De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring.

De Verrijzenis
(Pieter Paul Rubens)
het epitaaf van Moretus

Kathedraal Antwerpen - De verrijzenis van Christus (PP Rubens) (WS)

Na de twee dramatische taferelen van Jezus’ kruisdood in de dwarsbeuk krijgen we van dezelfde barokgrootmeester bij de kooromgang het wonderlijke tafereel van Jezus’ verrijzenis te zien. Het vormt het middenpaneel van het epitaaf uit 1612 voor Jan Moerentorf († 1610) en zijn echtgenote Martina Plantin († 1616). De man, beter bekend onder zijn Latijnse naam Johannes Moretus, was de schoonzoon van Christoffel Plantin en volgde hem op als zaakvoerder van de wereldberoemde Antwerpse drukkerij. In 1794 wordt het middenpaneel als oorlogsbuit weggevoerd naar Parijs, maar keert samen met de luiken na de nederlaag van Napoleon gelukkig terug naar Antwerpen en wordt enkele maanden later, in 1816, opnieuw voor de kathedraal bestemd. Enkele jaren later, in 1819, laat de familie Moretus het grafmonument deels reconstrueren, met een marmeren gedenkplaat en als bekroning een paar engelen (Jan-Frans van Geel) die het medaillonportret tonen van Johannes Moretus (Willem-Jacob Herreyns naar het ondertussen verloren origineel door Rubens). Zo hangt de triptiek nu op een minder opvallende plek, in de huidige Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede, maar toch dicht bij zijn oorspronkelijke plaats in de kooromgang, waar het echtpaar begraven lag.

Het thema van Jezus’ Verrijzenis, kern van het christelijk geloof, staat in direct verband met de functie van het kunstwerk als gedachtenismonument voor overledenen want hiermee wordt verbeeld dat Gods eeuwige liefde onstuitbaar is en het haalt op de dood. Ook wie als belangrijk zaakvoerder met het aardse omgaat maar er niet in opgaat, heeft net als Jan Moretus, oog voor zo’n ver-strekkend perspectief.

De beide buitenluiken beelden elk een deurvleugel af met een engel ervoor die op het punt staat stijlvol, tegelijkertijd met zijn collega, de deur van het graf te openen.

Kathedraal Antwerpen - De Verrijzenis van Christus (PP Rubens) Middenpaneel - detail (UA)

Eens de luiken geopend, treedt Christus zegevierend tevoorschijn uit het donkere rotsgraf, omstraald door een schitterend licht. Jezus’ forse lichaamsgestalte, zijn opwaartse beweging en zijn attributen, de palmtak die Hij in de hand houdt en de banier waarop Hij steunt, zetten zijn overwinning op de dood kracht bij. Het licht dat van de verrezen Jezus uitgaat, verblindt in dit vroege morgenuur de verbijsterde soldaten, die elk op een eigen wijze achteruit deinzen: de ene verbleekt en verstijft van doodsangst (naar Mt. 28:4), de andere vlucht in paniek weg, nog een andere schermt zich van het felle licht af terwijl de man vooraan, die achterover is gevallen – in een gedurfde perspectivische verkorting – wegkruipt. In de rechterbenedenhoek zit een laatste getuige dit wonder verstomd gade te slaan.

Op de binnenluiken wenden de respectieve patroonheiligen van het echtpaar zich naar het middenpaneel. Op het linkerluik staat Sint-Jan de Doper, in ruwe pij met op de grond het zwaard waarmee hij onthoofd werd. Op het rechterluik houdt Sint-Martina de martelaarspalm vast. Zij werd doodgemarteld, omdat ze weigerde te offeren voor een heidense afgod. Ter illustratie van de uiteindelijke overwinning van het christendom stort achter haar de tempel van Apollo in. Martina Plantin staat in deze kerk nog een tweede maal afgebeeld, namelijk geportretteerd als kind op het epitaaf dat Jacobus De Backer in 1591 schilderde voor haar ouders, Christoffel Plantin en Jeanne Riviere.

Het thema van twee engelen die de deurvleugels achter zich openen, is ontleend aan een antiek grafaltaar dat Rubens te Rome in de verzameling Mattei (nu Vaticaan) heeft nagetekend. De twee gevleugelde victories die de deur van de Hades bewaken, konden immers gemakkelijk in overeenstemming worden gebracht met de twee ‘engelen’ die volgens het Lucasevangelie (Lc. 24:4) het graf van Christus bewaakten. Misschien werd het idee daartoe bemiddeld door een ophefmakende vondst in 1608 of 1610 op de gronden van de Sint-Michielsabdij, Rubens’ naaste buur. Er kwam onder meer een Romeinse grafurne aan het licht in de vorm van een Antieke grafkapel met twee deurvleugels: ongetwijfeld een onderwerp van gesprek in humanistische kringen.

Om het kleurenpalet van dit epitaafstriptiek zo weinig mogelijk te ‘overschaduwen’ met gekleurde lichtinval, werd in deze kapel einde 19de eeuw geopteerd voor een glasraam in grisaille.