De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

De kapellen aan de kooromgang

De vijf straal- en de zes koorkapellen rondom de kooromgang behoren tot de eerste bouwfase van de gotische kerk, die ca. 1351 werd aangevat. De eerste kraagstenen zijn aangebracht aan de beide moederpijlers: aan de zuidelijke kooromgang een mansgelaat en Samson en de leeuw, aan de noordelijke een mansgelaat te midden van bladwerk. Op de gewelfsleutels van enkele kapellen, en vooral van de kooromgang staan profeten, te dateren tussen 1387–1391. Noch hun aantal, noch hun locatie of het ondertussen verdwenen tekstcitaat op hun banderol laten toe hen te identificeren als een van de vier Grote of twaalf Kleine Profeten. In het koor werd het oudst bewaarde retabelfragment van de kathedraal opgegraven, een stenen Calvarie (einde 14de eeuw).

Wanneer ca. 1413 dit nieuwe gedeelte – naast het nog bestaande Romaanse kerkschip – volledig in gebruik wordt genomen, zijn het begrijpelijkerwijze vooral de voornamere groeperingen die hier een plaats bemachtigen. Onder de strikt godsdienstige broederschappen is dat allereerst de Besnijdenisgilde, die later juist omwille van haar uitzonderlijke reliek verhuist naar de ruimere kapel, die uitgeeft op de noorderdwarsbeuk (de huidige Sint-Antoniuskapel). Verder treft men er de oudste stedelijke gewapende gilden aan zoals de Oude Voetboog (in de huidige Sint-Vincentiuskapel), de Oude Handboog (in de huidige Louis Frarijnkapel, nadien in de huidige Nood Godskapel) en de Jonge handboog in de Sint-Barbarakapel.

De decoratie blijft modieus tijdgebonden. Typisch voor de eerste helft van de 16de eeuw zijn wandschilderingen met een rode achtergrond, met daarop het zogenaamd ‘geperst brokaat’, een decoratief reliëf op basis van was. De lichtinval, de grondslag van gotische kerkbouw, geraakt meer en meer aan het oog onttrokken doordat de altaren geleidelijk aan in hoogte toenemen: in de 16de eeuw, zeker na 1585 door de brede, geschilderde triptieken, in de 17de eeuw door de hoge barokke portiekaltaren.

Na de plundering door de Franse revolutionairen staat het dozijn kapellen er lange tijd troosteloos bij, tot ze vanaf het midden van de 19de eeuw een nieuwe bestemming krijgen als devotiekapel. Dit vormt de aanzet voor een totale herinrichting in neogotische stijl die voor wat de wand- en plafonddecoratie betreft, zo mogelijk teruggrijpt op oudere sporen van decoratieve afwerking. Daarmee brengt men hulde aan de vroegere gebruikers van deze ruimten wat kadert binnen de nationalistische gevoelens van die tijd. De katholieken dromen nog lang van een wederopstanding van het christelijk geïnspireerde gildewezen, maar de sociaal-economische realiteit van de 19de eeuw laat dit niet langer toe. Het tastbare gevolg is dat beroepsverenigingen niet langer vragende partij zijn voor een eigen devotieruimte, zelfs niet voor hun voormalige kapel. Het enige initiatief in die zin, dat van de Sint-Lukasgilde, strandt al gauw en kan enkel tot een ‘goed’ einde gebracht worden dankzij privé-initiatief van een jubilerende pastoor. Een grafkapel in eigenlijke zin, is bij wet niet meer mogelijk. Daarom zien enkele families hun gedachtenis graag in ere gehouden worden door een volledig stel glasramen in een en dezelfde kapel. Sommige kapellen krijgen een devotionele invulling naar aanleiding van een patronaatsaanstelling: Sint-Jozef tot patroon van de Katholieke Kerk in 1870, Sint-Vincentius a Paolo tot patroon van de caritatieve werking in 1885, of een zalig- of heiligverklaring: Zalige Louis Fraryn in 1868 en Sint-Jan Berchmans in 1888.

In de woelige jaren 1960 krijgt de sobere, modernistische stijl invloed in de kerken door de vernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie, en valt de triomfalistische neogotiek met zijn kleurrijke franjes in ongenade. De kooromgang met zijn kapellen ontsnapt nipt aan een kaalslag. Na de restauratie van 1998–2014 staan de kapellen en de kooromgang weer te schitteren in hun 19de-eeuwse glorie. Bij sommigen leeft de droom om deze ruimten een aangepaste invulling te geven die recht doet aan de christelijke waarden zoals ze nu worden beleefd.

kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint-Antonius van Padua - het Bourgondisch glasraam, 1503 (WS)

De kapel van Sint-Antonius van Padua

voorheen Besnijdenis- of Jeruzalemkapel,
ook Driekoningenkapel van het stadsbestuur

Kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint-Antonius van Padua (WS)

Na de voltooiing van de noorderdwarsbeuk bouwt men van 1494 tot 1499 aan deze aanpalende kapel: een extra ruimte, die vreemd is aan het oorspronkelijke opzet van het kruisvormige grondplan. Een extra grote ruimte ook, bedoeld voor het stadsbestuur, die het prestige van deze kapel deelt met de teruggekeerde bedevaarders uit het Heilig Land, de ‘ridders van Jeruzalem’. Omdat de bakstenen gewelven nogal wat onregelmatigheden vertoonden, kregen ze dankzij de overschildering een cleane baksteenimitatie.

Tot in de kapel van het stadsbestuur blijkt het belang van de haven. In Antwerpen stonden de Engelse Company of Merchant Adventurers in voor de invoer van half afgewerkt wollen laken om het verder te laten ‘bereiden’ door de lakenbereiders, de zogenaamde droogscheerders. Hun leden waren hier geprivilegieerd met een eigen rechtspraak en met vrijstelling van bier- en wijnaccijnzen. Op een steenworp van deze kapel werd hen door de stad een pand geschonken, dat ze uitbreidden tot een deels overdekte marktplaats: het ‘Engels Pand’. Niet toevallig richtte men in hun buurt het eerste beursgebouw op. Vandaar dat de toenmalige Wolstraat in de volksmond ‘Engelandstraat’ werd geheten en in 1531 de huidige straatnaam ‘Oude Beurs’ krijgt. De Merchants kregen in Engeland koninklijke bescherming van Hendrik VII. De beide glasramen van 1503 herinneren aan het Intercursus Magnus, het belangrijke handelsverdrag dat de Bourgondische en Engelse vorsten sloten in 1496. Gezien de opschorting ervan door de Merchant Adventurers, die naar Bergen-op-Zoom uitweken, vormden de nieuwe privilegies waarmee het Antwerpse stadsbestuur hen in 1502 teruglokte de directe aanleiding voor de plaatsing van deze ramen.

Elk van beide partijen wordt vereeuwigd in een glasraam, met daarop telkens het betrokken vorstenpaar bijgestaan door hun naamheiligen (behalve bij Hendrik VII van Engeland). Ze worden getypeerd door hun wapen, hun kenspreuk en hun gekroonde initialen verbonden met een liefdestrik.

Op het Bourgondische raam, links, staan Filips de Schone en Johanna I van Castilië (‘de Waanzinnige’). Erboven wordt hun vorstendom verbeeld door de patroonheiligen: Andreas voor Bourgondië en Jacobus voor Spanje.

Op het Engelse raam, rechts, staan koning Hendrik VII van Lancaster en koningin Elisabeth van York, respectievelijk gepatroneerd door de patroonheilige van Engeland, Sint-Joris, en de eigen naamheilige, de vrijgevige Elisabeth van Hongarije. Ook twee heilige koningen van Engeland zijn – in de vorm van een nisbeeld – vertegenwoordigd. Vlak achter de koning staat de heilige Hendrik VI, achter de koningin de heilige Edward de Belijder. Door het huwelijk van dit koningspaar werd de gruwelijke Rozenoorlog tussen de twee koningshuizen beëindigd en werd de dynastie van de Tudors gesticht. Daarop zou de omlijsting logischerwijze moeten zinspelen door twee symbolen van de nieuwe dynastie af te wisselen: de rood-witte Tudorroos en het ‘Tudor-valhek’. Door de 19de-eeuwse restauratie is de rood-witte Tudorroos echter verkeerdelijk vervangen door de rode roos van de Lancasters. Onderaan prijkt het wapen van de Merchants met twee opspringende paarden als wapendrager.

Maar in feite was de kapel van meet af aan bedoeld als het waardig onderkomen voor de stadsreliek, waarvan de overbrenging pas plaats vindt in 1513. Men houdt het nu niet voor mogelijk maar de middeleeuwse Antwerpenaren meenden een van de belangrijkste relieken van de christenheid in hun bezit te hebben: Jezus’ voorhuid (preputium Domini). Want was de Messias niet op zijn achtste levensdag volgens het joodse voorschrift besneden? De legende wil dat het kostbare kleinood een geschenk was van de markgraaf van Antwerpen, Godfried van Bouillon, de beroemde kruisvaarder die in 1099 in Jeruzalem de titel aanvaardt van ‘beschermer van het Heilig Graf’, en die tevens het ‘Heilig Bloed’ (van Christus) aan Brugge zou geschonken hebben. Niet toevallig raakt de vermeende besnijdenisreliek, die symbool stond voor het katholicisme met zijn gecommercialiseerde devoties, verloren in de woelige periode van de Beeldenstorm in 1566.

Na het herstel van de katholieke eredienst in 1585, wordt de kapel toegewijd aan de Heilige Drie Koningen. Zoals de beeldengroep van de drie Wijzen boven het altaar knielend hun offergaven aanboden aan het Jezuskind, zo kwamen de leden van het stadsbestuur hier op Driekoningen drie zware waskaarsen offeren. Misschien verklaart deze devotie ook mee de keuze voor het thema dat Rubens naar aanleiding van de onderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand in 1609 diende uit te werken voor de Statenkamer van het Antwerpse stadhuis: De aanbidding der Wijzen (Madrid, Museo Nacional del Prado).

Alhoewel de reliek verdwenen was, bleef men de bidplaats de ‘Besnijdeniskapel’ noemen. Op het altaar daar prijkte sinds 1590 De bewening van Christus, het ingetogen dramatisch meesterwerk van Quinten Metsys (1509–1511), dat het stadbestuur in 1577 op aanraden van Maarten de Vos van het schrijnwerkersambacht had aangekocht opdat het niet uit Antwerpen zou verdwijnen. Tot de installatie van Rubens’ De Kruisafneming stond deze monumentale triptiek bekend als het meest bezienswaardige kunstwerk van de kathedraal, zoals blijkt uit een Oostenrijks reisverslag uit 1606. Na 1798 belandt dit uitzonderlijke kunstwerk via het museum van de Academie in het KMSKA. Met de kleurrijke glasramen aan de oostzijde van de noorderdwarsbeuk wilde men in de 17de eeuw nog graag herinneren aan deze reliek: naast de besnijdenis van Jezus (1615), komt de schenker Godfried van Bouillon, als stichter van het Sint-Michielskapittel (1616), er in beeld.

In 1806 wordt het zwierige barokke devotiebeeld van Sint-Antonius van Padua (Artus II Quellinus, tweede helft 17de eeuw) uit het afgeschafte minderbroederklooster aan de hoofdkerk toevertrouwd. De devotie tot deze heilige, wiens populariteit in de 19de eeuw fel toeneemt, wordt in deze ruime kapel ondergebracht. Het boek in zijn hand staat allereerst voor het evangelie, dat de inspiratie van zijn leven vormt. Het herinnert eveneens aan het verhaal van een gestolen studieboek dat door de dief anoniem aan de heilige werd terugbezorgd, wat aanleiding gaf om hem tot patroonheilige van de verloren voorwerpen te maken.

Kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint-Antonius van Padua - het Engels glasraam, 1503 (WS)

De kapel van het Heilig Hart van Maria

voorheen Sint-Antonius-Abt,
en Sint-Hubertus van de jagers

kathedraal Antwerpen - Kapel van het heilig Hart van Maria (UA)

Van meet af aan huist hier de gilde van Sint-Antonius-Abt, die van ca. 1587 tot 1797 de kapel deelt met de jagersgilde van Sint-Hubertus. Voor hun altaar schildert Maarten de Vos in 1594 het populaire thema De bekoringen van Sint-Antonius (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen). De verleidelijke fantasieën die in de vorm van extravagante demonen, half dier, half mens, de Egyptische kluizenaar (251–356) niet loslaten en door de lucht voeren, hebben ongetwijfeld de aandacht van de bezoeker vastgehouden – hopelijk met een stichtend effect. Kernachtig staat dit thema op de laat-15de-eeuwse sluitsteen met twee duivels die de hoogbejaarde Antonius belagen.

Van beide gilden is uitzonderlijk het zilveren paar ampullen bewaard, een hoogbarokke creatie van Norbert Lesteens (1669). Op de wijnampul persen engeltjes druiven, op de waterampul vangen zwemmende engeltjes een zeeslang. Zelfs de oren van de ampullen zijn thematisch versierd! In de rand van de bijhorende gedreven schaal krijgt van beide heiligen Antonius, net zoals op de altaartriptiek, de meeste ruimte.

Nog uitzonderlijker is de manier waarop, de laatgotische, in zilver gezette reliekhoorn van Sint-Hubertus (ca. 1525) zovele troebelen heeft overleefd. Ca. 1820 wordt hij naar de Sint-Carolus Borromeuskerk overgebracht. Daar komen nog steeds in de jaarlijkse mis van de Sint-Huybrechtsgilde gelovigen de reliek vereren en deze behoudt hierdoor zijn bemiddelende rol in de relatie van de gelovige tot zijn God.

In 1888 leveren Jan-Baptist De Boeck en Jan-Baptist Van Wint het neogotische houten retabel voor de devotie van het Heilig Hart van Maria, die toen in deze kapel is ondergebracht. Ter herinnering aan de vroegere devoties, bekronen de beeldjes van de heiligen Antonius Abt en Hubertus elk een luik. De centrale Mariafiguur wordt eronder aangeroepen met ‘Heilige Maria, toevlucht van de zondaars, bid voor ons’. Ter staving van haar bemiddelingsrol naar God wordt ze geflankeerd door de Calvarie en de Pieta, scenes die haar ‘mee’-lijden in de volle zin van het woord verbeelden als deelname aan Jezus’ heilzaam lijden. Daarboven zien we de twee meest opvallende bekeringsscenes uit het Nieuwe Testament met Maria Magdalena (Lc. 7:36–50) en Paulus (Hand.9:4). Op de luiken staan 16 heiligen die van een zondig leven opstonden door het geloof in Christus en door hun devotie tot Maria.

De kapel van Sint-Vincentius a Paolo

voorheen Sint-Joris van de Oude Voetboog
De beide Sint-Jannen van de schrijnwerkers

Kathedraal Antwerpen - Kapel van de heilige Vincentius à Paolo

De gewelfsleutel, einde 14de of begin 15de eeuw, geeft aan dat de oudste van de zes Antwerpse gewapende gilden, de gilde van de Oude Voetboog, gesticht in 1306, van meet af aan in het oudste deel van de nieuwe, gotische kerk over een kapel beschikte, toegewijd aan Sint-Joris. De dappere patroonheilige staat met schild en zwaard op de gevelde draak. Merk op hoe origineel speels de staart van de draak rond de stam van een boom kronkelt. Al eerder beschikte de gilde over een kapel in de schuttersbeemden ten zuiden van de stad – waar de Sint-Joriskerk is uit voortgekomen.

De gewelfschildering, waarop fier het embleem van de voetboog en het heraldisch wapen van de gilde prijkt, wordt gedateerd ‘1566’, maar is volledig gereconstrueerd in 1898. De emblemen in de wanddecoratie getuigen evenzeer van de 19de-eeuwse belangstelling voor de eigen geschiedenis.

In 1590 nemen de schrijnwerkers de plaats in van de Oude Voetboog, na het vertrek van deze gilde naar de dwarsbeuk. Ter plaatse hebben de schrijnwerkers geen sporen nagelaten, maar gelukkig is hun barokke altaartriptiek van Hendrik van Balen uit 1622 nog bewaard.

In 1895 willen familieleden de gedachtenis eren van hun overleden zus, die zich een leven lang had toegelegd op caritatieve werken. Daarom wordt de kapel toegewijd aan Sint-Vincent de Paul (1581–1660), toonbeeld van de christelijke naastenliefde. Deze Franse heilige kreeg vanaf de jaren 1840 in België bekendheid door de caritatieve werking van het Sint-Vincentius a Paulogenootschap in vele parochies. De zetel van het Sint-Vincentiusgenootschap voor het gewest Antwerpen was sinds 1856 gehuisvest in de Kammenstraat, vandaag het centrum van de Sint-Egidiusgemeenschap.

Beeldsnijder Jan Baptist van Wint staat in voor het middenstuk van het retabel (1898), dat opgebouwd is rond het beeld van ‘Monsieur Vincent’, goed herkenbaar aan zijn fysionomie met ringbaard en scherpe neus, de priestertoog en de kalot. Het naakte kind op zijn arm staat voor het werk van de naakten kleden. Rondom deze beeldengroep staan de zes overige Werken van Barmhartigheid narratief uitgebeeld met Vincentius als hoofdfiguur: links de gevangenen bevrijden en daaronder de doden begraven, rechts de zieken bezoeken en daaronder de vreemdelingen herbergen. Op de predella onderaan staan de meest geciteerde werken: de hongerigen spijzen, en de dorstigen laven. Vincentius wordt geassisteerd door leden van de door hem gestichte congregaties, de ene keer de broeders lazaristen, de andere keer de Dochters van Liefde, de populaire zusters met de brede kappen, beter bekend als de ‘vliegende nonnen’. Deze zusters waren ook in Antwerpen actief, onder meer sinds 1875 in het Sint-Vincentiusziekenhuis. Op de geschilderde luiken van de predella (Jan Antony, 1897) noemen zeven engelen met een banderol de zeven Werken op. De keuze van de heiligen op de luiken (eveneens van Jan Anthony, 1897), is deels ingegeven door de faam van hun caritatieve inzet, deels door de naamheiligen van de overledene.

Van alle parochianen hadden ongetwijfeld de Dochters van Liefde van Sint-Vincentius a Paulo de meest intense band met de devotie van dit altaarstuk. In de 20ste eeuw stonden deze zusters in voor de parochiale meisjesschool voor huishoudkunde in de Reyndersstraat en voor thuisverpleging in de Heilige Geeststraat daarachter.

Altijd opnieuw blijven de ‘werken van barmhartigheid’ (Mt. 25:31–46) voor christenen de inspirerende leidraad om zich te engageren voor hun behoevende medemens, zij het telkens in andere maatschappelijke omstandigheden. In een tijd dat de parochiegrenzen vervagen zijn er vandaag onder meer sociale opvanginitiatieven zoals de Loodsen, het Werk der Daklozen en de Sint-Egidiusgemeenschap, die deze taak op zich nemen.

Kathedraal Antwerpen - Sint-Jozefkapel - Decoratieve wandschildering in de grafnis van kanunnik Gaspar Van der Cruyce (1593) (MD)
kathedraal Antwerpen - Sint-Jozefkapel - Jezus in het huis van Nazareth: Jezus leert van Josef de stiel van timmerman. (MD)

De kapel van Sint-Jozef

voorheen kapittelkamer, Sint-Ursulakapel

Kathedraal Antwerpen - Sint-Jozefkapel (WS)

In de 14de eeuw vormde de eerste travee van de huidige Sint-Jozefkapel die uitgeeft op de noorderkooromgang, nog een aparte langskapel. Aan de noordkant sloot een muur ze van de gotische kapittelkamer af, die toen de twee noordelijke traveeën van de huidige kapel besloeg. Om te vergaderen is (dag)licht wenselijk, maar wanneer men de Besnijdeniskapel bouwde, heeft men de ramen aan de westkant dichtgemetseld.

De oorspronkelijke devotie in de oude langskapel valt niet meer te achterhalen, maar men kan zich inbeelden hoe de kanunniken zich vanuit het hoogkoor hierlangs naar de kapittelkamer begaven. Het is niet onmogelijk dat de sluitsteen Mozes met ‘de twee tafelen der wet’ (de Tien Geboden) verband houdt met de kapittelvergaderingen, waar kerkelijke wetteksten richtinggevend zijn.

Eens de vergaderplaats is overgebracht naar de zuidkant van de kooromgang wordt de vrijgekomen kapittelkamer ingericht als kapel ter ere van Sint-Ursula. De kosten hiervan worden volledig gedragen door de gedreven kanunnik Gaspar Van den Cruyce, die de relieken van deze martelares uit Keulen had meegebracht. De 40-jarige fysiek zwakke kanunnik sterft echter net voor de inwijding van de kapel in 1593 en wordt begraven voor het altaar, dat uitzonderlijk tegen de noordwand staat. Datzelfde jaar laat zijn familie de kapel vergroten door de noordelijke muur van de aanpalende koorkapel af te breken. Over de hele ruimte wordt een wandschildering (1593) in grisaille herhaald. In de beide friezen staat een eenvoudig kruis als familiewapen. Het geheel bestaat uit uitgebreide grotesken bestaande uit vogels, een stel hondjes en engelen met een luit. Ook de pijlers van de aanpalende travee in de kooromgang werden in deze decoratiecampagne betrokken. De anonieme altaartriptiek met De Calvarie deed dienst als sprekend epitaaf van de kanunnik die op het linkerbinnenluik (iconografisch rechts) prijkt. Op het rechterluik staat Sint-Ursula, terwijl de naamheilige van de weldoener voorkomt op de buitenluiken die samen De aanbidding van de Wijzen vormen. In 1798 werd het drieluik verkocht maar begin 19de eeuw werd het aan de kerk teruggeschonken. Het hangt nu in de noordelijke kooromgang nabij de kapel. Onmiddellijk nadat paus Pius ix op het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 Sint-Jozef uitgeroepen heeft tot patroon van de Kerk, beslist men deze oude kapel aan Jezus’ voedstervader toe te wijden en twee jaar later wordt de bijna volledig heringerichte ruimte ingewijd. In de centrale nis van het retabel, gesneden door Jan-Baptist De Boeck en Jan-Baptist Van Wint in 1871, prijkt het beeld van Sint-Jozef met het Jezuskind op de arm. Daarrond geven zeven gepolychromeerde taferelen een scene uit zijn leven weer, met als meest in het oog springende dat waar de jonge Jezus de stiel van zijn voedstervader leert: Jezus, geknield, houdt een passer vast en kijkt naar Jozef op, die op zijn werkbank aan het schaven is. Terwijl er achter Jozef een rek met schrijnwerkerstuig aan de wand hangt, is dat bij Maria veelzeggend een plank vol boeken. De vrouw des huizes staat immers voor het meer intellectuele en contemplatieve en ook opvoedende werk: ze bidt uit een boek, wat haar niet belet om even haar opgroeiend kind gade te slaan.

De geschilderde luiken van Louis Hendrickx (1873), opvallend door hun verbluffende detaillering en warme tonen van het textiel, illustreren bovenaan het patronaat van Sint-Jozef: links (iconografisch rechts) roept paus Leo hem uit tot patroon van de Kerk, rechts wijdt koning Karel II van Spanje in 1679 de Zuidelijke Nederlanden aan hem toe. De ontdekking van een dichtgemetseld roosvenster anno 1870 leidt datzelfde jaar nog tot de plaatsing van een opvallend gebrandschilderd raam door August Stalins & Alfons Janssens, naar een ontwerp van Louis Hendrickx: De boom van Jesse, waarin de afstamming van Jozef wordt teruggebracht tot de voornaamste voorvaders van Christus en opklimt tot koning David. Verre verwanten van kanunnik Van den Cruyce schonken dan weer de glasramen De heiligen Julius en Victoria (1872) en De heiligen Ursula en Gaspar (1873). Dat de felle kleuren van het Parijse atelier Edouard Didron de kapel verduisteren, was van meet af aan aanleiding tot heel wat kritiek.

Kathedraal Antwerpen - Sint-Jozefkapel - kanunnik en kloosterlinge (MD)
Kathedraal Antwerpen - Sint-Jozefkapel - de Boom van Jesse (Stalins en Janssens, Antwerpen, 1870) (WS)

De kapel van Sint-Lukas

van de kunstenaars

Kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint-Lukas (WS)

Het attribuut van de heilige bisschop op de gewelfsleutel is zo vaag dat we hem niet kunnen identificeren. En dus hebben we het raden naar de oudste bestemming van deze kapel.

De Antwerpse vereniging van schilders en andere kunstenaars, opgericht in 1382 en zeker sinds 1454 bekend als de Sint-Lucasgilde, is mogelijk de eerste beroepsgilde die, in 1434, een volledig eigen kapel heeft bekomen – een eer die later evenwel door de linnenwevers wordt opgeëist. De Sint-Lucaskapel is overigens van alle kapellen rond de kooromgang de enige die haar oorspronkelijke functie heeft behouden.

Omdat de Sint-Lucasgilde in aanvaring komt met de eigengereidheid van zijn deken, Adam van Noort, gaat de opdracht voor het definitieve altaarstuk Sint-Lucas portretteert Maria en Kind naar een van de meest gerenommeerde leden: Maarten de Vos. Voor hem is deze realisatie in 1602 waarschijnlijk een van de meest eervolle van zijn lange loopbaan aangezien het altaarstuk representatief was voor de kunstenaarsgilde. Het tafereel, dat zich meer in een paleis dan in een schildersatelier afspeelt, brengt zowel de technische als de intellectuele aspecten van de stiel in beeld. De Vos voltooit nog de predellapaneeltjes maar door zijn overlijden in 1603 moet de uitvoering van de luiken overgelaten worden aan Otto van Veen en Ambrosius Francken. Door de aanpassing aan het modieuze portiekaltaar ca. 1754 geraken de panelen verspreid, maar door de Franse confiscatie worden ze herenigd en belanden ze uiteindelijk in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

In 1648–1649 worden de glasramen vernieuwd. De deken van de gilde, de vermaarde drukker Balthasar Moretus, bekostigt het middenraam met het wapen van de gilde. De oudermannen van de Glazenmakers schenken de beide zijramen.

In de baroktijd staan op de marmeren balustrade vijf kaarsenhouders (Peter I Verbrugghen, 1657–1658) in de vorm van een engel die elk een van de voorname kunstvormen in de gilde vertegenwoordigt: schilder-, beeldhouw-, bouw-, dicht- en drukkunst. Spijtig is dit originele kunstwerk verdwenen tijdens het Frans Revolutionair Bewind.

Slechts enkele kunstenaars vonden een laatste rustplaats in de kapel van hun gilde: naast Maarten de Vos, onder meer graveur ‘beeldsnijder’ Philip Galle († 1612), kunstschilder Cornelis de Vos († 1651) en beeldhouwer Peter I Verbrugghen († 1686). Hun zerken zijn echter verdwenen.

Afgeschaft in 1795, heropgericht in 1808, viert de Sint-Lukasgilde in 1854 zijn officieel 400-jarig jubileum met een gigantisch Landjuweel en met de inhuldiging van een altaartafel in haar oude kapel. Dit is de enige realisatie van de bijzondere commissie ‘voor de heroprichting van het altaar van de Sint-Lucasgilde in de oude kathedrale kerk van Antwerpen’. Blijkbaar volstaan de inkomsten van de tentoonstelling van oude schilderijen het jaar daarop in het Provinciehuis (het huidige bisschopshuis) niet voor de nodige dynamiek en financiën.

Het is wachten tot 1892, wanneer opnieuw beoefenaars van de glazenierskunst een geschenk in natura laten plaatsen. De Sint-Lucaskapel, de enige kapel van de kooromgang die toen nog niet heringericht was, bood het glazeniersatelier Stalins-Janssens de kans om zich ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum, vier jaar eerder, in de kathedraal met een eigen glasraam te vereeuwigen. Vandaar dat Sint-Augustinus en Sint-Alfonsus van Liguori, de naamheiligen van beide glazeniers, Lucas flankeren. Hoe realistisch van heel dichtbij de partituur van de engel rechts boven ook moge lijken, ze is pure fantasie, geen compositie. Hetzelfde atelier vervaardigde ook de beide zijramen met naamheiligen, eveneens op vraag van de kerkfabriek in monochrome grisailletinten om de kapel niet al te donker te maken, het linker ter nagedachtenis van Carolus Ludovicus Borre en Carolina Julia Smekens, het rechter op initiatief van Emile Dumont voor gestorven familieleden.

Wanneer ook mgr. Petrus Josephus Franciscus Sacre in 1893 zijn 25-jarig jubileum van pastoor-deken viert, laat hij met de giften van gelovigen van het decanaat een altaar oprichten ter ere van Sint-Lucas. Voor deze ijverige priester gaat het om meer dan enkel een nostalgische blik op een roemrijk verleden maar is het een symbolische aanzet om, in het spoor van de gilden van weleer, mee te ijveren voor de oprichting twee jaar later van het Verbond der Christene Vakverenigingen van Antwerpen en Omstreken (het huidige Beweging.net). De hele kapelstoffering wordt ontworpen en geleid door architect Frans Baeckelmans van 1892 tot 1894.

Het symmetrisch uitgewerkte retabel (Albrecht de Vriendt, 1893) ademt de sfeer uit van pieuze romantiek. Het traditionele thema van Sint-Lucas portretteert Onze-Lieve-Vrouw met Kind is verruimd tot Maria wordt door de kunsten geëerd. Op een imposante neoromaanse marmeren troon zetelt Maria met Jezuskind te midden van een gesloten bloeiende tuin met appelbloesem en vele bloemsoorten zoals lelies, rozen, klaproosjes. De ‘gesloten tuin’ is ontleend aan het Hooglied (4:12) en dient als zinnebeeld voor Maria’s Onbevlekte Ontvangenis. Met de oude stadsleuze ‘Fortunata Antverpia’ op de rug van de troon prijst Antwerpen zich gelukkig met Maria als stadspatrones. Bijgevolg verheerlijken de Antwerpenaren haar met de kunsten. De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal rechts op de achtergrond vertegenwoordigt niet alleen de kerk van de jubilaris, maar stelt ook de bouwkunst voor die Maria eert. Engelen met zang en vioolspel zorgen voor muzikale hulde. De wapenschilden van de Sint-Lucasgilde en van de rederijkerskamer ‘de Violieren’, die de troon flankeren, staan voor de plastische en de literair-muzikale afdeling binnen de Gilde.

Op het linkerpaneel, in het interieur van zijn kerk, wordt de biddende, knielende jubilaris mgr. Sacre gerugsteund door Sint-Jozef en verder op het linkerluik door zijn twee overige naamheiligen: Franciscus van Assisi en de apostel Petrus. Op het andere luik typeren Thomas van Aquino en Hieronymus de jubilaris als een man van theologische studie.

Een jaar later volgen de wand- en gewelfschilderingen door Jan Baetens. De reconstructieschildering op het gewelf is een interpretatie van de engelen van weleer. Bovenaan op de zijwanden pronken de wapenschilden van Antwerpse mecenassen en kunstenaars. Onderaan de oostwand, tegen een rode achtergrond, in het grote, sprekende wapenschild van de Sint-Lucasgilde, verklaren de drie lege, nog in te kleuren wapenschilden het werkwoord schilderen. Daaronder verwijst de bos gele bloemen (‘viooltjes’) naar de rederijkerskamer de Violieren, die in 1480 tot de gilde toetrad. De overkoepelende Sint-Lukasgilde nam haar literaire leuze over: ‘Uut jonsten versaemt’ (‘uit genegenheid bijeengebracht’ of ‘uit genegenheid samengekomen’). Sindsdien zinspeelde die op alle stielen die de gilde verenigde. Merk als laatste detail op hoe blauwe vloertegels afwisselen met witte met daarop de neogotische initialen ‘SL’.

De kapel van Sint-Jan Berchmans

voorheen Sint-Thomas van de bontwerkers

Kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint Jan Berchmans (WS)

Op de sluitsteen houdt een profeet met tulband, en buste, in beide handen een banderol. Begin 16de eeuw neemt het ambacht van de bontwerkers of ‘peltiers’ de kapel van de Sint-Thomaskapelanie over. Later wordt binnen het ambacht van de peltiers de natie van de lammerwerkers opgericht, met als patroonheilige Johannes de Doper, die Jezus als het Lam Gods had aangewezen. Daarom moest, na de Beeldenstorm, op het retabel van Maarten de Vos (1574) de toegemeten ruimte evenwichtig onder de beide patroonheiligen worden verdeeld: op het middenpaneel Het ongeloof van Thomas, op de luiken: De doop van Christus en De onthoofding van Sint-Jan de Doper. Via de École Centrale is het triptiek terechtgekomen in het KMSKA.

Theophile Smekens, rechter, jarenlang voorzitter van de Koninklijke Maatschappij ter Aanmoediging der Schone Kunsten in Antwerpen, en medestichter van het Sint-Vincentiusgenootschap in Antwerpen, laat door zijn vroegere studiegenoot Jean-Baptiste Bethune, eerst ter nagedachtenis van zijn overleden vader Charles (‘Carolus’) († 1861) en diens eerste en tweede echtgenote het linker glasraam plaatsen, vervolgens voor zijn overleden broer Louis († 1868) het rechter. Door een toevallig verloop van omstandigheden zijn ze opgevat als pendant van de glasramen die Bethune enkele jaren eerder in de tegenoverliggende Sint-Barbarakapel heeft aangebracht. Ten slotte geeft Theophile Smekens in 1887, ditmaal aan August Stalins en Alfons Janssens, de opdracht een glasraam te leveren ter ere van zijn zus Carolina Julia, zijn reeds overleden broer Emilius († 1869) en – niet het minst – voor zichzelf. Met zijn naamheilige Theofilus – hoger geplaatst – op de middelste lichtbaan, kan de opdrachtgever nog meer dan 30 jaar genieten van zijn ‘(na)gedachtenis’ … tot hij zelf de ogen sluit in 1921.

De uitzonderlijke heiligverklaring van een Vlaming door Paus Leo XIII in 1888 vormt de directe aanleiding tot de nieuwe toewijding van de kapel aan de patroonheilige van de Vlaamse studerende jeugd. De stoffering van de kapel wordt ontworpen door Adolphe Kockerols en uitgevoerd door architect Frans Baeckelmans. Ditmaal neemt de familie Legrelle de kosten volledig op zich, wat haar de kans biedt om haar naam aan de kathedraal te verbinden. In 1891 wordt de kapel ingewijd.

Aan de hand van de muurschilderingen van Jan Baetens en van het retabel van Piet van der Ouderaa kan men het korte leven van Jan Berchmans overlopen. De wapenschilden op de linkerwand duiden op de gemeenten waar hij verbleef, die op de rechterwand op zowel de pausen tijdens zijn leven als zij die bijdroegen tot zijn heiligverklaring.

Het retabel verhaalt op de achtergrond van zijn sterven enkele scenes uit zijn leven. Jan is misdienaar in de hoofdkerk van Diest, voor de zichtbaarheid hier vereenvoudigd tot een open veldkapel. Tijdens zijn noviciaat in Mechelen onderricht hij, nu in jezuiëtentoog, ’s zondags catechismus aan kinderen in de buitenparochies. Vanuit Antwerpen vertrekt hij met enkele confraters voor zijn verdere studies – te voet, via Loreto – naar Rome: vol vreugde knielt Johannes wanneer hij in de verte de Sint-Pietersbasiliek ontwaart. Na zijn eindexamen filosofie wordt hij zwaar ziek en hij sterft op 13 augustus 1621, amper 22 jaar oud. Op zijn sterfdag komen velen een laatste groet brengen. De blinde Catarina da Recanati geneest bij aanraking van het dode lichaam: het hoofdthema van het middenpaneel.

Al hoort de stijl van het schilderij thuis in het historisch realisme, het gefantaseerde interieur van een Romeinse loggia heeft niets weg van de barokke San Ignaziokerk of de sacristie waar zijn lichaam opgebaard lag. De weerspiegeling in de kandelaars spreekt tot de verbeelding.

Op de luiken staan de patroonheiligen en de wapens van Henri Le Grelle († 1872) en zijn verre verwante Marie-Therese Julie Le Grelle († 1888), met wie hij gehuwd was. Hoe verleidelijk ook voor allerlei stichtelijke interpretaties, de letters ‘A A A’ horen niet oorspronkelijk bij de familie Le Grelle, maar bij aangetrouwde familie en het blijft zoeken naar de eigenlijke betekenis ervan.

Op de predella staat Christus te midden van de twaalf apostelen. In het ooit vergulde reliekkastje boven het retabel rust een fragment van een kledingstuk van de heilige.

De kapel van de Nood Gods

voorheen Sint-Martinus van de wijntaverniers

kathedraal Antwerpen - Kapel van de Nood Gods (WS)

Traditiegetrouw is de meest oostelijke straalkapel, waardoorheen het zonlicht in de kerk binnenvalt, gekoppeld aan ‘Christus, het Licht van de wereld’, wat hier ook benadrukt wordt door het reliëf op de gewelfsleutel: Christus Salvator, die de wereld zegent. De kapel is traditioneel toegewijd aan Maria, die Christus het levenslicht schonk.

Gedurende ongeveer 100 jaar brengen de koorknapen hier elke avond Maria hulde met een antifoon. Door het jaar is dit het Salve Regina (Gegroet Koningin), wat ook de naam was van de toenmalige broederschap hier. Maar door de nieuwe Gilde van Onze-Lieve-Vrouw-Lof, opgericht in 1478, vindt het huldebetoon aan Maria meer en meer plaats in de ruime Mariakapel van de noordbeuk.

Vanaf 1476 wordt de kapel gebruikt door de gilde van de Oude Handboog tot zij, op vraag van het kapittel in 1590, verhuist naar de zuiderdwarsbeuk. In hun plaats komt de gilde van de Wijntaverniers die er in 1597 bij Maarten de Vos De Bruiloft van Kana voor bestelt.

In 1866–1867 wordt deze ruimte neogotisch heringericht als de kapel van de Nood Gods, een synoniem voor de Pieta of de Bewening van Jezus: het beeld toegeschreven aan Artus II Quellinus, dat centraal komt te staan. Met brede gebaren en met smartelijke blik hemelwaarts vertolkt Maria haar verdriet bij het levenloze lichaam van haar Zoon. Het hoogbarokke houten beeld werd echter neogotisch gepolychromeerd.

De drie felgekleurde glasramen (Jean-Baptist de Bethune, 1866) tonen het leven van Jezus, met de nadruk op de Passie (linker- en middenraam) en zijn verheerlijking (rechterraam). Het eerste tafereel, De opdracht van Jezus in de tempel, opent thematisch het geheel want de bejaarde Simeon alludeert op Jezus als Licht van de wereld maar kondigt ook het lijden van Maria aan (Lc. 2:25–35).

De wandschilderingen naar ontwerp van Francois Durlet, 1861, zes jaar later uitgevoerd door Jan Baetens, zijn de oudste neogotische in de koorkapellen. Ze bestaan uit emblemen van vroegere gebruikers. Links: gekruiste pijlen en een handschoen van de Oude Handboog. Rechts: een wijnpers en een druiventros van de wijntaverniers, gebaseerd op een soortgelijke muurschildering uit 1597. Tegen de zijwanden lopen slierten distels en passiebloemen op, die symbool staan voor Jezus’ doornenkroon, waarbij zelfs de drie stampers van de passiebloem verwijzen naar de drie kruisnagels.

Als een vervolg op het Pieta-tafereel is er in de nis links van het altaar Christus in het graf, een witstenen beeld van Jan Baptist De Boeck en Jan Baptist Van Wint.

De kapel van Sint-Barbara

voorheen Sint-Crispinus en Sint-Crispinianus van de schoenmakers

Kathedraal Antwerpen - Kapel van Sint Barbara (WS)

Mogelijk was, sinds haar oprichting in 1485, de Jonge Handbooggilde hier thuis, tot haar verhuis naar de middenbeuk ca.1595. Vervolgens maakt enkel het ene ambacht van de huidenvetters en schoenmakers er gebruik van, maar sinds de splitsing in 1682 gaan de huidenvetters voor hun diensten naar de kapel van het godshuis in de Huidenvettersstraat. Op zijn altaartriptiek in de kathedraal laat dit ambacht Ambrosius I Francken maar al te graag zijn patroonheiligen Crispinus en Crispinianus in beeld brengen, die niet alleen voor de armen werkten en het christelijk geloof verkondigden, maar zelf ook schoenmaker van beroep waren. Het middenpaneel, met daarop hun fel aangedikte martelingen, werd opgeëist door de Franse bezetter en kwam uiteindelijk terecht in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. De luiken, die ca. 1674 afgenomen werden om het middenpaneel in het nieuwe barokke portiekaltaar te laten inpassen, blijven in het bezit van het schoenmakersambacht en worden na het concordaat van 1802 bewaard in de Sint-Carolus Borromeuskerk, waar de jaarlijkse gildemis nog steeds plaatsvindt.

Het gepolychromeerde laatbarokke beeld van Sint-Barbara door Jacobus II van der Neer (1826) is vervaardigd ter gelegenheid van de toewijding van de kapel aan deze heilige martelares en patrones tegen de onvoorziene dood. De oprichting van de broederschap ter ere van haar in 1877 vormt de aanleiding om de kapel te herstofferen naar ontwerp van architect Frans Baeckelmans (1889–1891), onder meer met een geschilderde retabeltriptiek van Jean-Baptiste Anthony (1891). Het middenpaneel vertelt de legende van de heilige Barbara. Centraal staat de jonge, beeldschone koningsdochter, in rijkelijk ornaat, met haar attributen: het zwaard van het martelaarschap en de toren waarin ze door haar vader werd opgesloten en waarin zij symbolisch een derde raam liet maken ter ere van de Drie-ene God, kern van het christelijk geloof. Op het linkertafereel krijgt ze onderricht in het christelijk geloof door Origenes, tot grote woede van haar vader die het niet eens is met haar bekering. Merk op dat het kruisbeeld in de handen van de christelijke leraar een getrouwe weergave is van het neogotische triomfkruis in de kathedraal. De gotische kerktoren in aanbouw in het landschap op de achtergrond mag geslaagd genoemd worden als speels naturalistische voorstelling van haar meest persoonlijk attribuut. Op het rechtertafereel staat de vader op het punt om haar eigenhandig met zijn zwaard te onthoofden. Op de predella wordt Christus geflankeerd door de vier evangelisten. De luiken tonen de patronen van de schenkers van de familie Lombaerts: links Sint-Cornelia en Sint-Jacobus, rechts Sint-Jozef en Sint-Jan de Doper.

Met de witmarmeren gedenksteen (Jozef Geefs, 1852, naar ontwerp van Francois Durlet) brengt de Maatschappij ter Aanmoediging van de Schone Kunsten hulde aan haar voorzitter Franciscus-Antonius Verdussen († 1850), schepen, volksvertegenwoordiger en sinds 1839 ook voorzitter van de kerkfabriek. In 1815 was hij lid van de delegatie die naar Den Haag trok om te bepleiten dat de schilderijen die uit Parijs terugkeerden maar in Brussel werden tegengehouden, toch naar Antwerpen zouden komen. De glasramen tonen patroonheiligen van de schenkers. Het linkerraam is vervaardigd door Jean-Baptiste Bethune in 1864, het middenraam en het rechterraam door het atelier August Stalins en Alfons Janssens in 1889–1890.

De kapel van de zalige Louis Frarijn

voorheen de Vier Gekroonden van de metselaars, steenhouwers en schaliedekkers

Kathedraal Antwerpen - Kapel van de zalige Louis Frarijn (WS)

Vanaf 1389 huisvest deze kapel de kostbare Besnijdenisreliek, totdat de nieuwe, Besnijdenisgilde, opgericht in 1427, er al snel mee verhuist naar de volgende kapel.

De muurschildering met de Calvarie herinnert aan de Broederschap van het Heilig Kruis, die hier tot 1492 het altaar deelt. De locatie voor beide lijdensdevoties is geen toeval vermits de warme zuidzijde symbool staat voor Jezus’ volle liefde, bereid tot totale opoffering van zijn leven. Omdat ook de erediensten voor de Oude Handbooggilde hier tot 1476 plaatsvinden, staat haar patroonheilige, Sebastiaan, bij die Calvarie.

De muurschildering met het wapenschild van de familie Bode daaronder herinnert aan de moord op schout Jan Bode in 1389. Tussen de nabestaanden van het slachtoffer en de moordenaars werd een verzoeningsovereenkomst gesloten, die vanwege het ritueel, ‘mondzoen’ wordt genoemd. De moordenaars Jan en Nicolaas van Wyneghem en Jan Winken werden verplicht een eeuwigdurende mis voor de zielenrust van Jan Bode te stichten.

Vervolgens behoort de kapel enkel nog toe aan het ambacht van de metselaars, steenhouwers en schaliedekkers, zeg maar een belangrijk deel van de bouwnijverheid. Hun patroonheiligen zijn de Vier Gekroonden: vier Romeinse martelaars die zelf het beroep hebben beoefend. Het altaartriptiek met Hun werk, Hun weigering om een afgodsbeeld te maken en Hun veroordeling, een werk van Frans II Francken uit 1598, bevindt zich in het KMSKA.

Aan de leegstand na het Frans Revolutionair Bewind sinds 1798 komt in 1868 een einde wanneer de ruimte wordt toegewijd aan Louis Frarijn, alias Ludovicus Flores, toen net zalig verklaard door paus Pius IX. Op het altaar rust een groot reliekschrijn, dat veel weg heeft van een gotisch kerkgebouw. Op de glasramen, in 1868 uitgevoerd door Henri Dobbelaere, naar een ontwerp van Louis Hendrickx, staan heiligen afgebeeld, die hoofdzakelijk een band hebben met Antwerpen of met het toenmalige aartsbisdom.

Op het linker- en rechterglasraam staan de missionarissen die Jezus’ evangelie naar Antwerpen brachten. Boven hen prijken de wapens die met hun geboorteplaats of origine verbonden zijn, onder hen de wapens van hun sterfplaats. Op het linkerraam: Sint-Eligius, Sint-Dymfna, en Sint-Amandus. Op het rechter: Sint-Wilibrordus, Sint-Walburgis en Sint-Norbertus. Op het centrale raam staan geloofsgetuigen, die op hun beurt vanuit de eigen Vlaamse heimat het christelijk geloof elders uitgedragen hebben. Bij hen staan de wapens van hun geboorte- en sterfplaats onderaan, terwijl boven hen het wapen prijkt van hun eigen kloosterorde. Centraal staat de pas zaligverklaarde Antwerpenaar, Ludovicus Flores. Enkele jaren woont hij met zijn ouders in de Wolstraat, maar via Spanje emigreren zij naar Mexico. Ingetreden in de orde van de dominicanen, wordt hij omstreeks 1609 als missionaris naar de Filippijnen gezonden. In 1620 vertrekt Frarijn naar Japan, waar een hevige christenvervolging heerst. Onderweg wordt zijn schip buitgemaakt door Hollandse zeerovers, die hem uitleveren aan de Japanners. Samen met vele anderen sterft hij op 20 augustus 1622 in de buurt van Nagasaki de marteldood op de brandstapel. Dit verklaart op het glasraam het brandhout achter hem en de palmtak in zijn hand, als het teken van de hemelse overwinning in het martelaarschap.

Het stenen beeld van Frarijn, door Jan-Baptist De Boeck en Jan-Baptist Van Wint, dateert eveneens uit 1868. Een straatnaam op Linkeroever brengt hulde aan deze bewogen Antwerpenaar. Hij wordt geflankeerd door de jezuïet Sint-Jan Berchmans uit Diest en de minderbroeder uit het Brusselse, Sint-Franciscus van Rode, een van de negentien martelaren van Gorkum († 1572). Op de perkamentrol staan de namen van hen die zijn trieste lot deelden. In 1819 werd het epitaafschilderij van de familie Plantin hier geplaatst, zo dicht als mogelijk bij zijn oorspronkelijke plaats in de kooromgang.

De toegang tot de sacristie

voorheen de Besnijdenis,
Sint-Gregorius van de zeepzieders,
Sint-Ambrosius van de schoolmeesters

Ook deze ruimte was bedoeld als een bidplaats. Ten laatste in 1431 huisvest ze de Besnijdenisgilde en haar kostbare stadsreliek: Jezus’ voorhuid (of wat er voor moest doorgaan). Misschien verklaart dat een van de oudste muurschilderingen in de kathedraal (eerste helft 15de eeuw), de legendarische Sint-Gregoriusmis, waarvan het meest opvallend restant de Man van Smarten is, met een in reliëf uitgewerkt aureool. Tijdens de consecratie zag paus Gregorius op het altaar de lijdende Christus staan, een geliefd laatmiddeleeuws eucharistische thema om te benadrukken dat de hostie in de eucharistie het werkelijke ‘Lichaam van Christus’ is. Een parallel met de besnijdenisreliek lag voor de hand. Omwille van de stadsreliek was ook het stadsbestuur hier thuis, maar zij verhuist reeds ca. 1497 naar de nieuwe, ruime ‘Besnijdeniskapel’ (de huidige Sint-Antoniuskapel), de Besnijdenisgilde en de reliek volgen een 15-tal jaren later.

Sinds de bouw van de achterliggende kapittelsacristie in 1482–1487 gaf een nauwe deuropening, rechts, er toegang toe, totdat ze in 1736 werd vervangen door de ruime barokke poort (Cornelis Struyf), bedoeld om ceremonieel in processie te kunnen vertrekken. Spijtig genoeg is hiervoor de aanbiddende Sint-Gregoriusfiguur voorgoed weggekapt. Ook betreurenswaardig – maar niet onherroepelijk – is het feit dat het middeleeuwse poortje in 2014 weer werd dichtgemetseld.

In 1497 krijgt de kapel als gebruiker de Sint-Gregoriusgilde van de zeepzieders, komende uit de Venerabelkapel. De aanwezigheid van de oudere Sint-Gregoriusschildering is voor deze keuze waarschijnlijk niet vreemd geweest. Voortaan staan het altaar en de kapel dan ook bekend onder de naam van Sint-Gregorius terwijl de decoratieve lederen emmersjablonen die op de muur zijn gekleefd (maar weer onder het witsel verborgen zijn), de beroepsactiviteiten van de zeepzieders illustreren. Vanaf 1585 krijgen zij het gezelschap van de onderwijzersgilde, wat al snel resulteert in een nieuw, gemeenschappelijk altaartriptiek (door Frans i Francken).

Het glasraam, ontworpen door Pieter van der Ouderaa en uitgevoerd door August Stalins en Alphonse Janssens in 1881, is een geschenk van de familie Geelhand ter herinnering aan kanunnik Christiaan Geelhand († 1731). Onder de traditionele naamheiligen, Sint-Christianus en Sint-Lodewijk, luidt zijn leuze ‘Animo et Fortitudine’ (begeesterd en gesterkt). De marmeren cenotaaf van bisschop Ambrosius Capello stond oorspronkelijk in het hoogkoor.

Omdat de voormalige kapittelsacristie sinds 1803 vooral dienst doet als grote sacristie voor de zijaltaren in de kooromgang en vooral voor het parochie-altaar (het hoofdaltaar en vanaf ca. 1960 het vieringaltaar) is deze voormalige koorkapel de enige die haar oorspronkelijke functie niet heeft teruggekregen, maar fungeert ze enkel als doorgang tot de sacristie.

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede

voorheen Sint-Barbara

Kathedraal Antwerpen - Kapel Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede (MD)

Het deurtje naar het belendende dienstgebouw is hier wel bewaard. Sinds ca. 1487 gaf het toegang tot de kapittelbibliotheek, vermoedelijk sinds 1592, tot de kapittelzaal. In 1661 wordt de kapel in gebruik genomen door de nieuw opgerichte Broederschap van Sint-Barbara, die voor haar altaar Thomas Willebrord-Bosschaert een Christus aan het kruis van Antoon van Dijck (Dendermonde, Onze-Lieve-Vrouwekerk) laat kopiëren.

In de 19de eeuw is het enige vermeldenswaardige de vernieuwing in 1891 van het glasraam door het atelier Stalins-Janssens. Hiermee wilden de kinderen Gife hulde brengen aan hun vader Eugene Ludovic Gife, die 25 jaar lang de herstellingswerken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk leidde, en zijn echtgenote Hendrika Isabella Nuijens. Met de uitvoering van de zes naamheiligen in 15de-eeuwse stijl in heldere, geel-grijze pastelkleuren wilde men Rubens’ kleurrijke epitaaftriptiek De Verrijzenis (voor Jan Moretus en Martina Plantin) zo weinig mogelijk storen met het invallend licht van het (normaal veelkleurige) glasraam.

De herinrichting met onder meer het nieuwe altaar is het geschenk van de parochianen ter ere van het vijftigjarig priesterjubileum van mgr. Frans Cleynhens, ontslagnemend pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwparochie en deken van Antwerpen (1921). Hij verruimt het eerbetoon voor zijn persoon naar de gesneuvelden van de parochie in de Eerste Wereldoorlog. Bij de inwijding van de kapel is hij er echter niet meer bij. In 1922, amper een half jaar nadat hij ontslag heeft genomen overlijdt hij.

Op het altaarschilderij Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Vrede (Jozef Janssens, 1924) troont Maria met Kind in het koor van de kerk, waarin het hoofdaltaar in zijn toenmalige vorm staat. Voor hen knielt Koning Albert, in legeruniform, terwijl Jezus hem de olijftak van de vrede aanreikt. Koningin Elisabeth, die in verpleegstersuniform van het Rode Kruis een gewonde soldaat verzorgt, mag dan nog een suggestieve echo zijn van de oorlogspropaganda, deze voorstelling geeft alleszins aan hoe zij vaak de militaire gewonden bezocht en de populariteit van het Belgische Rode Kruis gestimuleerd heeft. Beide vorsten worden geruggesteund door hun respectieve patroonheilige, Albertus van Leuven en Elisabet. Rechts van Maria staat de jubilaris mgr. Cleynhens, links kardinaal-aartsbisschop Mercier met in de hand zijn befaamde herderlijke brief van Kerstmis 1914, waarin hij de Duitse agressie, willekeurige terechtstellingen van burgers en verwoestingen fel aan de kaak stelt en daartegenover de ware vaderlandsliefde aanprijst. Op de marmeren troon leest men de aanroeping ‘Regina Pacis OPN’ (Koningin van de Vrede, bid voor ons’), de titel die paus Benedictus XIV tijdens de Eerste Wereldoorlog aan Maria verleende. De vijf kleine taferelen op de predella geven een beeld van het oorlogsgebeuren in even zoveel steden. Centraal staat Antwerpen, omgeven door steden die veel zwaarder getroffen werden door de Duitse bombardementen. Van oost naar west: Dinant, Leuven, Ieper en Nieuwpoort.

Tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen die deels in de kathedraal plaats vindt, geniet de toespraak van kardinaal Mercier grote persbijval, zoals samengevat door een journalist: Vóór 1914 was de sport een middel tot voorbereiding van de oorlog. […] Maar thans dient zij ter voorbereiding van de vrede. […] Zij dient ons als een sociale leerschool, […] zij leert ons zelfbeheersing en tucht, ridderlijkheid en fierheid. […] wij moeten doordrongen zijn van de sociale betekenis van de sport, die niet alleen onze spieren staalt en ons sterk maakt, maar die ook helpt aan het beter worden van ons wezens.

De bronzen gedenkplaat tegen de wand brengt hulde aan elk van de 45 gesneuvelde parochianen. Hiermee werd gehoor gegeven aan de uitdrukkelijke wens van de kardinaal om hun liefde-offer voor onze vrijheid te blijven koesteren. Denkend aan de Amerikanen die per schip – op een boogscheut ervandaan – in Antwerpen aankwamen, liet Mercier persoonlijk in deze kerk een gedenkplaat aanbrengen: om de Verenigde Staten te danken voor de ruime hulp die zij tijdens de oorlog onder meer door voedselbevoorrading hadden geboden. Eveneens nabij de ingang van deze kerk richtten de Britten in 1927 – zoals in een dertigtal Franse en Belgische kathedralen – een gedenkteken op voor de gesneuvelde soldaten van het Britse Gemenebest.

De kapel van het heilig Hart van Jezus

voorheen Sint-Bonifatius van de kleermakers

Kathedraal Antwerpen - Kapel van het Heilig Hart van Jezus (UA)[:f]

De gewelfsleutel met zingende engelen dateert pas van rond het midden van de 15de eeuw, maar over de oudste gebruikers van de kapel is niets bekend. Ca. 1630 schildert Artus Wolffort De aanbidding der wijzen voor het altaar in de Sint-Bonifaciuskapel van de kleermakers. Na het Frans revolutionair bewind komt het schilderij via het lokale academiemuseum terecht in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

De pastoor, later kardinaal-aartsbisschop, Engelbert Sterckx, richt in 1825 de eerste broederschap op van het Heilig Hart van Jezus in België. Het altaar, naar het ontwerp van Francois Durlet (1844), is de eerste neogotische realisatie in de kathedraal en een van de eerste in Antwerpen. Het gepolychromeerde retabelbeeld van het Heilig Hart, door Frans De Vriendt toegevoegd in 1874, typeert de strenglineaire, onbezielde kerkelijke neogotiek. Het is toch wat bizar dat uitgerekend een beeld dat zo focust op Jezus’ grenzeloze liefde geen spoor van hartelijkheid vertoont. De kerkelijke kunst was toen al te zeer in dienst van dogmatische abstracties. Christus wordt geflankeerd door Franciscus van Sales en Johannes, de enige evangelist die vermeldt dat er bij het doorsteken van het hart water en bloed uit de wonden van Jezus vloeiden (Joh. 19:33).

Op de muur ertegenover toont het schilderij De verschijning van Christus aan de heilige Margaretha Maria Alaqoque (Corneel Seghers, ca. 1844). In 1673–1675 kreeg deze zuster in haar klooster te Paray-le-Monial een verschijning van Christus, die aan haar zijn hart toont.

Ofschoon enkel zichtbaar als zijdewonde staat het doorboorde hart centraal op het glasraam De devotie tot het Heilig Hart vindt zijn oorsprong in Jezus’ kruisdood (Edouard Didron, 1872), waar een dertigtal heiligen uit alle tijden geschaard staat rond de bewening van de dode Christus.