De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

De armenzorg

Kathedraal Antwerpen - De Heilige Geest boven de deur die leidt naar de voorraadkamer van de aalmoezeniers (JV)

 De tafel van de Heilige Geest

Op het einde van die parochiale zone aan de zuidkant kunnen de armen na de eucharistieviering aan een tafel terecht voor de bedeling van voedsel en kleding, gekend als de ‘Tafel van de Heilige Geest’. Want is pure liefdadigheid geen bijzondere gave van Gods inspiratiekracht? Daarom heeft de nabijgelegen voormalige voorraadkamer nog steeds de zinnebeeldige duif van de Heilige Geest boven de deur. Later verhuist de toegenomen bedeling grotendeels naar een pand in de ernaar genoemde Heilige-Geeststraat.

De kapel van de aalmoezeniers

Met de oprichting van een ‘Kamer van de huisarmen’ in 1458 wil de Stad toezicht uitoefenen op deze parochiale armenzorg. De vier dienstdoende bestuursleden stonden in voor het verzamelen en verdelen van de aalmoezen, oftewel de armenkas. Deze ‘aalmoezeniers’ werden dan ook gekozen uit de rijkste burgers, voor wie die titel levenslang als een eer gold. In feite is deze instelling de voorloper van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW). En zoals wij nu benefietconcerten kennen voor het goede doel, zo organiseerden de aalmoezeniers bijvoorbeeld toneelopvoeringen in het gildehuis van de Sint-Lucasgilde op de Grote Markt nr. 7 om met het entreegeld de armenkas te spekken.

Hoe gering ook in aantal bestuursleden, voor hun respectabele instelling wensen de aalmoezeniers een eigen, zelfstandige kapel in de hoofdkerk. Omdat bovendien een eigen huis op de Grote Markt voor zo’n beperkt exclusief gezelschap niet verantwoord was, volstond een vergaderzaal: de ‘armenkamer’. Hun keuze voor de kapel valt op het uiteinde van de zuidbeuk, naast de zuidtoren, waar nu de bookshop is ondergebracht. Op de plaats van de huidige glazen wand stond toen een stenen muur. Enkel via deze kapel kunnen ze hun vergaderzaal betreden, net als het aanpalend geldkluiskamertje. In hun vergaderlokaal hing onder meer het busteportret van Nicolaas Rockox († 1640), dat als epitaaf stichtelijk moest herinneren aan de testamentaire vrijgevigheid van deze (kinderloze) aalmoezenier. Het werd geschilderd door Thomas Willeboirts Bosschaert, naar het grote portret door Antoon van Dyck uit 1621, dat nu bewaard wordt in de Ermitage in Sint-Petersburg. Het siert nu het Museum Maagdenhuis: de zetel van het huidige OCMW.

Kathedraal Antwerpen - Vier hoofdaalmoezeniers (JV)

Misschien is het ook geen toeval dat van alle kapellen in de kathedraal die van de aalmoezeniers – achter de zuidertoren – het meest afgesloten was, waarschijnlijk omdat zij niet te fel in de kijker wilden lopen, althans niet bij de bedelaars in de kerk. Het enige relict van deze kapel is het glasraam door Abraham van Diepenbeeck uit 1635, met daarop de vier dienstdoende aalmoezeniers van dat jaar. Hoe vroom en gedienstig ook, het belet deze gefortuneerde heren niet zich ijdel te manifesteren. In plaats van zich wat godvruchtiger te concentreren op het oorspronkelijke, godsdienstige tafereel boven hen, kijken ze blijkbaar liever zelfbewust naar de bezoekers, om zich te laten bewonderen. Op het (ondertussen verdwenen) glasraam boven hen stonden vier heiligen voorbeeldig enkele werken van barmhartigheid te beoefenen onder het waakzame oog van de Heilige Drievuldigheid. Twee van hen, Stefanus en Laurentius, zijn diakens, zeg maar de aangestelde armenzorgers binnen de vroegchristelijke gemeenschap (Hand. 6:1–6). In die zin zijn zij de expliciete voorlopers van de aalmoezeniers! Voor de achtergrond koos men de voorgevel van het Maagdenhuis. Dit is geen toeval. Immers, naast dit weeshuis voor meisjes vielen nog andere instellingen onder het beheer van de Kamer der Huisarmen, zoals het vondelingenhuis en het knechtjeshuis. Uitgerekend in 1635 is door toedoen van deze vier aalmoezeniers het Maagdenhuis uitgebreid en heeft het zijn huidig statig uitzicht bekomen, een nieuwbouwproject met allure, dat gezien mocht worden. Ter plaatse mocht deze inspanning evenmin onopgemerkt blijven. Een doorlopende tekstfries over de hele binnenplaats maakt melding van dezelfde vier aalmoezeniers als hier in de kapel. Of hoe groot de zucht naar erkenning blijft, ook in de sociale dienstverlening. Voor de aalmoezeniers die nog drie jaar lang als Heilige Geestmeester het dagelijks bestuur waarnemen en levenslang als ‘oudaalmoezenier’ lid blijven van de grote raad (de ‘Grote Heilige Geest’), moet de afbeelding van deze mooie realisatie nog lang tot fierheid hebben gestemd.

Het karton, even groot als het glasraam, werd in de 18de eeuw nog bewaard in de naburige Heilige Geestkamer, maar na overdracht aan het OCMW, is het daar spoorloos geraakt. De olieverfschets is nog bewaard in het Museum of Arts van Philadelphia.

Het schitterende altaarstuk van Barend van Orley (ca. 1517), dat haast 300 jaar lang de bidruimte van de aalmoezeniers sierde, is eigendom van het OCMW van Antwerpen maar is in een langdurige bruikleen toevertrouwd aan het KMSKA. Het

heeft onder meer de brand van 1533 en de Beeldenstormen doorstaan. Tijdens de mis moest het de aalmoezeniers inspireren bij de uitoefening van hun ambt. In geopende toestand worden de Werken van Barmhartigheid er voorgesteld als criterium bij het Laatste Oordeel. Van de vier modelheiligen op de buitenluiken, die de nood van hulpbehoevenden lenigen, stonden er drie op het verdwenen glasraam: Sint-Elisabet en de twee diakens – herkenbaar aan hun dalmatiek. Deze proto-aalmoezeniers, die hun leven hebben gegeven als martelaar, zijn te identificeren aan hun martelattribuut. Stefanus, met een steen op zijn hoofd en stenen in zijn dalmatiek, deelt kleren uit, Sint-Laurentius, met het rooster, deelt geld uit. Verder deelt een vrouwelijke heilige, Sint-Elisabeth, de vrijgevige vorstin, geld uit, terwijl de Bijbelse figuur, Tobias, herkenbaar aan zijn trouwe hond, het Bijbelboek voorhoudt dat de naam van zijn vader Tobith draagt. Immers, dit is het oudtestamentische boek bij uitstek waarin de werken van barmhartigheid worden geprezen (althans voor de katholieken, vermits de protestanten dit niet als canoniek erkennen).

Enkel opschriften roepen op om een bijdrage te leveren ‘Voor de schamele huysarmen van alle de quarrtieren deser stadt’ (op de laatste pijler van de uiterste zuidbeuk). Soortgelijke opschriften treft men aan tegen de eerste pijler van de Venerabelkapel en tegen de eerste pijler van beide smalle noordbeuken.