De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

De Geschiedenis

De imaginaire pre-romaanse kerk rond 1100

tot 1480: de Onze-Lieve-Vrouwetoren van de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk

Meer dan 200 jaar kunnen de Antwerpenaren voor hun godsdienstpraktijk terecht in de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk, gebouwd iets na 1124. Een van de romaanse torens daaraan verbonden – ter hoogte van de beide transeptarmen – waren waarschijnlijk voorzien van een gotische torenspits. Een van hen, de noordelijke deed ook dienst als belfort.

Oorspronkelijk bouwplan van de gotische kerk

1351: een eerste concept van de nieuwe gotische torens

Het startschot voor de bouw van een nieuwe gotische kerk komt er ca. 1351 en omwille van het getijdengebed van de kanunniken vangt men aan met de oostpartij: het koor, de bijhorende kooromgang en een dozijn aanpalende kapellen voor de meest florerende broederschappen en gilden. Ondertussen staat het schip van de oude romaanse kerk nog overeind opdat ieder onverstoord zijn godsdienst kan blijven praktiseren. Uit de verdere bouwgeschiedenis mag blijken dat minstens de locatie van de torens al bij aanvang bepaald was, mogelijk ook al een voorlopig concept, maar daarom nog niet de huidige vormgeving en hoogte.

Bouwfases van de noordertoren

1420-‘22: de fundamenten van de noordertoren

Enkele jaren na de voltooiing van dit oostelijk gedeelte, haast 70 jaar na de aanvang van die bouw, legt men ca. 1420 met de fundamenten van de noordertoren de definitieve lengte vast van de nieuwe gotische kerk. In die tijd was er waar nu de toren staat waarschijnlijk enkel kerkhofgrond.

Het is bouwmeester Appelmans die de eer krijgt om die funderingswerken te leiden. Op dat moment is de kathedraal verre van af. Hoe diep de funderingen reiken van de toren weet men vooralsnog niet: maar ongetwijfeld zal Appelmans opdracht hebben gegeven tot een ferme bouwput, gezien het te dragen gewicht. Het is een periode die ook het bijzonder gevaar met zich meebrengt van de rampzalige overstromingen van de Schelde, die de kerk en omliggende doen overstromen. Er zal dus rond de bouwput een stevige dijk of een muur zijn aangelegd om het water tegen te houden, terwijl ook het bouwterrein van kerk en torens werd opgehoogd. Om een beeld te geven: door de St. Elizabethvloed van 1421 komt zoveel zeewater de poldergebieden instromen dat de Westerschelde – tot dan de Honte genoemd – plots de belangrijkste vaargeul van de Schelde wordt, die dus vanaf Antwerpen in 1421 van richting wijzigt.

Dat de fundamenten stevig dienen te zijn, spreekt voor zich – het bekende verhaal van de lederen dierenhuiden als isolatiemiddel om het grondwater in de bouwput te neutraliseren is bouwtechnisch een feit, alleen is de legende die ermee gepaard gaat, heel wat minder historisch.  Hoe dan ook, onder leiding van Appelmans start men dapper aan de bouw.

De toren ca. 1480 op "1ste suikerlading aan het Stadhuis" detail

1422-ca. 1480: de vierkante basis

Van 1422 tot 1480 wordt er met man en macht gewerkt aan de vierkante basis. Het is misschien wel het minst opvallende, of zeker het minst spectaculaire deel van de toren, maar wel het cruciaalste onderdeel waaraan dus ook het merendeel van de totale tijd is gewerkt, namelijk 48 jaar ononderbroken. Het is massief opgetrokken, maar toch slagen de bouwers er al in om het bouwwerk door de lange lijnen een bepaalde lichtheid mee te geven. Was er toen al een volledig ontwerp van hoe de toren er moest uitzien? We weten het niet zeker, want er is niets bewaard van plannen. Wat we wel weten, is dat op het einde van dit vierkant deel, aan de tweede gaanderij, vier punten uitsteken, die vermoedelijk moesten dienen om een bijkomend vierkant deel te plaatsen, in plaats van de huidige achthoek. Hierdoor zou de toren er dan toch helemaal anders en veel minder licht hebben uitgezien dan hoe ze uiteindelijk werd.

Ondertussen was ook Pieter Appelmans, de eerste bouwmeester, gestorven in 1434. In dat jaar komt de noordertoren net nog boven de eerste gaanderij uit. Appelmans heeft in 1430 nog de aanzet van de bouw van de zuidertoren meegemaakt. die er helaas maar tot aan de eerste gaanderij is gekomen. De noordertoren komt er daardoor ranker uit!

Het is een zekere Jan Tac die de plicht van bouwmeester op zich neemt tussen 1434 en 1439. En dat is toch niet licht te nemen, ook al is het letterlijk verder bouwen op de fundamenten van de voorganger: de toren van de Sint-Jacobskerk vlakbij heeft men voorgoed moeten stilleggen wegens een constructiefout tijdens het bouwen tussen de eerste en de tweede gaanderij (?).

Vanaf 1439 -tot 1473 neemt Everaert van Veeweyden het bouwmeesterschap over. Onder zijn leiding komen de ‘gallemgaten’ er, die uiteraard dienen om de klanken van de klokken naar beneden te leiden. Daar wordt in 1455 aan gestart, en eindelijk, twintig jaar later, is de volledige 4de geleding af. De toren troont daardoor reeds als hoogste toren van de kathedraal er bovenuit.

Van 1473 tot 1502 neemt Herman de Waghemakere het werk op zich. Met zijn arbeiders geraakt hij in 1480 tot net boven de 2de gaanderij, waar nu de uurwijzers staan, ongeveer op 65 meter hoogte. En dan wordt de bouw van de toren stilgelegd.

De toren ca. 1508 in de marge van een perkament

1501-1508: de achthoek

Het lijkt erop dat men op dat moment niet zo goed wist hoe verder te gaan. Getuige de vier punten die nu nog te zien zijn, en die aanduiden dat men aanvankelijk verder wilde bouwen in dezelfde stijl. Waarom dat niet is gebeurd, weten we niet. Wel dat het pas in 1501 is, na 20 jaar, dat men het werk hervat, nog steeds onder leiding van Herman de Waghemakere. Er is nu voor een achthoekige koker gekozen, die op het terras van de tweede gaanderij wordt gebouwd. Vanuit esthetisch oogpunt geniaal, want ze verleent de toren haar karakteristieke lichtheid, waarop de 6de geleding en de spits op zal verder bouwen. Ondertussen is het voor de arbeiders een enge hoogte geworden om op te werken; ze krijgen dan ook een extra vergoeding daarvoor, wij zouden dat nu ‘bibbergeld’ noemen. In 1507 geraakt deze achthoekige trommel af.

De toren in 1515 (anonieme tekening)

1508-1518: de bekroning met de top

Ondertussen had de zoon van Herman de Waghemakere, Domien, in 1502 de leiding overgenomen. Op 12 juli 1507 vaardigt paus Julius II (1503-1513) een aflaatbul uit om de bouw van de torenspits te bekostigen. Het duurt dan nog eens bijna exact elf jaar voor de laatste steen gelegd is. Op 1 september 1518 plant men onder het zicht van duizenden toeschouwers, het gewijde kruis op de top van de toren die dan, na honderd jaar en vijf generaties eindelijk af is. We begrijpen dan ook dat hun vreugde niet op kon en dat die “daarboven op de stellagie” in een dans vorm kreeg.

De toren in 1841 (tekening van Linnig)
Restauratiefases in de 20ste eeuw

Eens voltooid, kon de tand des tijds zijn werk beginnen … Kleine ingrepen en grootse restauraties zullen de verdere bouwgeschiedenis van de toren uitmaken.

De eerste vermelding van verval dagtekent van 1580: “Anno 1580 viel van dezen toren van boven onder het uurwerk een steen op het hoofd van den  zoon van Diederik de Moy, koopman van zijde, die op stede daarvan dood bleef, en in hetzelfde jaar werd de toren verzien met grooten kost van de stad.” (Kronijk van De Weerdt)

20ste eeuw: een restauratieproject in 3 fasen

Overzicht: Eerste fase (1923-1930)
Tweede fase (1951-1958)
Derde fase (1975-1990)

1923-1930, FASE I: de bekroning

1910 Studiecommissie door het Stadsbestuur opgericht voor grondige torenrestauratie.

Het bovengedeelte, de vierkante overhoekse bekroning en de eigenlijke top, wordt aangepakt onder leiding van stadsarchitect Emiel van Averbeke. Een houten stelling van liefst 35m hoog wordt – volledig los van de spits – gebouwd van op de pseudo-16-hoekige balustrade, d.i. vanop een hoogte van 91m. De 60 ton wegende torenbekroning, een klokvormige steen, welke tot voetstuk dient aan het kruis, moet men immers geheel kunnen schoren. Om tijd te winnen worden i.p.v. tekenwerk gipsen afgietsels als model gebruikt voor de nieuw te kappen onderdelen. 1930, n.a.v. de Wereldtentoonstelling te Antwerpen, moet de stelling volledig afgebroken worden omwille van het zicht.

Na 1930 nieuwe draagconstructie in gewapend beton voor de luiklokken. Immers bij het luiden van de 6,5 ton wegende Carolusklok, wijkt een schietlood van 2,5m, opgehangen in de torenspits, 11cm naar elke zijde uit !

In de jaren 1930 begin van de restauratie van de ‘achtkant’. Een houten stelling blijft hiervoor staan tot na 1945 – zij het zonder veel nut.

In 1934 wordt de klokkenstoel, lager in de toren, vernieuwd. De luiklokken worden in een constructie van gewapend beton opgehangen.

1951-1958, FASE II: de ‘achtkant’

Van 1951 tot 1958 volgt een tweede reeks torenwerken, aan en binnen de ‘achtkant’, geleid door hoofdstadsbouwmeester André Fivez en nadien door hoofdarchitect-directeur van de Dienst voor Stadsgebouwen Ferdinand Peeters.

1958 N.a.v. de Wereldexpo in Brussel moet de stelling uit het zicht voor de bezoekers via Antwerpen.

1975-1990, FASE III: de basis (en de bekroning als meerwerk)

Pas in 1975 aanvang nieuwe fase: de gehele vierkante basis, evenals het balkon onder de uurwerkplaten die nog niet gedaan was. Deze fase wordt uitgebreid met – opnieuw – een deel van de spits die reeds terug aangetast was.

ca 2010: nieuwe galmborden
Restauratiefases in de 20ste eeuw

Overzicht van de bouwgeschiedenis van de 3 torens van de O.-L.-Vrouwekathedraal

De noordertoren

1419/1423: de fundering
1425-1518: opbouw: * ca. 1422-1480: vierkante basis
1501-1507: achtkant
1508-1521: vierkant en bekroning
19de-20ste eeuw en verder: restauraties

Zuidertoren:

1430-1431: fundering
1431-1475: bouw
1475 een (‘tijdelijke’) bekroning/bedaking.
1533: grote brand
1536: nieuwe torenspits.

3) Vieringtoren:

1514: aanzet bezig boven koor en middenbeuk
1534: meiboom gestoken bij de renaissance-vieringkoepel