De Onze-Lieve-Vrouwetoren van Antwerpen

De functionele onderdelen

Beiaardiers en beiaardmuziek

De beiaardiers van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwetoren

De Sot van Aelst, de eerste, anonieme bespeler van de beiaard

Te Antwerpen is al in 1417 sprake van met klokken beieren, maar in 1481 wordt er voor het eerst melding gemaakt van iemand die, weliswaar niet afkomstig van Antwerpen, iets op de klokken speelt.In een kroniek van 1481 leest men: “Dit jaer begost men t’Antwerpen op de clock te speelen alderhande liekens en choorsanck; het was eenen sot van Aelst die dat eerst begost, die men daertoe huerde.” De vraag is of men met deze ‘zot van Aalst’ eigenlijk Eliseus bedoelt, de eerste officiële beiaardier die nog net voor het einde van 1481 wordt benoemd.

1481 – X: ELISEUS (? -?)

Volgens de overlevering is Eliseus, vermoedelijk een monnik, de eerste aangestelde kerkbeiaardier (er is dan nog geen stadsbeiaard: zo ver reikt de toren nog niet). aangesteld op 30 december 1481.

1540 – 1560: Samson VAN SOLBRECHT (? – 1560)

Van Solbrecht is reeds kerkbeiaardier wanneer hij in 1540 ook aangesteld wordt als de allereerste stadsbeiaardier: dit valt uiteraard samen met de inhuldiging van de stadsbeiaard. Oorspronkelijk afkomstig uit Valenciennes, verkrijgt hij pas bij deze benoeming op 25 februari 1540 het poorterschap van Antwerpen. Het is opvallend dat de functie van kerkbeiaardier op zich niet de vereiste van Antwerps poorterschap inhoudt. Gedurende twintig jaar kwijt hij zich aan zijn taak, totdat hij door aan de gevolgen van een val overlijdt. Vermoed wordt dat hij ten val kwam op de torentrappen.

1560 – 1560: Franchoys LOERENS (? -?)

Deze man neemt gedurende vier maanden de dienst waar als stadsbeiaardier na het overlijden van Van Solbrecht. Het is niet geweten of hij zich uiteindelijk kandidaat stelt voor het ambt: we vinden hem alleszins niet terug bij de wedstrijdkandidaten (infra).

1560 – 1585: Jacques RIEULIN (? -1585)

Hij is afkomstig uit Ath in Henegouwen. Na een wedstrijd met twee andere kandidaten (een uit Doornik, de andere uit Delft) wordt hij op 1560 door de kerkmeesters en de thesaurier benoemd. Het is tijdens zijn ambtstermijn dat het stadsbestuur in handen komt van de Calvinisten. En zij zijn allesbehalve opgezet met de vrolijke deuntjes die hij vanuit de hoogte over heel de stad afspeelt. In 1580 wordt hij dan ook door het Calvinistisch schepencollege op de vingers getikt en hem wordt opgedragen vanaf dan enkel nog psalmen, geestelijke, of stichtende liederen en lofzangen te spelen.

1585 – 1631: Jan RIEULIN (+ 1631)

Als zoon van Jacques Rieulin wordt hij in Antwerpen geboren, en is dus van rechtswege poorter. Hij wordt door het schepencollege benoemd als opvolger van zijn vader zonder dat er een wedstrijd werd gehouden, daar hij zijn bekwaamheid kan bewijzen. Zijn aanstelling valt samen met de terugkeer van het katholieke stadsbestuur, waardoor terug vrolijkere muziekstukken toegestaan worden. Het is zeer waarschijnlijk dat Jan zijn vader al regelmatig op de beiaard verving. In de archieven van de stad is de volgende anekdote bewaard: blijkbaar kan Jan Rieulin het niet zo vinden met een buur, kapitein van de burgerwacht in zijn kwartier. Deze kapitein belast Jan met de nachtronde, iets dat hij onmogelijk kan uitvoeren door zijn ambt, daar hij soms al zeer vroeg in de toren dient te zijn. Gelukkig krijgt hij van de stad ontheffing van deze plicht. In 1590 richt hij een nieuw verzoek aan het bestuur, deze keer om een loonsverhoging toe te staan: de prijzen zijn zo gestegen dat hij niet meer rondkomt met zijn beiaardsloon. Ook dit wordt hem gelukkig toegekend.

1631 – 1636 (betwist)/1636 – 1686: Hubert CRAMA (+1686)

Op zijn sterfbed draagt Jan Rieuilin zijn enige leerling Hubert Crama voor als waardig opvolger. Het kapittel van de kathedraal komt de dag erna in spoedzitting bijeen, en besluit daarbij zonder overleg met de stad het advies van de overledene te volgen, met de benoeming van Crama tot beiaardier. Het wordt het begin van een jarenlange procedureslag voor de Raad van Brabant.

Uiteindelijk wordt een compromis gevonden, en verzoekt Hubert Crama aan de stad hem te bevestigen in zijn rol van stadsbeiaardier. Daardoor wordt de benoemingsbevoegdheid van de stad erkend, en blijft de keuze van het kapittel behouden. Op 1 december 1636 legt hij dan uiteindelijk de eed af. De stad betaalt zijn achterstallig loon uit voor de periode 1631-1636. Crama zal een lange loopbaan tegemoet gaan. Het poorterschap van de stad werd aan deze man uit Montignies hem toegekend op 26 oktober 1635. In zijn uitzonderlijk lange loopbaan maakt hij de vernieuwing mee van zowel de stads- als de kerkbeiaard door de gebroeders Hemony.

1687 – 1719: Francois DE WEVER (? – 1719)

Afkomstig uit Sint-Niklaas, waar hij reeds beiaardier is, van 1653 tot 1672. Verwerft pas in 1693 het Antwerps poorterschap. Hij krijgt de benoeming eerder bij toeval, daar de aangewezen opvolger er blijkbaar de brui aan geeft – een zekere Jan An uit Gouda – en waarom is niet geweten (terwijl deze dan toch al benoemd was door het stadsbestuur…). Blijkbaar nam Francois De Wever deze functie al geruime tijd waar, want in zijn verzoekschrift tot benoeming vermeldt hij dat hij sinds 1681 de stadsbeiaard bespeelt, zonder enige hulp van zijn leermeester Crama.

Bovenop zijn ambt heeft Francois De Wever nog een bijverdienste: hij is ook handschoenmaker. Blijkbaar is hij ook een tijdlang samen in functie met Jan Frans Van Dyck. Hij overlijdt op Kerstdag 1719.

1719/’20 – 1739: Theodoor EVERAERTS

Op diezelfde kerstdag 1719 wordt Everaerts op proef aangenomen, en een jaar later benoemd tot beiaardier. Van deze geboren Antwerpenaar is niet geweten of hij een verzoekschrift indiende of aan een wedstrijd deelnam. Mogelijk ontvangt Everaerts het ambt doordat hij de zoon is van de koster van de kathedraal.

1740 – 1771: Joannes DE GRUIJTTER

De man, geboren te Ieper, wordt op 1 september 1740 als winnaar gekozen na een wedstrijd met twee andere beiaardiers, de een uit Leuven, de andere uit Soignies. Enkele weken later, op 4 november 1740, legt hij plechtig de eed af. (Na de wedstrijd rijst er nog een geschil tussen een brouwer en het stadsbestuur: deze laatste vindt dat de 62 potten bier gedronken in de toren tijdens de wedstrijd overdreven, en wilt er maar 20 potten betalen, waarbij de schepen eist dat de rest van het bier zou betaald worden door zij die het hadden gedronken. Of het bier de muzikale kwaliteit tijdens de wedstrijd ten goede kwam, is niet geweten.)

De Gruijtter Is eveneens organist en violist van de H. Sacramentskapel in de O.-L.-Vrouwekathedraal. Uiteindelijk verwerft hij op 60-jarige leeftijd ca. 1709 ook het ‘luyderschap’ van de stad, dit is waarschijnlijk het belangrijke ambt van hoofdklokkenluider.

Het is in 1922 dat men van hem een muziekhandschrift ontdekt: “…voor den beijaert ofte klok-spil tot Antwerpen…”, met 194 composities o.m. van Lully, Couperin, Händel, Vivaldi, alsook van J.H. Fiocco en W. De Desch, beiden kapelmeesters van de kathedraal, en 2 van hemzelf. Vandaag wordt dit handschrift bewaard in het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen.

Hij geeft heel wat aandacht aan de technische uitrusting van zijn klavier, een klavier dat tot op heden als model kan beschouwd worden voor alle latere beiaardiers.

1771 – 1805: Amandus DE GRUIJTTER

Op 1 augustus 1771 legt Amandus de eed af als beiaardier, waarbij hij zijn vader opvolgt. Het betreft een regeling met het stadsbestuur, want Joannes De Gruijtter was nog niet gestorven: hij doet afstand van zijn ambt ten voordele van zijn zoon, en het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Van de Franse bezetter ontvangt Amandus de Gruijter een lijstje van nog geoorloofde wijsjes: La Marseillaise, Carmagnole, Ca ira, en andere populaire Franse deuntjes.

1805 – 1807: Josephus DE GRUIJTER

Josephus is de zoon van de vorige beiaardier Amandus, Hij neemt echter al na 2 jaar ontslag, daar zijn andere bezigheden hem niet toelaten zich nog langer aan het ambt te wijden (welke die bezigheden dan wel zijn, wordt niet verteld). Al gedurende tien maanden laat hij zich vervangen door Jean Janssens, die op aanraden van De Gruijtter de nieuwe stadsbeiaardier wordt.

1807 – 1833: Jean-Baptiste Jozef JANSSENS

Janssens is de eerste stadsbeiaardier die in handen van de burgemeester de eed dient af te leggen. In casu wordt dit, door de nieuwe wet die samengaat met het ontstaan van België, pas 21 jaar na zijn benoeming opgelegd. Dat gebeurt dan bij burgemeester Degrelle op 8 april 1831. Daarbij dient Janssens met luide stem de eed van trouw te zweren aan de regent, de Belgische grondwet, en aan de wetten van het Belgische volk.

1834 – 1864: Jan Frans VOLCKERICK (1815 – 1897)

Op 24 augustus 1833 houdt de stad een concours voor de opvolging van Janssens. Hieruit komt Winant Servais uit Hasselt als winnaar. Het is een raadsel wat er dan gebeurt; waarschijnlijk geeft Servais er de brui aan, of komt hij nooit opdagen voor zijn benoeming. Op 19 december 1834 wordt dan Volckerick benoemd tot stadsbeiaardier: hij had zelfs niet deelgenomen aan het concours, maar vermoed wordt dat hij het stadsbestuur gedurende een jaar uit de nood heeft geholpen.

Jan Frans Volckerick is al sinds zijn 7de bekend met de kathedraal: hij was er namelijk koorknaap. Bij zijn benoeming heeft hij de leeftijd van 19 jaar. Deze beiaardier wordt later tevens pianoleerkracht aan de Instituten Sint-Ignace en Sint-Jozef. Hij laat ook heel wat manuscripten na: composities voor koor en orkest, alsmede voor kunst- en populaire liederen. Bovenop deze drukke activiteiten is Jan Frans ook nog een juwelier-zilversmid (men vraagt zich inderdaad af waar deze man de tijd nog vond).

Zijn woonst ligt vlakbij: het huis De Valk, op de hoek van de Grote Markt. Een of ander oponthoud onderweg zal hij dus niet als reden hebben kunnen aanvoeren voor eventuele laattijdige aankomst op zijn arbeidsplaats.

In 1973 publiceert Margo Halsted een proefschrift over hem aan de University of California.

1863 – 1901: Joseph CALLAERTS

Van Joseph Callaerts weten we dat hij tevens organist in de hoofdkerk is. In 1877 speelt hij de befaamde Rubenscantate van Peter Benoit op de Groenplaats mee vanuit de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Het is onder zijn leiding dat het experiment met het Smulders-klavier door wordt doorgevoerd, een klavier uit Nederland dat het beiaarden het gemak van pianospel zou bezorgen. (Het werd echter na Callaerts terug afgedankt wegens belangrijke nadelen.)

1901 – 1937: Gustaaf BREES

Ook Gustaaf Brees is tevens organist in de hoofdkerk. Ook betrekt hij de functie van muziekleraar aan het Sint-Jan-Berchmanscollege. Zijn zoon, Antoon, die hier samen met Staf Gebruers een tijdlang hulpbeiaardier was, wordt later beiaardier in de Verenigde Staten.

1937 – 1945: Jos VAES (1895 -)

Geboren te Geel. Studeert aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen als leerling van Lodewijk Mortelmans en August de Boeck. In de periode 1916-1945 is hij tweede organist van de hoofdkerk, en wordt hij ook een bekend organist van het Empire- en van het Roxytheater. In 1930 speelt Jos Vaes het orgel van de Kristus Koningkerk op de wereldtentoonstelling van Antwerpen. Tevens is hij ook organist van de Noorse en de Engelse kerk te Antwerpen, en repetitor aan de Koninklijke Vlaamse Opera.

1945 – 1968: John GEBRUERS (1898 – 1978)

Sedert 1925 is John Gebruers beiaardier van de Sint-Catharinakerk op het Kiel, waar er elke woensdagavond in de zomer een concert plaatsvindt. Vanaf 1925 ook is deze beiaardier gelegenheidsvervanger van Gustaaf Brees in de Onze-Lieve-Vrouwetoren. In 1968 legt hij het ambt van stadbeiaardier neer, op 70-jarige leeftijd. John Gebruers is medestichter en voorzitter van de oud-leerlingenbond van de Koninklijke Beiaardschool te Mechelen.

1968 – 1982: Jo HAAZEN

Al in 1958 – op jeugdige leeftijd – is Jo Haaze een bewonderaar van beiaardmuziek. Hij wordt een leerling van John Gebruers. Zijn concerten in de stad worden legendarisch door de massa toeschouwers en luisteraars die ze aantrekken. Jo Haazen wordt niet alleen in de stad bekend, maar tot in het buitenland voor zijn beiaardkunst. Tevens wijdde hij een volledig boek aan de geschiedenis van de Antwerpse beiaard: De zingende toren, Antwerpen, 1979. Ten geleide schrijft George van Cauwenbergh een hulde als voorwoord: “Je hebt wat roem bijeengespeeld Meester Haazen en je kent de zoete smaak van het succes.”

1982 – 1986: /

Deze 5 jaar moet men het zonder vaste beiaardier stellen. Er is wel een beurtrol met Linda De Schepper en Aime Lombart.

1986 – 2011: Geert D’HOLLANDER

Geert D’Hollander studeerde piano, kamermuziek, koor- en orkestleiding, fuga en compositie aan het Conservatorium van Antwerpen en voltooide zijn studies aan de Beiaardschool Jef Denyn met grote onderscheiding. Hij wint meer dan dertig internationale wedstrijden, waaronder de Internationale Koningin Elisabethwedstrijd. In 1997 volgt hij Ronals Barnes op als beiaardier van de Universiteit van Berkeley waarvoor hij in 2008 de hoogste onderscheiding van de universiteit ontvangt. Tot 2012 is Geert D’hollander stadsbeiaardier van Antwerpen, Gent en Lier. Datzelfde jaar wordt hij benoemd tot voltijds beiaardier van Bok Tower Gardens in Florida (VS) en stadsbeiaardier van Middelburg (Nederland). Geert D’hollander was tot 2012 docent, nu gastdocent aan de Koninklijke Beiaardschool te Mechelen. Hij geeft masterclasses in Europa en in de Verenigde Staten en concerteert wereldwijd. (biografie: Koninklijke Beiaardschool Mechelen)

2011 – : Koen VAN ASSCHE en Liesbeth JANSSENS

Koen Van Assche is auteur van een studiemethode voor het beiaardspel en geeft beiaardles aan de Beiaardschool Jef Denyn en de Academies van Gent, Haaltert (Ninove), Borgerhout en Lier. Hij is stadsbeiaardier niet alleen van Antwerpen, maar ook van Leuven, Turnhout en Herentals en gastbeiaardier in Europa en VS. Koen is ook voorzitter van de Vlaamse Beiaard Vereniging en van de Beiaard Wereld Federatie. Tijdens internationale beiaardwedstrijden won hij diverse prijzen en zijn beiaardspel werd uitgegeven op cd, waaronder een integrale uitvoering van “De Vier Jaargetijden” van Antonio Vivaldi. (biografie: Koninklijke Beiaardschool Mechelen)

Liesbeth Janssens (°1971) behaalde haar beiaarddiploma aan de Koninklijke Beiaardschool “Jef Denyn” in 1994. Naast beiaardier van Antwerpen is ze ook adjunct-stadsbeiaardier van Gent en stadsbeiaardier van Lommel. Ze wordt regelmatig gevraagd op internationale beiaardfestivals en zomerconcertreeksen in Europa en de Verenigde Staten. Liesbeth Janssens is eindredacteur van het Magazine van de Vlaamse Beiaardvereniging en publiceert ook in o.m. het Amerikaanse GCNA-Bulletin en het Nederlandse Klok en Klepel. Ze zetelt tevens in de Raad van Bestuur van de Vlaamse Beiaardvereniging. (biografie: ‘Beiaard Gent’)

De beiaard in literatuur en muziek

PROZA

Bron: A. Van Hageland, Prentenboek van Oud-Antwerpen, Rotterdam, 1979:

Het Museum van Schone kunsten, daar heerst Rubens, te midden van vele kunstbroeders. Antwerpen zonder Rubens is haast niet denkbaar. Staat zijn standbeeld niet in het hart van de oude stad, op de Groenplaats? Op dat uitgezocht plekje, in de volksmond: het groen kerkhof, komen en gaan duizenden mensen per dag aan hem voorbij en geen die niet een stille groet tot Rubens richt. De dagelijkse bloemenmarkt aan Antwerpens grote zoon. Klokkengelui van de Kathedraal en beiaardspel geven hem een dagelijkse serenade. De frisse Scheldelucht brengt hem hulde van heinde en ver.

 

DECOO, Krotten en kruisen, Antwerpen, 2003:
– Een mens moet van niets verschieten tegenwoordig, meent een vrouw.
Een ander oordeelt:
– Van die fijne meneerkes moet ge’t hebben. Ze hebben centen in overvloed.
De beiaard van de Onze-Lieve-Vrouwetoren sprenkelt zijn heldere klanken als een vrolijke groet naar de nederige Sint-Andriestoren. Wie luistert ernaar als pikante praatjes hun ronde doen?

 

VERMANDERE, De Duitsche Furie te Antwerpen, ca. 1914/1918

Geschreven op Kerstdag 1914 en vervolgens clandestien gepubliceerd (ca. 1918?), tegen het einde van WO I, spreekt de vaderlandslievende Belg de hoop uit om eens voorgoed van de Duitsers bevrijd te worden en voorgoed verlost te zijn.
“… Des anderendaags zagen wij de triomfantelijke intrede onzer vijanden af. Ditmaal was het de Duitsche hoogmoed, de Duitsche grootheid die de stad innamen.
… Zoo hebben wij ons geliefd Antwerpen zien beleedigen en tergen, en voelen sinds den druk van des vijands hiel zoo pijnlijk op onze borst!
Wanneer, wanneer goede God! Zal de beiaard hier weer spelen?
25 december 1914 “

 

Ludo MUYS, Historiek van de kerkklokken en hun peters en meters, 2005:

Antwerps beiaardconcert

Hieronymus Cardamus (+ 1576) Italiaans medicus, wiskundige, astronoom en filosoof maakt tijdens zijn verblijf in de Nederlanden kennis met het fenomeen van beiaardspel – waar hij als Italiaan niet mee vertrouwd is. In zijn De rerum variate (bnd. 12) heeft hij het o.m. over zijn nare ervaringen met de beiaardmuziek te Brussel: “Men heeft daar de gewoonte verscheidene klokken rondom boven in een toren te bevestigen en ze krijgen met hun klank overeenkomst in toon. Ze beroeren ze elk apart volgens de noten en tokkelen een wijsje dat meer bewondering verdient dan dat het aangenaam voor de oren is. De klokken behouden immers hun klank niet. Hij houdt bij elke slag onmiddellijk op.” Maar deze beschrijving gaat volgens hem ook op voor andere steden: “Hetzelfde gebeurt in Leuven en Antwerpen”. En hij trekt al snel de conclusie: “ ‘Wat is het nut van die klokken?’ zou je kunnen vragen.”

Hieruit weze het duidelijk dat niet iedereen het beiaardspel weet te waarderen. Niets nieuws onder de zon: wat voor de een schellend cymbaal is, is voor de ander een uitdrukking van muzisch vernuft.

Jaren later meent Hieronymus Magius dan toch nog Cardamus van antwoord te moeten dienen. Hij schrijft anno 1608 “Mocht Cardamus heden ten dage naar de klokkenmuziek in Antwerpen horen! Hij zou er anders over denken: ongetwijfeld en dat ze bewondering verdient en dat ze aangenaam om te horen is.”

POËZIE

 

Anoniem, einde 20ste eeuw, ANTWERPEN

In het land van mijn lied
ligt een stad aan een stroom
met een havengebied
economisch een droom!

Haar statige toren
van vlammend gotiek
die klanken laat horen
van beiaardmuziek
blijft dierbaar en diep
in herinnering staan
van boten die komen
en boten die gaan.

Van Rubens en Brabo,
Plantijn en Metsijs
gaan over de zeeën
de namen op reis,
maar diep in de ziel
der Sinjoren gebrand
leeft eeuwig Van Rijswijck
de staf in de hand.

Bert PELEMAN, 1970

Bron: Ludo Muys, Historiek van de kerkklokken en hun peters en meters, 2005, p. 412

HARTENHAAS-KANTIEK

Uit het bronzen nest der klokken
rennen onverschrokken
zilveren hazen heen
Tussen stroom en steen
bestormen zij de daken
raken rinkelend hun klankbord aan
Slechts die stil te luisteren staan
tussen Vlaaikensgang en Schelde
glimlachen om wat hen kwelde
doden in hun hart de jager,
leven trager
laten ook de hazen leven,
gaan als witte meeuwen zweven
kunnen mee de Vrijheid vieren
dezer kleine beiaard-dieren …

LIEDEREN

 

BEIAARDLIED (studentenlied)

Weliswaar niet specifiek voor Antwerpen, maar Antwerpse studenten die op een cantus dit lied uit volle borst meezingen, hebben zeker de Antwerpse beiaard in gedachten.

Dan mocht de Beiaard spelen
Van al uw torentransen,
Dan mocht de grijsheid kwelen,
Dan mocht de jonkheid dansen. (bis)

Dan schiept gij opgetogen
Tot prinsen, Vlaamse steden,
Die onder zegebogen
Op zegewagens reden. (bis)

Dan liet gij uw rondelen
En kanten gevels glanzen;
Dan hieldt gij landjuwelen;
Dan vlocht gij lauwerkransen. (bis)

Dan spreiddet gij voor d’ogen
Uw vrijheid, kunst en zeden,
Op allen mocht gij bogen,
Om allen werdt g’aanbeden. (bis)

 

Karel VERTOMMEN, 1958

Gedicht ter gelegenheid van de ontmanteling van de stellingen n.a.v. de Wereldtentoonstelling Brussel, 1958; getoonzet door kanunnik G. STRIELS, kapelmeester van de kathedraal.

Toren,
nu gij zijt herboren,
van uw banden weer bevrijd,
laat uw jubelklokken horen
in de stad van de Sinjoren,
toren die ons hart verblijdt!

Toren,
laat uw boodschap horen,
onbewimpeld zij ’t vertoog:
“Mensenkind, gij werd verkoren
om tot ’t Godsrijk te behoren!”
Wijs de wereld naar omhoog.

Toren,
sierlijk als tevoren
rijst gij aan de Scheldevloed
blijf steeds naar de hemel boren,
met de stad van de Sinjoren
vroom en werkzaam aan uw voet !