De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

De Tenhemelopneming van Maria
(Cornelis Schut)

Kathedraal Antwerpen - De vieringlantaar (JV)
Kathedraal Antwerpen - Tenhemelopneming van Maria (Cornelis Schut) (JV)

Voor het thema van Maria’s tenhemelopneming is er voor Cornelis Schut geen dankbaarder locatie dan de hoogste plek in het interieur van de kathedraal, waardoor zijn plafondschilderij voor de toeschouwer zelfs Rubens’ altaarstuk qua inlevingsvermogen overtreft. Bij het opkijken word je willens nillens getuige van ‘Maria’s tenhemelopneming’, met het risico op een pijnlijke hals. Dit ronde schilderstuk (1648) met een diameter van bijna 6 m is zelf ook op 43,7 m, hoog ‘ten hemel’ verheven. Meer nog, de trompe-l’oeil stuurt Maria’s opneming de eindeloze hemel in.

De onderste geledingen met zwevende engelen vormen de aanzet tot een opwaartse stuwende beweging. Ze musiceren vol vreugde zoals de oorspronkelijke, begeleidende tekst in grote letters in de koepellantaarn het aangaf: ASSUMPTA EST MARIA IN CAELI, GAUDENT ANGELI (Maria wordt ten hemel opgenomen. Engelen, verheug u), ontleend aan het offertorium van het betreffende feest. Op het middenplan staat Onze-Lieve-Vrouw, duidelijk in het blauw, geheel in het hart van deze kolkende menigte engelen. In haar kleed werd het sluitstuk bijna ongemerkt verwerkt voor de opening waarlangs men het schilderij met touwen moet aan kunnen optrekken. Ten slotte wacht Maria een heuse ontvangst in de hemel door haar Zoon, God de Vader, en – als je heel goed kijkt – de Heilige Geest, in de gedaante van een duif, tussen beiden in. Maria, die al haar eindbestemming bij God in de hemel heeft gevonden, wordt hier bijzonder in de verf gezet, omdat juist dit feest van de tenhemelopneming van Maria het patroonsfeest is van de hoofdkerk, de stad en het bisdom. Al wie hier over de vloer komt, wijst zij het uiteindelijke doel van het leven op aarde: de opgang naar het eeuwig geluk bij God in de hemel.

Het hoeft alvast niet te verbazen dat uitgerekend dit schilderij door de Franse overheersers niet ontvreemd werd, gezien de logistieke uitdaging die daarmee gepaard ging. De hoge vieringkoepel leende zich al eens tot een verheven liturgisch schouwspel, met navenante klanken. Zo werd in de baroktijd op Pinksteren, eerst de donder nagebootst, vervolgens een opgespannen doek opengerold, waarop in een waar verrassingseffect een grote cascade van rood papieren kaders neerviel alsof de ‘vurige tongen’ die eens de apostelen bezielden, ook hier over de aanwezigen neerdaalden. Voor de luisterrijke viering van de kroning van het Mariabeeld op 15 augustus 1899, met muziek van kapelmeester Emile Wambach, was een betere locatie niet denkbaar: Terwijl bazuinstoten uit den hoogen koepel galmden en een koor van engelachtige zoete kinderstemmekes het Regina Caeli zoo volzalig door de beuken weefde, zette kardinaal Goossens met plechtig gebaar de gewijde kroon met haar biggelende paarlen op het hoofd der Moeder Gods. ’t Was grandioos als een hemelsch gebeuren, en joeg een devote gloed van verrukking onder de oude gewelven wanneer het grootsche orkest insloeg en het beeld der Lieve-Vrouwe eenige voeten van zijn voetstuk statiglijk in de hoogte rees …