De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

Alle registers open: de orgels

Tot aan het Franse Bewind stonden er in de kerk drie orgels opgesteld op een doksaal van een specifieke ruimte: een in de Mariakapel, een in de Venerabelkapel en een positief-orgeltje op het koordoksaal ter begeleiding van de kanunniken in het koor. Daarnaast was er het ‘Grote orgel’ in de zuiddwarsbeuk boven de toegang tot de kooromgang. Nadat zijn eerste instrument door de Beeldenstorm totaal was verwoest, bouwde Gillis Brebos snel een nieuw instrument (1568), waarmee hij internationale faam verwierf. Bij de ‘zuivering’ door het calvinistisch kerkbestuur in 1581 bleef dit orgel wijselijk, voor eigen nut, gespaard. In de katholieke herstelcampagne vervaardigt Servaes van den Broeck in 1597 voor de bekroning van de renaissancistische orgelkast een nieuw Mariabeeld waarbij de rechterarm van de kleine Jezus mechanisch kon bewegen. Wanneer een hulpregister werd uitgetrokken, maakte het Kind een zegenend gebaar! Dat moet zeker menig kind (en volwassene) hebben doen opkijken. De organist die in dienst was van het kapittel en de kerkfabriek, werd doorgaans ook in dienst genomen door de beide devotiekapellen, met ander woorden, dezelfde handen bespeelden elk van de vier orgels in deze kerk. Enkele beroemde organisten waren achtereenvolgens Raymundus Waelrant vanaf 1585 en John Bull vanaf 1615. Deze voormalige hoforganist van koningin Elisabeth van Engeland was een orgelvirtuoos met een vernieuwende klavierstijl van internationale betekenis. Zijn opvolger, Hendrik Liberti van Groeninghen, was eerst als koraal en vanaf 1628 meer dan veertig jaar als organist aan deze kerk verbonden. Zijn bekendheid buiten de muziekwereld heeft hij te danken aan zijn portret door Antoon van Dyck. Hij adviseert ook bij de uitbreiding van het grote orgel en de bouw van de barokke orgelkast in 1657, met beeldhouwwerk van Peter I Verbrugghen naar een ontwerp van Erasmus II Quellinus. Alhoewel het tijdens het Frans Bewind verkocht wordt, blijft dit orgel in zijn geheel in de kerk hangen en verhuist het in 1805 naar een nieuw doksaal tegen de westwand van de middenbeuk. In 1889 begint Pierre Schijven met de bouw van een romantisch orgelinstrument met vier handklavieren met elk 56 toetsen, een voetklavier met 30 toetsen, en negentig registers. Het volume van de magazijnbalken is er met bijna 13.800 liter aan aangepast. De meeste van de 5.777 sprekende orgelpijpen – ook de grootste van ca. 10 m hoogte – gaan schuil achter het oude barokke orgelfront, waar onder meer reeds de twee torens aan toegevoegd waren. Dit meesterwerk van de 19de-eeuwse orgelbouw en tevens het grootste historische orgel van België is bijzonder geschikt voor symfonische muziek gecomponeerd na ca. 1840. De eer om het in 1891 in te spelen was dan ook voor Alphonse Mailly en de Franse orgelsymfoniecomponist Charles-Marie Widor.

Op de top, vlak boven de datum ‘1657’, staat een engel met een laurierkrans en een rechte trompet. In de nis zit Sint-Cecilia, patrones van de kerkmuziek. Terwijl ze met de vinger de partituur op haar schoot volgt, slaat ze met de rechterhand de maat. Links naast haar staat een portatief orgeltje, rechts bespeelt een engel een triangel met ringetjes. Bovenop de beide vooruitspringende pijpenbundels staan twee engelen met een vergulde lauwerkrans. Op het niveau daaronder zitten vier grote engelen: van links naar rechts een met een gitaar, twee met een vijfsnarige lier, en een met een aartsluit. Onder het pijpwerk hangen trofeeën met muziekinstrumenten: strijkers, blazers en slagwerk. Van links naar rechts: [1] viool, tenorblokfluit, barokgitaar, triangel met (vijf) ringen, [2] harp of lira da braccio (met strijkstok, ook armlier), cornetto, pommer, twee blokfluiten, [3] tamboerijn, luit, doedelzak, pommer, [4] gebundelde fluiten, trommel, cornetto (kromme zink), houten dwarsfluit en een panfluit.

kathedraal Antwerpen - Het Metzlerorgel (1993) (WS)

Naast de plaats waar vroeger in de zuiderdwarsbeuk het grote orgel hing, komt in 1993 een orgel van de Zwitserse firma Metzler. ‘Waarom een tweede orgel?’ vragen velen zich af. Het vangt de twee nadelen van het Schijvenorgel op: het staat dichter bij het liturgisch gebeuren en is geschikt voor oude, vooral barokke muziek. Het klassieke instrument telt drie handklavieren met elk 54 toetsen, een voetklavier met 30 toetsen, 45 registers en 3.322 sprekende orgelpijpen.

Bij het aanhoren van majestueuze orgelklanken komt de ziel van de kathedraal tot leven, tijdens de eredienst, tijdens de orgelconcerten, of bij officiële gelegenheden zoals het Te Deum: U God, loven wij. U, Heer, prijzen wij. Sinds 1963 is de concertvereniging Antwerpse Kathedraalconcerten vzw (AKC) actief, die jaarlijks in de zomermaanden een internationale orgelcyclus organiseert en sinds 1993 een reeks middagconcerten: ‘Orgel na de noen’.

Vanuit een eeuwenoude traditie verzorgen de koorzangers op zon- en feestdagen de diensten in de kerk. De oudste aanwijzing van georganiseerde zangers dateert uit 1362. Zoals gebruikelijk, ook aan de hoven, waren er gemiddeld zo’n acht ‘koralen’ (Choraelhuys). De zangmeesters, onder wie grote namen als Johannes Ockeghem en Jacob Obrecht in de 15de eeuw, Gerardus van Turnhout en Severin Cornet in de 16de eeuw, maken de Antwerpse zangkapel tot een begrip in de toenmalige wereld. Vanaf de 17de eeuw werd het gebruikelijk instrumentisten bij de koorzang in te schakelen, wat in de daaropvolgende eeuw uitgroeide tot een volledig orkest, met als beroemde kapelmeesters Joseph Hector Fiocco en de excentriekeling Willem de Fesch. In de 19de eeuw worden de plechtige diensten steevast opgeluisterd door groot koor en orkest. Dit gebeurt ook nog in de twintigste eeuw onder kapelmeester Emiel Wambach (1894–1919) en onder zijn opvolger, de even zo befaamde kapelmeester-componist Lodewijk Devocht. Hierbij moet gestipuleerd worden dat de sopraanpartijen steeds door knapen werden gezongen. Het begin van de 20ste eeuw luidt ook de restauratie in van het gregoriaans. Daartoe werd in 1927 een knapenkoor (her)opgericht, ter versterking van het bestaande kathedraalkoor, maar dat evenzeer zelfstandig instond voor de gregoriaanse zang tijdens de diensten. In de evolutie na het Tweede Vaticaans concilie legt het kathedraalkoor zich toe op de volkszang en de polyfonie. In 1973 wordt de ‘vzw Choraelhuys, vrienden van het Antwerps Kathedraalkoor’ opgericht, die de materiele zorg voor de werking van het koor grotendeels op zich neemt. Het Antwerps Kathedraalkoor is het enige titulaire jeugdkoor in Vlaanderen dat verbonden is aan een kathedraal. Meisjes en jongens zingen op hoogdagen samen, maar als zelfstandig koor wisselen ze elkaar ook af voor de gewone zondagen.