Het epitaaf van de hofdames van Mary Stuart

In albast, Robrecht en Jan de Nole, ca. 1620; portret, Frans II Pourbus, ca. 1620

De kerk telt onder haar bezoekers ook vele Britten, die er het grafmonument voor Elisabeth Curle († 1616) en haar schoonzus Barbara Moubray († 1620) komen bewonderen: beiden waren hofdames van Mary Stuart, koningin van Schotland. Deze Rooms-Katholieke vorstin, die ook de Engelse troon opeiste, werd onthoofd op bevel van koningin Elisabeth I in 1587 op de leeftijd van 45, na een gevangenschap van 19 jaar. Net als vele van hun katholieke landgenoten ontvluchtten beide hofdames hun land en kwamen rond 1613 in Antwerpen aan. Zij vonden hun toevlucht dicht deze kerk, toegewijd aan dezelfde heilige als Schotland.

Naar hun wilsbeschikking In 1620 gaf Hippoliet Curle, zoon van Barbara Moubray, opdracht tot een epitaaf. Het werd in de nabijheid geplaatst van hun nu verdwenen graven. Dit albasten epitaaf wordt vaak toegeschreven aan het atelier van Colyns de Nole, maar zonder enig bewijs. De patroonheiligen van de twee dames, Sint-Barbara met een open boek en St. Elizabeth van Hongarije brood bedelend, staan op de gedenkplaat aan weerszijde van de Latijnse tekst en het ovalen portret van de koningin. Deze laatste draagt een molensteenkraag volgens de mode van de tijd, een gevlochten kroon en een rouwkleed. Boven het portret troont haar patroonheilige: de Maagd en het Kind. Onder haar portret staat in het koper geschreven: ‘Mary, koningin van Schotland en Frankrijk, moeder van koning James van Groot-Brittannië’.

De kleine plaat verhaalt de geschiedenis van Mary Stuart:

“In het jaar 1568 zocht zij haar toevlucht in Engeland, door haar intrek te nemen bij haar verwante Elisabeth, die daar regeerde. Door de trouweloosheid van de senaat en de afgunst van de ketters werd ze na 19 jaar gevangenschap vanwege de godsdienst onthoofd; ze aanvaardde het martelaarschap op 45-jarige leeftijd in het jaar des Heren 1587.”

De grote tekst vertelt het verhaal van de twee dames:

“Aan de zeer goede, grote, en heilige God.

Reiziger, gij ziet het gedenkteken van twee adellijke dames uit Brittannië.

Dankzij de bescherming van de katholieke koning vanwege de rechtgeaarde godsdienst uit hun vaderland gevlucht, rusten zij hier in de hoop op de verrijzenis.

In de eerste plaats voor Barbara Moubray, dochter van de heer baron Johannes Moubray, die als hofdame van de doorluchtige Mary Stuart, koningin van Schotland, ten huwelijk werd gegeven aan Gilbert Curle, die meer dan 20 jaar secretaris van de koningin geweest was, en ze leefden 24 jaar samen zonder twist. Ze hadden acht kinderen, van wie zes in de hemel werden ingeschreven. De twee overlevende zoons werden voornaam in de studies opgevoed:

Jacob sloot zich aan bij de jezuïetenorde te Madrid in Spanje.

Hippoliet, de jongste, wilde opgenomen worden in de dienst van Christus in de Frans-Belgische provincie van de jezuïetenorde.

Deze is tot tranen toe bedroefd voor zijn zeer goede moeder Barbara Curle, die de 31ste juli in het jaar des Heren 1616 op 57-jarige leeftijd het vergankelijke leven met het eeuwige wisselde.

Eveneens voor Elisabeth Curle, tante uit hetzelfde edele geslacht van de Curles, eveneens hofdame van Mary, 8 jaar lange trouwe gezellin van de koningin, aan wie ze stervend de afscheidskus heeft gegeven; voor altijd ongehuwd, zeer kuis van zeden en zeer vroom.

Hippoliet Curle, de zoon van haar broer, heeft dit gedenkteken vanwege zijn dankbare inborst en zijn familiegevoel geplaatst.

Deze (Elisabeth) heeft de laatste dag van haar leven afgesloten in het jaar des Heren 1620, op 60-jarige leeftijd de 29ste mei.

Mogen ze in vrede rusten. Amen.”