De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

De toren in Proza, Poëzie en Muziek

De OLV-toren vanop Linkeroever

DE TOREN IN HET PROZA

Enkele passages van schrijvers die de toren in beeld brengen …

Jan DE SCHIPPER, Oud Antwerpen, parel aan de Schelde, Helle, 1951

In de zilversmidstraat bevindt zich het huis waar eens Pier Verhaert woonde, de kunstenaar, die als weinigen de atmosfeer van het schilderachtige Antwerpen in zijn doeken opving. Ge weet er ook meester Walter Vaes in zijn atelier. Met langzaam gebaar haalt hij een gedreven, gouden snuifdoosje uit een vestzakje te voorschijn, werpt het dekseltje met een nageltik open, neemt wat poeder tussen de slanke, ivoorblanke vingeren, snuift de tababaksprikkel, met langzaam genieten op, streelt de zilveren baard met een minuscuul, zijden zakdoekje rein, en laat de ogen fluweelzacht glijden op de schilderijen en oude gravuren, tinnen voorwerpen en opgetakelde scheepsmodellen, met het precieuze van een markies uit de tijd van de Zonnekoning.

Voor u, achter de grijsbepleisterde muur, opgetrokken daar waar voor korte jaren, nog gebouwen stonden die men eens aanduidde als Venetien, Rosenobel, de Gouden Reaal en de Clocke, de Gulden Cop, de Leeuwinne, de Witte Lelie, de Gouden Mossel ene wat al meer, ontplooit zich een enige prachtwand van een openluchtmuseum, zestiende eeuwse achtergevels van burgerlijke bouwkunst, waarop voorheen de rederijker Willem Ogier zijn ogen af en toe rusten liet, onder het schrijven zijner “zeven hoofdzonden”, terwijl zijn maag nog verzadigd was van de geweldige smulpartij, genoten met de andere leden der Kamer van Rethorika en zijn hart nog dronken van liefde voor Cornelia Loemans, tenzij het was voor Maiken Broers of voor Maria Schienmaekers. Op de achtergrond, tegen de loodzware hemel, vuil grijs en met groenblauw vermengd, als met water gezwollen, tekent zich het doorluchtig kantwerk van O.L.V. toren af, de hoogte inschietend als een mast.

Antwerpen stond, op het einde der zestiende en in de eerste helft der zeventiende gulden eeuwen, zo sterk in de zonneglorie zijner kunstenaars, dat het later, in tijden van artistiek verval, met schijn van werkelijkheid, maar ten onrechte, bleef prat gaan op de bewering, dat zij de bakermat der kunsten was.

Zijn van de hoogmoedswaanzin bezeten poorters werden – na gemakkelijk geldgewin door overzeese handel – vandalen die van geslacht tot geslacht hun merkwaardige gebouwen sloopten, om ze door andere, naar de mode van de dag, te vervangen. Ge herinnert u een zin uit een verslag door Hendrik Leys en Nicaise de Keyser, in 1861 uitgebracht: “Antwerpen, een der oudste steden van België, bezat nog voor de halve eeuw gebouwen uit alle tijdperken. Romaanse en spitsboogvormige monumenten bevonden zich naast werken in Renaissance, in schelpvormige stijlen. En die grote verscheidenheid van bouwwerken waaronder er zich zeer merkwaardige bevonden, verleende aan onze stad een echt schilderachtig uitzicht. Dit is ongelukkigerwijze niet meer zo. Sedert enige jaren verdween een groot aantal dier gebouwen om plaats te maken voor moderne huizen en men kan te recht de vrees koesteren, dat ons binnen enkele jaren niet een voorbeeld meer over blijven zal van de bouwkunst onzer voorzaten… Al diegenen die belang stellen in de schoonheidscultus, al diegenen die door hun studies op het peil van de hedendaagse wetenschap staan, betreuren bitter dit vandalisme, dat niet gerechtvaardigd kan worden.

Niets werd door onze voorvaderen in hun vernielde modekoorts geëerbiedigd. De Gotische kunst werd voor barbaars versleten toen de Griekse stijl in zwang was en het delicate kantwerk van O.L.V. toren ontsnapte enkel aan de vergruizende hamerslagen der slopers, Nadar was vastgesteld geworden, “dat de opbrengst van de verkoop der materialen de kosten van de afbraak niet zou dekken…” De doolhof van straatjes en markten, krielend rondom die grauwe, Gotische massa, is zuiver Antwerpse, oude schoonheid. Hoofdkerk en huizen er rondom zijn tot een geheel vergroeid, met de toren tot hogere bloei boven de berookte, roodpannen daken. Men kan het kerkjuweel enkel stilaan benaderen, nader zijn toren, nu eens gezien wordt in staatsperspectieven, dan weer achter blokken metselwerk weggedoken is, maar toch onweerstaanbaar bleef aanlokken. Men weet het nabij, en toch met men nog langs een hele doolhof van kronkelde verkeerswegen die er door beschaduwd worden.

Bijwijlen krijgt men onder een zekere belichting doorzicht op een vlak der kathedraal met haar donderende vlucht van gebeitelde stenen naar de hortende wolkenjacht. Dat is het geval tussen het drietal huizen met trapgevels, aan weerskanten van de Appelmansdoorgang – voorheen typischer aangewezen als het Molengat – Van de Oude Koornmarkt. Dit stadbeeld wasemt bij overtrokken weder een duisterend avondgrauw een romantisme uit, dat de wandelaar aangrijpt en hem onwillekeurig tot staan brengt. Welk een betovering ligt er in die kleine straten der oude stad, tussen de hoofdkerk en de haven, bochtig als darmen en dikwerf pikdonker.

Gemakkelijk geldgewin en lichtzinnig verteer, terwijl velen hunkeren naar de faam om meceen te zijn. Zo leef het in de koortsige drukte van beurs en haven waar zich allerlei goederen opstapelen uit alle werelddelen aangebracht in het ruim van bonkige schepen die alle zeen doorkruisten, terwijl boven dit alles het kantwerk van O.L.V. toren hoog in de serene hemel opschiet.

Emmanuel DE BOM, Antwerpen’s Onze-Lieve-Vrouwe-Toren, p: IV – V: Onze-Lieve-Vrouwetoren

Wie zegt: Onze-Lieve-Vrouwe toren, zegt: Antwerpen. Hij is gepland midden in ’t hart der oude stad. Hij is van dar hart de zuiverste ontbloeseming. Hij is door de eeuwen geworden het symbool, de ideale wegwijzer, de bewaarder van de hoogste gedachte. Sterk steunend in eigen bodem reikt hij van alle bouwen in onze gewesten het naast bij ’t hemelgewelf.

Hij leeft. Door alle winden omademd, door alle geweerte, door alle geschiedenis heen staat hij pal. Hij heeft de rustige kracht en de subtiele teerheid. Hij heeft honderden gedaanten, naarvolgens de stemming van ’t licht of de vordering der uren. Hij kan gebieden, majesteitelijk. Hij wordt door de blonde morgenden getaaid, die de nevelen waar hij in druilt ontrafelen. De middag kan hem glorievol doen glansen. En al de schemering om zijn tinnen draalt, is hij weemoediglijk en elegisch. Hij heeft zijn wintersche dagen, als de vorst zijn tanden zet in zijn oude romp. Dan is hij stug en gesloten; zijn grijsheid schijnt weerbastig te maken teken een aanval. Worden de luchten zachter, waaien de winden van over de schelden, zijn wanden dragen het groene kroos der ridderlijke sloten. Als de regen langs zijn flanken slaat staat hij daar zwart, lijdzaam en gelaten. Maar nauwelijks schiet de zon weer door de wolken of hij gaat schietteren. Hij is telkens als opnieuw geboren. Het schoonst is hij bij een warme zomeravond, als de eerste sterren ontvonken in een tanend spotloos blauwe lucht. Dan wijlt er geheimenis langsheen de ivorige kantelen. Er wordt een fijne sluier om hem geweven. En hij bidt in den avond…

Hij is van allen en voor allen men voelt zich aan hem verwant. Hij heeft onze voorouders allen gekend, wel en wee van dit land meegemaakt, alle vernedering, maar ook elke opstand, elke herwording. Hij is de eenige hier waarvan nooit iemand niet gehouden heeft. Hij rijkt uit boven allen. Hij dwingt de menschen naar den hemel te zien. Hij bidt, hij zingt, hij treurt, hij jubelt, hij maant, hij beveelt, hij is de alomtegenwoordige, in al het wisselende het blijvende hij is het teeken der eeuwigheid in ons vluchtig bestaan. Hij vervult ons met alle menselijke gevoelens: eerbied, waarheid, trouw, innigheid, eenvoud, soberheid en sierlijkheid. Hij de baken, de waker, de droomer en de denker. Hij is onze Lieve-Vrouwetoren.

Jo Haazen, De zingende toren, Antwerpen, 1979, p. 13: De Onze-Lieve-Vrouwetoren

De mystieke gotische toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen is misschien wel het mooiste en meest verfijnde bouwwerk in zijn soort uit de late middeleeuwen. Het is een merkwaardige kristallisatie van onzichtbare krachten, die zich veruiterlijken in een kantspel van doorluchtige details, in wezen steeds hogerop gedreven als door geheimzinnige vuren. Het is een dynamisch spel van ranke takken en bladeren die een kunstzinnige getuigenis afleggen van een hoog geestelijk streven van de toenmalige bouwmeesters. Over deze bouwmeesters, die hun plannen beroepshalve en misschien ook wijselijk verborgen hielden, is bijna niets bekend. Waarschijnlijk behoorden zij tot een gesloten kring van deskundigen of ingewijden die zich onderscheidde in de tempelbouw en wiens esoterische kennis meer dan legendarisch was. Daarvan getuigen de ontelbare geometrische figuren die als betekenisvolle symbolen in hun werk terug te vinden zijn. Hoe langer men de Onze-Lieve-Vrouwetoren bekijkt, hoe mooier hij wordt. Van zijn eerbiedwaardige verschijning gaat als het ware een edele aantrekkingskracht uit die alleen maar kan verklaard worden door zijn raakrechte opbouw, door zijn gesublimeerde hemelwaartse gerichtheid en door zijn onbeschrijflijke harmonische verhoudingen

CITATEN van reizigers, bewindslieden, kunstenaars, schrijvers…

Hoeveel bezoekers hebben niet de toren bewonderd, beschreven … en beklommen?

Keizer Karel
“Dit prachtgebouw is een koninkrijk waard.
Gij moest het zorgvuldig in een koker bewaren
en het slechts eens per jaar aan het volk tonen.”
Zo leest men in het relaas van Christoval de Andrade, de Portugese soldaat in Spaanse dienst.

H.G. Ernstiger, kanselarijschrijver te Linz (Oostenrijk), 1606: telt 625 treden.

Volgens de Russische estheet Skalkovski, 1898, “maakt alleen al de klokkentoren van de kathedraal de reis naar Antwerpen de moeite waard”.

De Franse jansenist J. Lemaître bewondert de kathedraal, speciaal de toren, die hij even mooi vindt als deze van Straatsburg.

Thomas Platter, een reiziger uit Duitsland, 1599
“… een gebouw van sneeuwwitte blokken zandsteen, zo hoog en zo sierlijk dat weinige in de Christenheid hem overtreffen.”

Godefridus Bouvaert, monnik van de Sint-Bernardusabdij te Hemiksem, 1723
“Antwerpen, wat er komt, wil dit juweel bewaeren. Wiens bouwen heeft geduert vier min als honderd jaeren. Laet vallen al dat wilt en agt het voor geen kwaad De stad zal zijn vermaerd, zolang den Toren staet.”

Napoleon oordeelde:
“De bouwmeester van dit prachtjuweel heeft voorzeker een Mechelse kant tot model genomen.” 

Prof. Lemaire, ca. 1955
… samen met de Sint-Romboutstoren te Mechelen is die van Antwerpen “het meesterstuk van de Brabantse architectuur en de hoogste uiting van de kunstzin van de Scheldestad.”

De OLV-toren vanop de Suikerrui

DE TOREN IN DE POEZIE

Godefridus BOUVAERT, 1723
Beschryvinge van den Toren van de Cathedrale Kerke binnen Antwerpen, Antwerpen, 1723; vaak vermeld als: ‘De stad zal zijn vermaerd, zoolang den toren staet’

Konst-rijke lieve stad, van duyzend’ uyt-verkoren!
In all’ dat ik bezit is zoo niet eenen Toren:
Die binnen Straetsborg(1) is, die is zo konstig niet,
‘Schoon hij omtrent zoo hoog, of weinig hooger schiet,

Daer zou Europa door al meer sijn van gesproken,
Waer ‘t dat dit konstjuweel was met een kas beloken;(2)
En dat van alle kant’ de toegeloope Liên
Maar eenen keer op ‘t Jaer den Toren konden zien.

En had ik geene vrees te maeken groote schulden,
Of was het in mijn macht ik liet hem ‘heel vergulden.(3)
En nog zou ‘t wijnig zijn, en ‘t goud te slechte stof,
De konst verdient al meer, en eyscht nog meerder lof.

Antwerpen, wat ‘er komt, wilt dit juweel bewaeren,
Wiens bouwen heeft geduert vier min als honderd jaeren(4)
Laet vallen al wat wilt en agt het voor geen kwaed,
De stad zal zijn vermaerd, zoolang den toren staet.

Konst-rijke lieve stad, van duyzend’ uyt-verkoren !
In all’ dat ik bezit is zoo niet eenen toren:
Die binnen de straettsborg is, die is zoo konsti niet,
‘schoon hij omtrent zoo hoog, of weinig hooger schiet,

daer zou Europa door al meer sijn van gesproken.
Waer ’t dat dit konst-juweel was met een kas beloken,
En dat van alle kant’ de toegeloppe Lien.
Maer eenen keer op ’t jaer den toren konden zien.

En had ik geene vrees te maeken groote schulden,
of was het in mijn macht ik liet hem heel vergulden.
En nog zou het te weinig zijn, en ’t goud te slechte stof,
de komst verdient al meer, en eyscht nog meeerder lof.

Antwerpen, wat er komt, wilt dit juweel bewaren,
wiens bouwen heeft geduert vier min als honder jaeren,
laet vallen al wat wilt en agt het voor geen kwaad,
de stad zal zijn vermaerd, zoolang den tooren staet.

(1)(Straatsburg)
(2)(stolp erover, cf. legende Keizer Karel V
(3)(geheel vergulden: cf. legende Keizer Karel V)
(4)(= 96 jaar: 1422-1518, niet: 1425 – 1521)

Doorluchte toren
Bron: Jozef VAN BRABANT, Rampspoed en restauratie, 1974, p. .

Doorluchte toren, dat uw hemelvaart,
Beethovense muziek ter spits gedreven,
uit zwaar geweld opbromt en in haar streven
naar hogen, fijner straal op stralen baart,

is ’t niet het kenmerk van den Vlaamsche aard:
ten grondslag breed, vol overdadig leven,
doch plots verfijend om naar ’t licht e zweven,
waarin de ziel in ruimten openklaart?

Zoo hebben veel geslachten u bewonderd,
geluisterd naar uw lied dat stormt en dondert
of klankenkralen regent uit uw brons.

O, Toren, heldenzanger, wij sinjoren,
wij meenen in uw stem ons hart te hooren,
dat juicht: ‘Wij zijn van u, gij zijt van ons !’

Karel VERTOMMEN, 1958
Gedicht ter gelegenheid van de ontmanteling van de stellingen n.a.v. de Wereldtentoonstelling Brussel, 1958; getoonzet door kanunnik G. STRIELS, kapelmeester van de kathedraal.

Toren,
nu gij zijt herboren,
van uw banden weer bevrijd,
laat uw jubelklokken horen
in de stad van de Sinjoren,
toren die ons hart verblijdt!

Toren,
laat uw boodschap horen,
onbewimpeld zij ’t vertoog:
“Mensenkind, gij werd verkoren
om tot ’t Godsrijk te behoren!”
Wijs de wereld naar omhoog.

Toren,
sierlijk als tevoren
rijst gij aan de Scheldevloed
blijf steeds naar de hemel boren,
met de stad van de Sinjoren
vroom en werkzaam aan uw voet !

Bert PELEMAN, Lof van Antwerpen, culturele hoofdstad van Europa, Antwerpen

Spot niet: “Antwerpen Vlaanderens vuilse stad!” Ga dankbaar op haar schoonheid prat. Stap tussen steen en kathedraal. Bewonder “Antwerpen-Centraal!”
Keer weer naar het Conscience-plein. Dweep mee met Rubens en Plantijn. Hef met Jordaens het Koningsglas! Geloof in het sinjorenras!
Groet Brabo midden een fontein. Weet goedgeluimd sinjoor te zijn. Staak uw verzuurd krakelen. Hoor fier de beiaard spelen!

Johan VAN CAUWENBERGE, Rijmen voor een reiziger in Antwerpen  Suburbia, Leuven 2003

De zon is een Antwerpse planeet. De aarde houdt op bij de Schelde. Cyclonen gaan liggen op de groenplaats. Van alle machtige steden die vallen, valt Antwerpen het laatst, tot op het laatst autochtoon.

Een dagje uit. De zoo en het zuid. Dampen van friet en worst. Het café deint als een kajuit. Het café sterft van de dorst. Psalmen, klinkgeluiden, een levenslied. Men kan het toosten niet laten op andermans verdriet.

De kathedraal staat klaar als een raket voor arduin vol gotische instrumenten, stalactieten, tinnen, nissen, vol heilige gebeurtenissen. Klaar? Tel af. Nu. In het azuur! Wij lezen in de schaduw van de kathedraal onze krant over ons aards lief en leed en eten de meest radioactieve kroket van de planeet.

De OLV-toren vanuit de Pelgrimstraat

DE TOREN IN DE MUZIEK 

Oh Lieve Vrouwe Toren (La Esterella) (Muziek & tekst: Jo Dante)

Als een wachter aan de Schelde staat gij in weer en wind
Heersend over stad en velden die de stroom tot één verbindt
Als een baken in de baren, blijft gij steeds het zinnebeeld
Dat vooruitgang en welvaren over Vlaanderen verdeelt

Refrein Oh Lieve Vrouwe Toren
  Hoog boven ’t Vlaamse land
  Wij zijn in uw schaduw geboren
  Zo hecht aan u verwant
  Nooit zullen wij vergeten
  De dapp’re gouden haan
  Voor u, lieve toren
  Zal steeds ons hart slaan
  Blijf daar voor eeuwig staan

Uit de stad van de sinjoren rijst gij op, zo slank van lijn
Laat uw bronzen klokken horen als ons daag’lijks liefst refrein
Veel geheimen moet gij borgen uit ’t verleden en van nu

Want uw kind’ren met hun zorgen wenden zich vol hoop tot u

Refrein

 

Oh Lieve Vrouwe Toren, single van La Esterella, van het album ‘Dank’, opname 1953 (3’39”)
Schrijver Jo Dante, muziek

Oh Lieve Vrouwe Toren is een Vlaams liedje van La Esterella uit 1953. Het lied is een ode aan de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, de stad waar de zangeres geboren en getogen was. Muziek en tekst van het lied zijn van Jo Dante, pseudoniem van de uit Nederland afkomstige pianist, dirigent en componist Johnny Steggerda.

In 1988 nam La Esterella een nieuwe versie van het nummer op met arrangementen van Theo Breuls. Deze versie verscheen op de LP Liedjes die ik steeds graag zong.[1]

In 2009 werd het lied opgenomen in de Eregalerij van het Vlaamse lied van Radio 2.