Het beeld van Sint-Petrus

Beeld in wit marmer, epitaaf voor Peter Saboth, door Artus I Quellinus, 1658

Vaak is barokkunst synoniem voor theatraliteit. Hier echter is het kunstwerk sereen en ingetogen. Het werd besteld als herdenkingsmonument, passend in het plan om alle zuilen van het schip te bekleden met het standbeeld van een apostel. Door een gebrek aan interesse van de gegoede parochianen bleef Petrus echter daar op een hoog voetstuk alleen staan en werd hij nadien naar beneden verplaatst.

De haan aan de voeten van Petrus herinnert aan de voorspelling van Jezus op het moment dat hij werd gevangengenomen: (…) voorwaar Ik zeg u: nog deze nacht, vóór het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen’ (Mt. 26:34). Zo geschiedde en onmiddellijk na het kraaien van de haan en bij de aanblik van Jezus “herinnert Petrus zich het woord (van Jezus)”, krijgt hij spijt en begint “hij bitter te wenen” (Mt. 26:75), aldus ook het Latijnse chronogram op het voetstuk: “Petro, reCorDantI VerbI, et aMare fLentI”. Intense gewetenswroeging overweldigt Petrus. In het beeld herkennen we zijn verdriet en de moeilijke worsteling met zijn geweten: om toch maar zichzelf te redden durft een mens zelfs zijn beste vrienden laten vallen. Zelfbehoud versus vriendschap, een eeuwige strijd. Uit liefde voor Jezus is Petrus uiteindelijk bereid te sterven. Om dat duidelijk te maken omarmt de apostel, trouw aan zijn legende, een omgekeerd kruis.