De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

Een kathedraal staat nooit alleen

Je bezoek aan de kathedraal begint niet aan de ingang, maar al van op verre afstand wanneer je de hoge kerktoren ontwaart, vanuit het vliegtuig, vanop de snelweg, of als voetganger in de nauwe straatjes rondom. Bovendien stond een kathedraal (A) nooit alleen! We hebben een wat vertekend beeld van zo’n kerk door haar als monument apart te zetten, los van de omgeving, waardoor we haar sociale en culturele uitstraling, vroeger en nu, niet meer zien. Vormde de Grote Markt met de ambachts- en gildehuizen en het stadhuis het economische en politieke centrum, dan vormde de hoofdkerk en haar annexen het middelpunt van vele sociaal-culturele instanties. Zo lagen de beide longen van de stad eeuwenlang dicht bij elkaar.

Woningen

De ambtswoning voor de pastoor(-deken) (B) in de naburige Sint-Pietersstraat 1, voorheen op de plek waar nu de ingang van de parking is aan de kant van de Eiermarkt. Tot aan het Frans Bewind waren de woningen van de kanunniken (C) bij voorkeur gelegen rondom het uitgestrekte Groenkerkhof, terwijl de kleinere behuizing van het kerkpersoneel (D) onder meer te vinden was aan de voet van de torens en tegen de kerkmuren. Door de aanbouw van huizen tegen haar wanden was de kathedraal als het ware vergroeid met haar stedelijke omgeving. De stedenbouwkundige visie om de kerk als monument apart te benaderen, zette aan tot een gehele ontmanteling van alle omringende huizen, maar bleef beperkt tot de afbraak van de huizen tegen de westgevel in 1860 en 1887, en aan de Blauwmoezelstraat in 1859 en 1876.

Na de oprichting van het bisdom Antwerpen in 1559 wordt het bisschopshuis (E) ondergebracht in het refugehuis van de Sint-Bernardusabdij van Hemiksem. In de 18de eeuw bouwt Engelbert Baets het huidige classicistische paleis, waar nog steeds de ambtswoning van de bisschop en de curia van het bisdom in gehuisvest zijn.

Foto’s van Louis Dubois de Nehaut, 1861: het huis aan de voet van de noordertoren wordt afgebroken in 1860, het huis tegen de zuidertoren in 1887

De kerkhoven

Ook de doden verbleven hier nog een tijdje. Vergeten we niet dat er bij deze stadskerk  ooit meerdere kerkhoven hoorden. De grootste werd genoemd naar het gras, waar 80% van de parochianen anoniem kwam onder te liggen: het ‘Groenkerkhof’ (M1). De straat die erop uitgaf heet nog steeds de Groenkerkhofstraat. Het decreet van keizer Jozef ii in 1784 om uit hygiënische bekommernis de kerkhoven in steden te verbieden, maakte in 1799 het huidige plein ‘Groenplaats’ mogelijk. Bij de veel vroegere opruiming van het ‘stenen kerkhof’ (M2), aan de westkant van de kerk, in 1617, ijvert de kunstminnende Cornelis van der Geest voor het behoud van de grafzerk van Quinten Metsijs, die door zijn plaatsing, verticaal tegen een steunbeer van de grote toren, ongewild het eerste publieke monument werd voor een burger van deze stad.

Sociale werking

Begin 13de eeuw werd naar middeleeuwse traditie nabij de toenmalige romaanse kerk – het ‘huis van God’ – een ziekenhuis gesticht, in de volksmond het ‘gasthuis (van God)’, waar men, vanuit Jezus’ duiding van de ‘werken van barmhartigheid’ de arme, behoeftige zieken, als gast ontving en in hen Christus zelf. Dit ‘Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis’ (F) verhuisde aldra in 1238 naar de ruime plek van het Elzenveld aan de huidige Lange Gasthuisstraat, waar het uitgroeide tot een heus complex met aanpalend klooster voor de gasthuiszusters, en kreeg het een nieuwe patroonheilige: Sint-Elisabeth.

In het huis De Tafel van de Heilige Geest (G), in de straat die er haar naam, de ‘Heilige-Geeststraat’, aan ontleent, konden de armen vooral voor voedsel terecht, maar ook voor schoeisel en turf, vaak in ruil voor de gepaste armenpenningen die hen in de kerk bedeeld waren. Deze stichting uit de 13de eeuw vormt in feite de voorganger van het huidige OCMW (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn). Vandaag is er ook voor wie behoefte heeft aan een gesprek ‘De Open Deur’ (H1) in de Pelgrimsstraat nr. 27, en ook voor zingevingsvragen ‘Luisterhuis Aanwezigheid’ (H2) boven de Schoenmakerskapel aan de Schoenmarkt nr. 8.

18de-eeuwse koorknaap, oftewel Corael van Ons Lieve Vroue, ingekleurde prent uit een serie van Kerkelijke habijten, 18de eeuw - © TOPA-Documentatiecentrum · Antwerps Kerkelijk Erfgoed

Onderwijs & Cultuur

De oudste kosteloze openbare school van Antwerpen, die reeds dateert van voor 1219, was de zogenaamde ‘papenschool’ in de gelijknamige ‘Papenstraat’, genoemd naar de parochiale geestelijkheid, de ‘papen’. Deze Latijnse school verstrekte middelbaar onderwijs, tussen de elementaire ‘Dietsche school’ en de universiteit, alias de ‘Hogeschool’. Later was deze parochieschool gelegen boven de wijnkelder van de kanunniken. Toen onder meer Balthasar Moretus en Rubens er ca. 1589–1590 school liepen, was ze tijdelijk gevestigd op de Melkmarkt.

Het Choraelhuys (J) was sinds 1421 gehuisvest vlakbij het pas voltooide koor, aan de Melkmarkt. Zoals gebruikelijk, waren er gemiddeld zo’n acht koralen, die er met hun ‘zangmeester’ samenwoonden. Tot in de 18de eeuw was het dagelijks een vertrouwd gezicht wanneer zij met hun bonnet en in hun purperen toog via de Groenplaats naar de kerk togen. Als leerhuis van het Antwerps Kathedraalkoor werd het ‘Choraelhuys’ in 1973 opnieuw opgericht en vandaag is het gevestigd in het parochiecentrum, aan de Heilige Geeststraat nr. 21.

In 1608 beslist het kapittel tot de oprichting van een eerste openbare bibliotheek (K), aanvankelijk gevestigd in het Papenhof, nadien definitief ondergebracht in het meer toegankelijke priesterseminarie. Promotor is kanunnik Aubert le Mire (Miraus). Zijn boekenbezit werd overigens de eerste kern van de stadsbibliotheek, nu de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience.

Het priesterseminarie (L) van het bisdom Antwerpen, bevond zich aan de Groenkerkhofstraat, nabij het bisschoppelijk paleis. In de 18de eeuw kreeg het onderdak in een naburige riante patriciërswoning.

Voor de nodige inkomsten zorgde het befaamde Onze-Lieve-Vrouwepand (N), een kunstmarkt, bestaande uit overdekte galerijen rondom een open binnenplaats zoals de Beurs. In deze handelsplaats, opgericht in 1460, werden onder meer de vermaarde Antwerpse retabels geëtaleerd om clientèle te vinden. Exact een eeuw later, in 1560 werd het pand gesloopt voor de aanleg van de Korte en Lange ‘Pandstraat’, waar de verhuur van huizen meer opbracht.