelkomend gebaar de bezoekers op te wachten. Bij de grote herschikking van 1834 verhuist deze biechtstoel met dit ‘sprekende beeld’ – spijtig genoeg – naar de zuidkapel, waar hem dit genoegen in een dood hoekje wordt ontnomen. Aan de andere kant van het hoofdportaal stond het gestoelte van de naburige zwartzusters, die zich sociaal caritatief inzetten, en dat verklaart waarom het grote schilderij De Werken van barmhartigheid daar oorspronkelijk vlak boven hing.

Het lange biechthoren is al niet van het leukste, zodat een beetje extra warmte in de toen zo koude kerk zeker welkom was. Daarom werd in de bodem onder een deksel met luchtgaten een lollepot of kerkstoofje ingebouwd. De warme lucht steeg tot in het habijt van de biechtvader.

Deze biechtstoel met schitterend laatbarok houtsnijwerk is een van de mooiste in zijn genre. Zelden gaat de structuur van een dergelijk meubel zo subliem schuil achter een meesterlijke mise-en-scène. De bewogen, maar elegante houdingen van de figuren wordt versterkt door het onrustige karakter van de overvloedige dunne plooien in hun strakke kledij.

De vergankelijkheidsgedachte van de westzijde getrouw, staat boven het priesterhokje de Christus van het Laatste Oordeel, begeleid door een bazuin blazende engel. Het lijkt wel alsof Hij met zijn buste in volreliëf uit de wand naar voren komt en de plaats gaat innemen van de dominicaner biechtvader. Hierdoor wordt beklemtoond dat de sacramenten, zoals de biecht, door de levende Christus worden toegediend. Tevens herinnert het de biechteling eraan dat vergiffenis hier het Laatste Oordeel zal verlichten. De beide engelen verzinnebeelden belangrijke deugden. De Boetvaardheid, rechts, ‘toont haar ware gelaat’ en draagt werktuigen van boetvaardigheid. De Zachtmoedigheid, links, met gebogen hoofd, vertrappelt de laurierkrans van mondaine eerbetuigingen, en heeft in de hand het lammetje van de zachtmoedigheid en een kaatsbal: “wie zichzelf vernedert, zal verheven worden” (Mt. 23:12). Tegen de wand moedigen de notoire berouwvolle zondaars de biechteling aan om ‘alles op te biechten’:

UITERST LINKS LINKS (Jezus) RECHTS UITERST RECHTS
         
Maria Egyptica koning David   Maria Magdalena ‘Goede Moordenaar’ Dismas
leeuw die haar hielp begraven,
draagt haar medaillon
harp
kroon
  lange haren kruis
         
Samaritaanse vrouw       de Verloren Zoon

Het (grote) orgel

De kerkgemeenschap beleeft des te meer deugd aan het geloof wanneer zij zingend kan bidden. Zang en muziek worden ondersteund door het kerkinstrument bij uitstek: het orgel. Het imposante orgel mag beschouwd worden als het belangrijkste grote historische orgel in de Zuidelijke Nederlanden. De kern ervan wordt vóór 1654-1658 gebouwd door Nicolaes Van (der) Haegen. Met zijn drie handklavieren, een pedaal, zevenenveertig registers en 3303 pijpen is het voor die tijd een uitzonderlijk groot instrument. Al snel geniet het faam, zo blijkt onder meer uit de uitvoerige ode ter gelegenheid van de inspeling en het concert door de Brusselse hoforganist Abraham Van de Kerckhoven bij het bezoek van koningin Christina van Zweden in 1658. Met inbegrip van de beide vrij unieke pedaaltorens staat het in 1661 model voor het nieuwe orgel in de protestantse Grote Kerk van Dordrecht.

Maar hoe lang duren mooie liedjes? Bij de brand van 1679 stort het gewelf in en beschadigt ernstig het orgel. De daaropvolgende, grondige restauratie wordt in de top als een heropstanding gesymboliseerd door de feniks, die uit het vuur herrijst.

De monumentale orgelkast is in 1654-1658 (of na 1679) gebeeldhouwd door Peter I Verbruggen, naar een ontwerp van Erasmus II Quellinus, een duo dat in 1664 de realisatie van de grote orgelkast in de O.-L.-Vrouwekathedraal toegewezen krijgt. Het hoofdwerk vindt men terug in het centrale deel van de bovenkast. Het positiefwerk, dat daar een verkleinde repliek van is, staat in de balustrade van het oorspronkelijke doksaal.

Jean-Baptist Forceville, die een tiental jaren eerder de opdracht kreeg voor een koororgel op het koordoksaal, komt het in 1730-1732 renoveren en uitbreiden. In de 19de eeuw wordt het instrument opnieuw verbouwd en gemoderniseerd, eerst door Jean-Joseph Delhaye in 1824, en in 1843 door François Loret. Ondanks de verschillende bouwfasen vormt het meubel één groots geheel dat harmonisch past tegen heel de westmuur.

Naar aanleiding van de restauratie van het grote orgel in 1992-1996 beslist men om in 1998 een tweede, kleiner orgelinstrument bij te bouwen, ingebouwd onderaan in het bestaande orgelmeubel, om koor en orkest te begeleiden bij ‘hedendaagse’ muziekuitvoeringen. Het heeft twee klavieren, een pedaal en zestien registers en 926 pijpen. Samen tellen beide orgels 4229 pijpen.

Traditiegetrouw hebben musicerende engeltjes plaatsgenomen boven op het hoofdwerk, de pedaaltorens en het rugpositief. De beide scherpe frontons worden bekroond door een lier en geflankeerd door engeltjes: links blaast er een de bazuin, rechts bespeelt het linkse een viool of vedel terwijl het rechtse uit een boek zingt.

Twee grote serafijnen, staande op een gevaarlijke, maar blijkbaar getemde draak, steken triomfantelijk de bazuin voor de glorie van God: “Godlof!”, zo klinkt het in de psalmen. Te Deum laudamus (U, God, loven wij) is het gebruikelijk loflied bij elke grote overwinning. In combinatie met de feniks zien sommigen hierin de Verrijzenis, de triomf van het geloof, de glorie van God of het Laatste Oordeel. Maar hoe moeten de twee monsters opgevat worden? Zijn deze ineengedrukte draken de overwonnenen van de triomferende engelen die op hen staan? Monsters staan sowieso voor de machten van het kwaad, maar twee bedwongen monsters verbeelden traditioneel de aspis (slang) en de basilisk, die, naar psalm 90:13, als symbolen van de zonde en de dood aan de voeten van de overwinnaar (Christus) liggen, hier als voetsteun voor Gods engelen. De aspis is een slangachtig beest dat enkel door bezweringen onschadelijk kan worden gemaakt. Om aan die bezweringen te ontkomen, stopt het fabeldier met het einde van zijn staart een van zijn oren dicht. In psalm 57 (v. 5 e.v.) verpersoonlijkt hij de goddeloze zondaar: “als de dove aspis die zijn oren dichtstopt en niet luistert naar de stem der bezweerders”. Herkennen we hierin een ode aan de heilzame werking van orgelmuziek? De basilisk is een gevaarlijk monster dat door zijn blik een mens kan doden. Of vertegenwoordigen beide monsters de draken die door de psalmist opgeroepen worden om als eerste onder de schepselen God mee te loven? Ps. 148: “Looft de Heer, gij hier op aarde: de draken (zeegedrochten) …(v. 7), vuur en hagel (v. 8) , …, gij dieren in het wild, in het veld (v. 10a), kruipgedierte en vogels bevederd. (v. 10b)”.

In de onderste zone hangen enkele muziekinstrumenten als trofeeën. Links een soort fagot en een draagbare harp (met engelenhoofd), een viool, een fluit en een open boek. Verder, rechts, een trommel, een fluit en een tamboerijn, een mandoline en een open boek.

Elke pedaaltoren wordt onderaan omlijst door drie, het rugpositief door twee ramskoppen (let op de sik en de gekromde hoorns). Festoenen en (vruchten)guirlandes omlijsten horizontaal en verticaal verschillende geledingen van de orgelkast, her en der opgevrolijkt met een masker.

Op het rugpositief zien we een koor van vijf engeltjes, zittend of staand, te zingen. Het eerste van links houdt een dirigeerstokje en het tweede en het derde van links een zangboek.

De beide opschriften uit de psalmen onderaan de grote orgelkast sporen aan tot vreugdevolle zang en muziek voor God de Heer:

links: PSALLITE DEO rechts: IN CYMBALIS ET
IN TYMPANO ET CHORO CITHARIS LAUDATE
IN CHORDIS ET ORGANO DOMINUM DE CAELIS
Psal. 148 Psal. 148

Deze teksten zijn geen direct citaat van die ene bepaalde psalm zoals de referentie telkens suggereert. Beide zijn samengesteld uit verscheidene onderdelen uit de laatste lofpsalmen; selectie en aanpassing staan in functie van het rijm, dat echter minder duidelijk is doordat wegens plaatsgebrek de tekst over drie regels verdeeld is. In vertaling luiden ze:

Psalmzingt voor onze God [Ps. 146,7b1 = 147,7b1]
met handtrom en reidans [Ps. 150,4a2]
met snaren en fluit. [Ps. 150,4b2]
Met cymbalen [Ps. 150,5a.5b]
en bij de citers. [Ps. 146,7b2 (= 147,7b2) of Ps. 150,3b,

maar in meervoudsvorm ! ]

loof de Heer vanuit het hemelgewelf. Psalm 148 [v. 1a]

In 1955 start pastoor Karel Dockx de traditie van de orkestmissen, die al gauw in het Antwerpse een begrip werden.