De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

De functionele onderdelen

De kerk- en stadsbeiaarden

Ter verantwoording

Het is niet omdat je als kok de roerlepel goed in de hand hebt, dat je het beste kookboek kan schrijven, of de geschiedenis van het ‘aan tafel gaan’. Maar als een kok kan koken, speuren en schrijven, dan wordt het een bestseller. Zo’n standaardwerk over de Antwerpse stadsbeiaard hebben we te danken aan voormalig beiaardier Jo Haazen, die doorheen de gedrevenheid waarmee hij ‘zijn’ arsenaal wist te beroeren, ons niet enkel vele aangename herinneringen maar ook een lovenswaardige monografie over Antwerpens beiaard heeft nagelaten: Rond de zingende toren, Antwerpen, 1979, waar we dan ook graag – citerend – gebruik van maken. Verder hebben we geput uit de programmaboekjes van de zomerse beiaardconcerten en talloze artikelen in gespecialiseerde magazines en dagdagelijkse kranten.

Inleiding

Zonder de Onze-Lieve-Vrouwetoren, geen vrolijke beiaardklanken in Antwerpen. De geschiedenis van het beiaardspel hangt dan ook nauw samen met de geschiedenis van de toren. Want de bron van zijn klanken behoeft nu eenmaal torenhoog, ja hemelhoog te zijn – bijgevolg eertijds verheven boven de drukte en de rust van het samen leven in de huizen, in de straten en op de marktpleinen. De beiaardier strooide zijn klanken kwistig in het rond en iedereen kon delen in het wel en wee dat door hem werd bezongen” (Jo Haazen, p. 25). Gedurende een groot deel van dat gezamenlijk verleden met de toren was de beiaard de muzikale “alleenheerser” in de stad. Nog steeds dartelen zijn noten elk huis in via de open ramen, vullen de pleinen en ketsen af op de daken om de stad te hullen in een zorgeloze melodie. Maar in tijden van niet-gemotoriseerd verkeer kon je die beiaardklanken als het ware inhaleren mét de zuurstof die men in- en uitademde. Aanvankelijk waren enkel menselijke geluiden als schreien en schreeuwen, dierlijk gekakel, geknor, geblaf, knetterend vuur en mokerslagen, de mechanische geluiden van waterpompen en weefgetouwen stoorzender. Echt muzikale concurrentie was te vinden in het neuriën en het zingen, en het gekwetter van de luistervink in het kooitje boven de keukentafel. Nu zijn de bronzen klok-klanken enkel detecteerbaar in een mengsel van brommende en ronkende decibels, zo ze tenminste de geluidsmuur van storende straatgeluiden en isolerende oortjes van ipods weten te doorbreken.

Geschiedenis van het beiaardspel

Het gebruik om op de kerktorens de uurslag te laten voorafgaan door enkele klokketonen (‘voorslagen’), zette al van in de 14de eeuw aan tot extra melodietjes ter opvrolijking van de aardse toegemeten tijd, wat leidde tot uitbreiding van het aantal klokken.

Reeds in 1415 is er in Antwerpen sprake van twee “beyeraers”. Alleen betekende dit ‘beieren’ tot ver in de 15de eeuw op een vrij primitieve wijze met handen en voeten aan allerhande kabels trekken en mogelijk met hamers op de klokken slaan.

In 1478 laat Antwerpen in de kronieken van zich horen met de uitdrukkelijke vermelding van klokkenspel. Een norbertijn van de Sint-Michielsabdij maakt melding van gebeier anno 1478 (1479 volgens de andere stijl), waarschijnlijk op de vooravond van 2 februari, feest van O.-L.-Vrouw-Lichtmis, naar aanleiding van de stichting van de Gilde van Onze-Lieve-Vrouw-Lof en de inhuldiging van haar kapel:

“Anno 1478, den 1 februarij, op eenen Vrijdagh, is tot Antwerpen in de nieuwe kapelle van Onze Lieve Vrouwe in de voors. kercke aldereerst begonst te singen Onze Lieve Vrouwenlof ende op de orgelen te spelen, oock met de clocken aldereerst te spelen oft te bijarden…”

Vermits de nieuwe klokkenkamer van de gotische noordertoren dan waarschijnlijk nog net niet voltooid is, is de kans zeer reëel dat deze melding betrekking heeft op de oude (deels? gotische?) klokkentoren van de Romaanse kerk, op dat moment gelegen vlak achter het gloednieuwe Mariakoor op het einde van de uiterste noordbeuk; d.i. in de buurt van de huidige noorderdwarsbeuk.

Toevallig komt in datzelfde jaar 1478 ook Duinkerken in het nieuws met erg geapprecieerde klokkenmuziek: “alle maniere van ghestelde liedekins, ende alle hymnen, ende sequencien, Kyrieleyson, ende alle kerckelicke sanghen. Twelcke men daer te voren noeyt ghehoort en hadden, ende was een grote nyeuwigheyt, ter eeren van Gode”. De beiaardier is er met name gekend: Jan van Bevere (Jo Haazen, p. 45).

Maar noch over het klokkenspel in Duinkerken, noch over dat van Antwerpen is het geweten op welke manier precies deze geactiveerd werden: door middel van losse hamers, door te trekken aan klepels of door een primitief stokkenklavier. Alleen moeten we toegeven dat de vermelding in Antwerpen nog veel ruimte tot speculatie over laat over het geboden programma en kwaliteit, terwijl in Duinkerken het niveau van de gevarieerde klokkenmuziek zonder meer hoogstaand en lovenswaardig is en wat wel eens de kans vergroot dat daar het gebruik van een klavier voor iets tussen zit. Het zal de befaamde Antwerpse stadsbeiaardier Jo Haazen (1979, p. 46) niet weerhouden om te poneren dat “beide steden kunnen dan ook beschouwd worden als de bakermat van de beiaardcultuur”.

Tegen 1480 geraakt de vierde torengeleding van de noordertoren voltooid, waarmee hij voorgoed uitsteekt boven zijn ‘kleine broer’, de zuidertoren. De galmgaten van die vierde geleding geven de klokkenkamer aan, waar allereerst de luidklokken in huizen. Eens de nieuwe gotische klokkentoren voltooid, kan men vanaf 1482 beginnen met de sloop van het laatste restant van de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk: de oude (deels? gotische?) noordertoren, tot dan toe het belfort van Antwerpen (in de buurt van de huidige noorderdwarsbeuk). Als vanzelfsprekend worden eerst de luiklokken overgebracht naar de nieuwe klokkenkamer van de gotische noordertoren. Tot die kerkklokken horen o.m. het onafscheidelijk duo Gabriel en Maria (beide uit 1459; → Klokken). Ook de stadsklokken, waaronder de alarmklok Orida (1316; → Klokken), verhuizen vermits de noordertoren al van meet af aan als belfort voorbestemd was en dus nu die functie van de oude toren van de Romaanse kerk overneemt. Op het einde van de 15de eeuw hangen er in de nieuwe klokkenkamer 12 tot 15 luiklokken. De nieuwe ruime klokkenkamer van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk beschikt ca. 1480 over voldoende speelruimte om er nog een reeks klokken in onder te brengen waarmee men ook kon “beyaerden”. Antwerpen zou weldra nieuwe roem en faam verwerven door de muzikaliteit en helderheid van zijn beiaard.

Een rijmkroniek die 1482 als jaartal opgeeft, gaat nu in op de speeltechniek,
“… En in tselve jaer begonst men te spelen op de clocken
t’Antwerpen aldaer doende trecken die seel met stocken”.

Deze specifieke vermelding geeft aan dat het althans voor Antwerpen om een nieuwigheid gaat, nl. met behulp van stokken aan touwen trekken die aan het andere uiteinde verbonden zijn aan een klepel die dan tegen de klokkenwand wordt aangetrokken.

“Wellicht is dit de oudste vermelding van een beiaardklavier, hoe primitief ook”, aldus Jo Haazen (1979, p. 46), en, zo gaat de befaamde Antwerpse stadsbeiaardier verder: “Het jaar 1481 wordt in de muziekgeschiedenis dan ook beschouwd als het geboortejaar van de beiaardkunst” (Jo Haazen, p. 77).

Ook al zijn de kronijken niet eenduidig over het exacte aanvangsjaar, het is in de jaren 1480-1482 dat in Antwerpen voor het eerst van heus klokkenspel sprake is. Zo leest men anno 1481 “Dit jaer begost men t’Antwerpen op de clock te speelen alderhande liekens en choorsanck; het was eenen sot van Aelst die dat eerst begost, die men daertoe huerde”. Een andere bron situeert dit dan weer een jaar vroeger, 1480: ‘het beyaerden men tantwerpen eerst vernam – dwelck door eenen sot van aelst eerst op quam’. Wie precies deze ‘zot van Aelst’ was, is tot nu toe niet achterhaald.

Deze oudste beiaard van Antwerpen hoorde niet tot de stad, maar tot de kerk, meer bepaald het Onze-Lieve-Vrouwekapittel. De eerste kerkbeiaardier in vaste dienst, vermoedelijk een monnik, genaamd Eliseus, waar evenmin veel over geweten is.

Tot vandaag blijven onze contreien bekend om de kwaliteit van hun beiaards en hun beiaardiers, en we zouden dan ook terecht Vlaanderen kunnen aanmerken als het geboorteland van de carillon-traditie.

Lang nadat de torenachthoek in 1507 is voltooid, gaat ook de stad daar haar eigen beiaard met aparte klavierkamer installeren. Sindsdien spreekt men van de kerk- of kapittelbeiaad én van de stadbeiaard, een onderscheid dat pas uitsterft einde 19de eeuw nadat de kerkbeiaard voor het laatst in 1889 weerklinkt.

Wanneer iIn 1540 besloten wordt om een stadsbeiaardier aan te stellen, ontstaat ook de traditie om het ambt van kerkbeiaardier en stadsbeiaardier te versmelten in een zelfde persoon. De eerste die zo benoemd wordt dat jaar, is Samson van Solbrecht, die het dubbel ambt bekleedt tot 1560. Een honderd jaar later zal deze dubbele rol nochtans voor zware juridische problemen zorgen: het kapittel, de Kerkfabriek en de stad zullen verwikkeld geraken in een procedureslag voor de Raad van Brabant die maar liefst 5 jaar zou aanslepen, met als inzet wie van de partijen het recht bezit om de stadsbeiaardier en de kerkbeiaardier te benoemen.

Gelukkig verloopt het merendeel van de beiaardgeschiedenis zonder al te veel strubbelingen. De beiaardiers volgen elkaar in traag tempo op, daar de meeste onder hen het ambt verschillende decennia zullen uitoefenen, waarbij ze soms uitgroeien tot personaliteiten van de stad, die, ook al zitten ze voornamelijk hoog in hun toren onttrokken aan het oog, toch zichtbare, bekende burgers worden.

Hoe uniek of wonderlijk het mag heten dat de beiaarden op de Onze-Lieve-Vrouwetoren door het Frans Revolutionair Bewind gespaard zijn gebleven, dient nog onderzocht te worden. De overige Antwerpse beiaarden van de Sint-Michielsabdij en van de Sint-Jacobskerk werden immers in de jaren 1797-’79 radicaal definitief het zwijgen opgelegd: ze werden verbrijzeld.

Voor de heringebruikneming van de voormalige kathedraal als kerk in 1802 had de kerkfabriek wel eerst een en ander te herstellen, te beginnen met de kerkvloer en het altaar, en de klokken. Ter gelegenheid van het bezoek van de aartsbisschop van Mechelen in 1802 speelden ze voor het eerst terug.

In de 19de eeuw geraakt de kerkbeiaard in onbruik en ook al functioneert dan een van beide niet meer, met de beide klokkenspelen telt de Onze-Lieve-Vrouwetoren in 1912 liefst een totaal van 87 klokken: een unicum! Na Wereldoorlog II worden haast alle klokken van de kerkbeiaard uitgeleend aan de herstelde Sint-Catharinakerk van Hoogstraten.

De kerk- of kapittelbeiaard

De kerk- of kapittelbeiaard, was de oudste beiaard, die voor de laatste maal weerklonk in 1889. Ze bestond toen uit 40 klokken, die in de grote toren waren geplaatst in de vierde torenkamer, waar nu enkel de zware luidklokken hangen. Deze kamer is te bereiken na 274 trappen. Deze kerkbeiaard was de laagste beiaard – pas een 200-tal treden hoger vindt men de stadsbeiaard.

De kerkbeiaard wordt in het Ancien Régime gebruikt bij alle diensten van de kerk: missen en getijden op het hoogkoor, loven en andere kerkdiensten, jaargetijden voor bisschoppen, kanunniken, enz. Voor hun eigen diensten moeten de broederschappen, ambachten en gilden, alsook particulieren bv. bij een uitvaart, een aparte overeenkomst maken met de beiaardier, die daarvoor een afzonderlijke vergoeding in rekening brengt.

De geschiedenis van de kerkbeiaard

In de 15de en de 16de eeuw krijgt de kerkbeiaard er o.m. enkele huidige luiklokken bij: Maria (1459), Karolus (1507) en Thomas (1563; in de 18de eeuw herdoopt tot Henricus) (inv. 1996: nrs. 736-738).

Midden 17de eeuw krijgt de kerkbeiaard, hierin op de voet gevolgd door de stadsbeiaard, een nieuwe samenstelling.

Een eerste contract met Jan Cauthals in 1637 voor 22 klokken loopt op een sisser uit: de ene helft ervan blijkt niet te voldoen en worden naar zijn weduwe teruggestuurd, de andere helft voldoet evenmin. ‘Om den beyaert te redresseren ende te brengen op goede ende musicaelen thoon’, volgt dan een contract met de gieterij Hemony. Van de 32 klokken die in 1654-’55 geleverd werden, zijn de negen laatste in Antwerpen gegoten. Door de integratie van enkele oudere klokken omvat de Hemonybeiaard in totaal 37 klokken. in 1767 worden er bij klokkengieter Joris du Mery nog drie bijbesteld, waardoor de kerkbeiaard voorgoed 40 klokken telt.

Tijdens het Frans Revolutionair Bewind geraakt de kerkbeiaard langzaam in verval, doordat ze haast niet meer wordt gebruikt, en ook niet onderhouden wordt. Deels valt dit te verklaren door de harde klappen die de Kerk gekregen had op zowel financieel als organisatorisch vlak. Daarenboven dacht het kerkbestuur er in die beroerde ‘Besloten Tijd’ (1797-1799) er goed aan te doen om niet al te zeer op te vallen en de klokken stil te leggen, om hen het lot te besparen van de klokken in andere parochies die waren verbrijzeld door antiklerikale oproerkraaiers.

Na het Frans Revolutionair Bewind weerklinkt de kerkbeiaard weer, maar haar volle glorie is reeds weggeëbd en geraakt langzaam in onbruik. In 1877 valt het doek over haar, maar wordt nog eenmalig in 1889 opgetild voor een laatste acte de résonance.

De 40 klokken blijven ter plaatse present.

In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog gaan er daar tot 1925 9 van verloren: “uitgeleend aan behoeftige parochies” (aldus Jo Haazen, 1979, p. 54, maar dan zeker geen “tientallen”). Zo hangen er in 1925 nog 31 van de 40 op hun plaats.

In 1930 worden de 23 kleinere beiaardklokken uit de toren gehaald en op de binnenkoer opgesteld, maar waarbij er één per ongeluk gebroken werd.

Nog enkel 8 luiklokken van de kerkbeiaard blijven in de klokkenkamer hangen. Het oude klavier wordt toevertrouwd aan het Museum Vleeshuis.

In 1943 moeten de kerken over het ganse bezet gebied de meeste van hun klokken inleveren als kanonnenspijs voor de oorlogsmachine van de nazi’s. De kathedraal ontsnapt echter aan deze draconische maatregel, wat haar een jaar later reeds, na de oorlog, op 1 oktober 1944, toelaat om de klokken van de kapittelbeiaard in bruikleen te geven aan kerken die niet meer over klokken beschikken. Op 7 juli 1946 leent men voor een termijn van 10 jaar klokken uit aan dertien kerken in Antwerpen en omgeving.

Eens alle 22 klokken netjes zijn teruggekeerd, beslist men ze in 1957 in bruikleen te geven aan de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten. Bijkomend worden hier nog 2 klokken van de kapittelbeiaard uit de O.-L.-Vrouwetoren voor neergehaald: de nrs. (27) en (28). Gedynamiteerd bij de aftocht van de nazi’s in 1944, nadert de wederopbouw van de 105 m hoge bakstenen toren van Hoogstraten dan zijn voltooiing, maar bij gebrek aan beiaardklokken staat hij er haast stemloos bij. Spectaculair vertrokken voor en weergekeerd na een grondig nazicht in een atelier op de begane grond, laten de beiaardklokken uit de Antwerpse kathedraal sinds 2018 graag terug van zich horen vanuit de bakstenen kathedraaltoren van de Noorderkempen.

Resultaat: van de Antwerpse kapittelbeiaard bleven nog enkel 3 Hemonyklokken (inv. 739-741) ter plaatse in de vierde torenkamer. Maar ondertussen zijn ook die verdwenen.

Nu zijn nog aanwezig: de 3 luiklokken Maria, Karolus en Thomas (respectieve nrs. 736-738), de luiklok nr. 739 (do), en de grote en de kleine lofklok (respectieve nrs. 740 en 741), en de twee dankklokken die Hoogstraten geschonken heeft bij wijze van dank voor de bruikleen van pakweg de hele kerkbeiaard; wat een totaal geeft van 8 klokken.

De stadsbeiaard

De geschiedenis van de stadsbeiaard

Pas wanneer rond 1503 de toren met zijn achthoek de hoogte van 90 meter bereikt, krijgt de stadsbeiaard vorm. In de tweede geleding ervan worden de eerste 5 diatonische klokken geplaatst. Vanaf dan beschikt de noordertoren over zowel een stads- als een kerkbeiaard.

Dit geheel van klokken wordt in 1538 aangesloten op het nieuwe uurwerk, en zo klinkt voor het eerst de automatische beiaard over de stad op 7 maart 1540. In dat jaar, waarschijnlijk nog net daarvoor, heeft men de beiaard aangevuld met 12 nieuwe klokken, gegoten door Cornelis Waghevens. Zij vervangen 10 klokken van de oude voorslag die men in 1541 afstaat aan de naburige jonge parochie van Sint-Andries, waarvan de oprichting samen met de kerkwijding plaats vond in 1529.

Tegelijkertijd wordt in 1540 Samson Van Solbrecht aangesteld als eerste stadsbeiaardier, een functie die hij zal combineren met die van kerkbeiaardier, dat hij reeds uitoefende. Daar ontstaat ook meteen de traditie om in Antwerpen de twee functies te laten vervullen door dezelfde beiaardier – wellicht ook ingegeven door praktische overwegingen.

Tijdens het Calvinistisch stadsbestuur in de jaren 1579-1585 worden alle aangeslagen eigendommen van de Katholieke Kerk beheerd door de Kamer der Geestelijke Goederen. Bijgevolg ressorteert ook het kerkbeiaardierschap van de O.-L.-Vrouwekerk nu onder haar bevoegdheid. De invloed van het calvinisme reikt echter ook tot op het klavier van de stadsbeiaard want in 1580 krijgt beiaardier Jacques Rieulin van het schepencollege richtlijnen i.v.m. het repertoire: “onbehoorlycke oft onstichtelyke balladen, (profane) liedekens oft dichten” worden niet langer toegelaten (Jo Haazen, p.77). De kans blijft anders bestaan dat sommige van deze melodieën minder stichtende teksten oproept. Voortaan mag de Antwerpenaar enkel nog door geestelijke liederen (‘motetten’) worden opgevrolijkt.

Bij het katholiek herstel in 1585 worden deze streng calvinistische ordonnanties te niet gedaan en klinken er voortaan terug vrolijke melodietjes op de stadsbeiaard.

Uiteindelijk zal de beiaard 33 klokken tellen, zoals Marinus Mersennus in zijn publicatie van 1635 vertelt: “Heel dat kunstwerk bestaat uit 33 klokken die niet alleen verschillen in grootte en klank maar ook elk hun eigen draden en hamers hebben. Die worden door de draden op verschillende manieren in beweging gebracht en zo wordt er telkens een ander klankgeheel weergegeven”. (Jo Haazen, 1979, p. 62)

Net zoals de kerkbeiaard kent ook het project voor een nieuwe stadsbeiaard midden 17de eeuw een ongelukkige start. Omdat Florent de le Court uit Douai zijn opdracht van 20 juni 1651 voor het gieten van 32 klokken, niet kan nakomen, wordt twee jaar later deze overeenkomst opgezegd en geeft men deze opdracht een jaar later, op 17 november 1654, aan Frans Hemony. De 25 kleinste klokken worden amper een half jaar later opgehangen maar al gauw blijken de oude klokken muzikaal moeilijk te integreren in de nieuwe reeks. Daarop besluit men 4 zware klokken bij te bestellen, waardoor het totaal in 1658 op 37 klokken komt met de klok Gabriel als basis van de gehele stadsbeiaard.

Voor deze laatste vier worden de ‘poortklok’ en de ‘diefklok’ als klokspijs ingeleverd. De eerste 32 klokken komen uit de gieterij van de befaamde gebroeders Frans en Pieter Hemony, de 4 grote uit 1658 kennen enkel Frans Hemony als klokkengieter.

In 1751 wordt ook de hele klokstoel vernieuwd, terwijl de de beiaard nog eens wordt uitgebreid met 3 klokjes van de Brugse klokkengieter Joris du Mery (bewaard in het Museum Vleeshuis).

Zolang de kerkbeiaard tot einde 19de eeuw functioneert wordt de stadsbeiaard ook nog ‘de hoogste beiaard’ genoemd.

Pas in 1912 volgt nog eens een uitbreiding, met 7 klokjes door Felix Van Aarschot uit Leuven. Zo bereikte de beiaard zijn huidige omvang van 47 klokken over vier octaven.

In de jaren 1950 en 1970 worden de meeste klokjes gerestaureerd of vervangen, toch telt de stadsbeiaard vandaag nog evenveel klokken die dezelfde heldere en muzikale klant voortbrengen.

In 1971-1972 volgt een intensieve restauratie in de klokkengieterij Eysbouts te Asten.

Beschrijving van de stadsbeiaard

De stadsbeiaard is te bereiken na 446 trappen, en is gehuisvest in de zesde torenkamer. Dat maakt het er voor de beiaardiers uiteraard niet gemakkelijker op: zij dienden vooral op te passen dat ze niet vallen of uitglijden, en vermoed wordt dat Samson Van Solbrecht, de eerste beiaardier, zo aan zijn einde is gekomen.

Een tweede naam die de beiaard draagt, en hoe ze vroeger in de volksmond werd genoemd, was de ‘kermisbeiaard’: omdat ze inderdaad diende om de feestelijkheden van de stad muzikaal op te luisteren. Zo was het de bedoeling dat de beiaardier Blijde Inkomsten, processies, triomfen, kermissen en jaarmarkten opvrolijkte met allerhande deuntjes. Ook was het de bedoeling dat de stadsbeiaardier de missen opgedragen ter intentie van de stad extra luister bijzette. Daarbovenop behoorde het onderhoud van de beiaard zelf nog tot het takenpakket, alsmede het ‘steken’ van de muziek in de trommel die de automatische beiaard liet afspelen via het uurwerkmechanisme. Dit was een traditie die tot voor de 19de eeuw elke maand werd hernieuwd.

Vanaf 1930 geraakt dit echter in onbruik, en 40 jaar lang hoort men bijna dezelfde en bijna onherkenbare wijsjes, doordat de stiften in de panelen bijna allemaal waren gebroken. Pas met de restauratie van de toren in de jaren 1970 wordt de trommel opnieuw in gebruik genomen. Sindsdien wordt het versteken elk seizoen uitgevoerd, en geniet de stad telkens van een nieuwe, heldere melodie.

Een andere traditie die tot op vandaag voortduurt is het wekelijkse beiaardconcert op vrijdag van 11 uur tot 12 uur ’s middags, d.i. tijdens de Vrijdagse Markt (op het plein de Vrijdagmarkt). Dit gebruik ontstaat bij de benoeming van Franchois DE WEVER in 1687 tot stadsbeiaardier, waarbij de stad stipuleert dat deze verplichting op vrijdag vanaf nu ook tot zijn takenpakket behoort.

Mede dankzij zovele kooplieden en reizigers die de handelsmetropool in de ‘gouden’ 16de eeuw aandoen, verspreidt de faam van de Antwerpse stadsbeiaard zich al snel omwille van haar uitzonderlijke muzikaliteit en toonkwaliteit.

Een van de oudste en boeiendste verslagen van een bezoek aan de toren en zijn stadsbeiaard is dat van Thomas Platter, uit Duitsland op het einde van de 16de eeuw. Hij gaf daarover volgende indrukken weer.

“… De hoofdkerk te Antwerpen heet Onze-Lieve-Vrouwekerk (templum S. Mariae). Zij is groot, zeer sierlijk en goed gebouwd. Daar las ik het grafschrift van de wijdberoemde meesterdrukker Christoffel Plantin. Bovendien aanschouwde ik ook een buitengewoon weelderige kapel van een voortreffelijk ridder. Tevens toonde men mij de kapel van de besnijdenis, waarvan beweerd wordt dat zij de voorhuid van Onzen Heer en Heiland bewaart. Daarna besteeg ik de klokketoren tot in zijn hoogste top, gebouwd met sneeuwwitte blokken zandsteen, zo hoog en zo sierlijk dat weinige in de Christenheid hem overtreffen. Hij is meer dan 465 voet hoog en er hangen drieëndertig grote klokken. In deze toren zag ik voor het eerst hoe men het sierlijke klokkenspel in de Nederlandse steden bespeelt. Men heeft daarboven in de klokketoren ongeveer dertig klokken van verschillende tonen die elkaar opvolgen. Er zijn drie of meer octaven. Van dezelfde klokken leiden ijzeren draden tot in het klokkehuis, dat zich ongeveer midden in de toren, naast het slaguurwerk bevindt. De draden zijn aan toetsen (claves) bevestigd die men, zoals bij het register van een orgel deels met de handen kan drukken en deels met de voeten kan treden. Op die toetsen kan iemand een dans, een lied, een gezang, of wat dan ook, ten gehore brengen. De speler moet zich echter sterk inspannen en ik heb gezien hoe hem het zweet daarbij uitbreekt. Wat op die klokken gespeeld wordt, klinkt als een orgel boven de gehele stad, bescheiden maar duidelijk. En zo luiden zij elke middag, of zelfs vaker, hun schoon gezang en als ik er zelf eens een wijsje uitsloeg, dan brak ook mij het zweet uit. Ze hebben hier ook een klein instrument of spel waarop ze kunnen leren of oefenen. De klokken zijn gemaakt uit aarde en voorzien van houten klepels. Hierop kan men het stuk vooraf proberen, want ook deze aarden klokken verschillen één toon van elkaar, zodat men de octaven en alle andere unisonos en dissonos, net zoals op een clavichord of orgel kan vinden. Er worden nog vele andere klokken en raderen in beweging gebracht. Elk kwartier, elk half uur en vol uur, klinken schonen liefelijke klanken uit zichzelf, zoals bij het munster van Straatsburg en het lijkt wel alsof de figuren van het kostelijk beeldsnijwerk dat hier bij hoort zelf het gezang teweegbrengen dat door de klokken met een uurwerk wordt veroorzaakt. Dit staat vast: ik heb in mijn leven nimmer zo liefelijk horen luiden als in de voorname Nederlandse steden. ‘k Geloof ook niet dat men het hun ergens in de Christenheid nadoet met dat gelui zoals ik het op bovenvermelde manier heb beschreven.”

Jo Haazen commentarieert: “Deze tekst is bijzonder interessant omdat hij ons vertelt wat er in de 16de eeuw zoal in de toren te zien was, nog geen 80 jaar na zijn voltooiing dus. Platter vermeldt ongeveer 30 grote klokken van verschillende tonen. Ongetwijfeld heeft hij het hier over de stadsbeiaard, aangezien het klavier zich “in het klokkehuis naast het slaguurwerk bevindt.” Deze beiaard bestond in het begin van de 17de eeuw inderdaad uit een 30-tal klokken. Platter heeft voorzeker beiaardier Jean Rieulin aan het werk gezien die ‘ beyeraar ‘ was van 1585 tot 1629 en het is boeiend te vernemen, hoe Rieulin zich zodanig moest inspannen “dat het zweet daarbij uitbreekt”, wat ook vandaag nog heel gewoon is voor een beiaardier die met vuisten en voeten op houten stoktoetsen en pedalen beukt. In deze beschrijving treffen wij ook de oudste vermelding aan van een oefenklavier. “… Een klein instrument of spel waarop ze kunnen leren of oefenen met klokken uit aarde, voorzien van houten klepels…” Een soort klokkenspel uit aardewerk dus.

Ook het automatisch spel of de ‘rammel’ komt aan bod. Platter spreekt in dit verband over “vele raderen” en over “figuren uit kostelijk beeldsnijwerk”. Van deze figuren is heden geen spoor meer te bespeuren, evenmin als van de oefenbeiaard en het uurwerkmechanisme dat dateerde uit 1541 en dat in 1786 werd vervangen door een gloednieuw tuig van Pieter Van Hoof. Dit laatste, een indrukwekkend mechanisme, is nog steeds in gebruik, hoewel de raderwerken niet meer in verbinding staan met de grote wijzers van het torenuurwerk, die momenteel elektrisch worden aangedreven. Toch wordt het nog elke dag met de hand opgewonden door een van de torenwachters, omdat het nog blijft dienen voor de automatische beiaard of “wekkering”, alsook voor de uurslag en de halfuurslag. Deze “wekkering” bestaat uit een grote metalen cilinder. Hij bevindt zich in een frame met gotische profielen uit de 16de eeuw, afkomstig van de oude horlogie.

Deze cilinder of trommel is voorzien van 8.160 gaatjes, waarin de beiaardier te gepasten tijde de nodige stiften steekt; vandaar het werkwoord ‘versteken’. Als het geheel begint te draaien, drukken de stiften hefbomen omhoog, die op hun beurt hamers in beweging brengen om de klokken te laten klinken. Bij een versteek komt heel wat programmatie kijken. Vooreerst moet de beiaardier een melodie harmoniseren, de ritmen becijferen en een juiste trommelverdeling maken. Hierna worden de oude stiften verwijderd en gesorteerd en wordt alles grondig gereinigd. Dan zet de beiaardier zich voor de trommel, terwijl de twee torenwachters erin kruipen om alles vast te schroeven. Het ganse werk neemt één tot twee weken in beslag. Voor de 19de eeuw werd de wekkering van de Onze-Lieve-Vrouwetoren 12 maal verstoken. Later slechts achtmaal. Sinds 1930 werd aan deze traditie haast geen waarde meer gehecht. Zo hoorde men gedurende meer dan 40 jaar steeds dezelfde wijsjes, die op het einde quasi onherkenbaar geworden waren wegens vele afgebroken en verdwenen stiften, alsmede door de slechte toestand waarin de beiaard zich bevond. Sedert zijn restauratie in 1972-‘73 werd het automatische klokkenspel terug in gebruik genomen. Het wordt nu viermaal per jaar verstoken, in de lente, de zomer, de herfst en de winter, een eervol herstelde traditie, die aan de stad een bijzondere kleur en charme geeft. (Jo HAAZEN, Rond de zingende toren, Antw., 1979, p. 33,-35,37)

In 1608 schrijft Hyronymus Magius te Hannover over de Antwerpse stadsbeiaard in zijn De tintinnabulis: “Iedereen weet dat er op de kerk van de Heilige Maria, de koningin der hemelen, een toren geplaatst is van een verbijsterende hoogte en uit witte marmer… Daar heeft bijna dagelijks een uitstekend muzikaal samenspel van klokken plaats, met zo een kunst en harmonie, dat je geen klokken maar een orgel schijnt te horen. Buiten staat iedereen in bewondering.”