De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Funeraria

Graven en zerken

Het is opvallend dat in een kerk die het Frans Revolutionair Bewind goed heeft doorstaan, zo weinig van de oorspronkelijke gedachtenistekens, grafmonumenten, epitafen en zerken tot ons gekomen zijn. In de zuidbeuk zijn ze verwoest door de instorting van de toren in 1755. Dat was onder meer het geval voor het familiegraf van het schildersgeslacht Francken, met het door stamvader Niklaas vervaardigde zelfportret.

De grafzerken alleen al zijn een studie waard. Wie lag waar? Lagen de pastoors op vaste plaatsen? Lagen de kapelaans en de onderpastoors binnen of buiten de kerk?

Vind je de kapelmeesters al dan niet terug in of nabij hun kapel? Het is spijtig dat slechts een gering aantal van de grafzerken die gekend zijn, ter plekke bewaard gebleven is. Zo is van de 27 muntmeesters en andere munters van de nabije Munt geen enkele zerk bewaard.

Opmerkelijk is dat bij de herbouw van de toren vanaf 1756 fragmenten van verbrijzelde grafzerken aangewend zijn voor dorpels en lintelen in de traptorens. Betreurenswaardiger is dat bij de restauratie van de jaren 1970–1975 de nog bewaarde grafzerken verplaatst zijn naar soms zeer ongelukkige plekken. Een aantal ligt zelfs niet meer in de traditionele west-oostrichting van de graven en sommige staan verticaal opgesteld tegen de wand of doen dienst als een soort vaste loper bij de hoofd- en een zijingang, waar ze al te zeer aan slijtage onderhevig zijn. De gedreven geschiedschrijver-pastoor Peter Visschers van Sint-Andries nam het initiatief om alle wetenswaardigheden van de in zijn tijd nog talrijke grafzerken minutieus te noteren. Zo spoorde hij de stadsarchivaris Peter Génard aan tot het schrijven van het onvolprezen monumentale werk voor de hele Provincie Antwerpen: Verzameling der graf- en gedenkschriften (1856–1905).

We kijken even naar de nog bewaarde exemplaren in de kerk. Soms wordt het graf ‘monumentum’, ‘rustplaets(e)’ of ‘begraefplaets’ genoemd of er wordt, zoals bij de oudst bewaarde zerk van Joost Boncamp (1595), gewoon meegedeeld: ‘Hier leet begrave …’ De opschriften volgen een vast stramien:

Bovenaan prijkt de opdracht ‘D.O.M.(S.)’ (Deo Optimo Maximo Sanctissimo; Aan God de Allerhoogste, de Almachtige, de Heiligste).

Dan komt, volgens het sociale patroon van die tijd, de naam van de man, vaak met vermelding van zijn beroep of functie, soms van de leeftijd, en de sterfdatum. Daarna volgt de naam van de echtgenote, getypeerd als ‘syne huysvrouwe’, met sterfdatum en vaak met de namen van de kinderen.

Onderaan staat de vrome aanbeveling: ‘B.V.D.S.’ (Bid voor de zielen) of ‘R.I.P.’ ( Requiescant in pace; Dat zij rusten in vrede).

Onder de vermelde beroepen vinden we zowel een advocaat als een ‘outcleercooper’; de Vrijdagmarkt met haar traditionele markt van tweedehandskledij ligt nu eenmaal niet ver van de kerk. Verder is er een ‘oudt-deken’ van de kolveniers, meerseniers en de Oude Voetboog. Onder de vermelde functies van leken in de Sint-Andrieskerk en -parochie zijn er enkele kerkmeesters (aedilis in het Latijn) of oud-kerkmeesters, een ‘cleynen alemoessenier in deze kercke’ en een klokkenluider-grafdelver. Van een man, Jan de Briever, kapelmeester van de Onze-Lieve-Vrouwkapel, is geweten dat hij viermaal weduwnaar was. Uiteindelijk heeft hij in 1667 zijn vier echtgenotes moeten volgen in het graf; zij stonden dan ook netjes in chronologische volgorde vermeld op zijn grafzerk, eertijds aan de voet van zijn grafbeeld Mater Dolorosa, dat werd vervaardigd door Lodewijk Willemssens.

Van de geestelijken bleef geen pastoorsgraf bewaard, wel dat van één onderpastoor en één kapelaan. En er is de zerk van Balthasar Mys, ‘pastor in Westmal’ († 1720). Er zijn ook meerdere ‘geestelijke dochters’, gegoede burgerdames die spiritueel en actief verbonden waren met de jezuïetenorde. Sommige onder hen, zoals de gezusters De Wael, hadden tevens een epitaaf in de kerk.

Onder de voorname burgers die hier een laatste rustplaats hebben gevonden vinden we onder meer Melchior Moretus († 1634).

Het keizerlijk verbod van Jozef ii in 1784 om te begraven in de kerk en op de beide kerkhoven is voor een parochiekerk als Sint-Andries een van de meest ingrijpende veranderingen uit de Oostenrijkse Tijd. De parochianen moeten voortaan hun doden begeleiden tot op de nieuwe (inter)parochiale begraafplaats van het Kiel, toen nog buiten de stadspoorten en ver van de bebouwde kom. Sinds 1921/1936 wordt de rol van stedelijke begraafplaats overgenomen door het Schoonselhof.

Het epitaaf voor de
augustijnermonniken-martelaren

Eeuwenlang werd het martelaarschap van de Antwerpse augustijnen voor hun lutherse sympathie enkel door protestantse christenen gehuldigd. Gelukkig durft men vandaag de dag in een oecumenische geest een aantal oude vooroordelen doorbreken en de nodige zelfkritiek aan de dag leggen. Vandaar dat de gedachtenis aan deze protestantse martelaren niet enkel in ere wordt gehouden in een protestantse kerk of instelling ver weg, maar sinds 2004 ook in eigen heimat, in de katholieke Sint-Andrieskerk, die haar bestaan aan hen te danken heeft. De tekst van de gedachtenisplaat, opgesteld door kerkhistoricus Jos Vercruyssen sj, luidt:

‘Gelukkig die vervolgd worden om de gerechtigheid; hun behoort het rijk der hemelen.’ (Mt. 5:10)

Hier vestigden zich de augustijnen van de Saksische Provincie. In 1513 openden deze monniken een kapel als aanzet voor de bouw van een klooster en van deze kerk.

Hier vond de eerste lutherse prediking in Antwerpen plaats. Hier leefden de augustijnen Hendrik Voes en Jan van Essen die om hun lutherse sympathieën in Brussel op 1 juli 1523 werden terechtgesteld.

In hetzelfde jaar werd het klooster op bevel van Margareta van Oostenrijk opgeheven.

In verwarde en verwarrende tijden hebben ook zij Christus’ Woord gepredikt …

Eyn newes lied wyr heben aan … (Martin Luther)

Het epitaaf van de hofdames van Mary Stuart

Aan het epitaaf van Barbara Moubray († 1616) en haar ongehuwde schoonzus Elisabeth Curle († 1620) kunnen de Britten moeilijk voorbijgaan: vooral het portret van Mary Stuart trekt hun aandacht. Beide schoonzussen waren hofdame van deze katholieke Schotse koningin, die eveneens aanspraak maakte op de Engelse troon. Na 19 jaar gevangenschap wordt ze in 1587 door haar rivale, de anglicaanse Elisabeth i, onthoofd. De twee hofdames, die bij de terechtstelling van de koningin aanwezig zijn, moeten net als vele katholieke landgenoten, het land ontvluchten en komen omstreeks 1589 naar Antwerpen. Rond 1613 verhuizen ze naar de (huidige) Sint-Andriesstraat, tegenover het Waaistraatje, waar hun ruime pand in de volksmond algauw ‘het Engels huis’ heet. Toeval of niet: ze zoeken hun toevlucht in de schaduw van de kerk met dezelfde bescherm heilige als Schotland, hun vaderland en dat van hun koningin. Hun gemeenschappelijke grafsteen lag in de midden beuk, nabij het latere of toenmalige Heilig-Kruisaltaar. Hippoliet Curle, verbonden aan het jezuïetencollege te Douai, erft hun huis.

Volgens de laatste wilsbeschikkingen van de dames geeft hij in 1620 de opdracht voor hun epitaaf, mogelijk aan Jan en Robrecht Colijns de Nole. Hun naamheiligen, de heilige Barbara met een open boek en de heilige Elisabeth van Hongarije die brood bedeelt, flankeren de Latijnse gedenkplaat én het portret van hun koningin die onder een beeld van haar patroonheilige Maria met Kind het monument bekroont.

Het koperen busteportret door een anonieme kopiist gaat terug op het levensgrote portret van de koningin waarvoor Elisabeth Curle de opdracht gaf en dat ze bij haar erfenis eveneens aan Hippoliet Curle overliet (nu bewaard in Blair’s College in het Schotse Aberdeen). De koningin draagt rouwkledij, de zogenaamde deuil blanc: een zwart kleed met daarop een witte molensteenkraag, een doorzichtige sluier, rijkelijk afgezoomd met kant en een dito kap. De ketting onderaan suggereert een borstkruis. Ze kreeg ook een zware kroon opgezet. Het witmarmeren wapenschild onderaan is eveneens dat van Mary Stuart als weduwe. Het vertoont de klimmende leeuw van Schotland, de stappende luipaarden van Engeland en de lelies van Frankrijk.

De Nederlandse vertaling van de opschriften

Onder het portret van Mary Stuart staat haar titel:
Mary Stuart, koningin van Schotland en Frankrijk, moeder van koning Jacob van Groot-Brittannië.

Daaronder bevindt zich de kleine gedenkplaat van Mary Stuart:
In het jaar 1568 zocht zij haar toevlucht in Engeland, door haar intrek te nemen bij haar verwante Elisabeth, die daar regeerde. Door de trouweloosheid van de senaat en de afgunst van de ketters werd ze na 19 jaar gevangenschap vanwege de godsdienst onthoofd; ze aanvaardde het martelaarschap op 45-jarige leeftijd in het jaar des Heren 1587.

De grote gedenkplaat doet het hele relaas:
Aan de zeer goede, grote en heilige God.
Reiziger, gij ziet het gedenkteken van twee adellijke dames uit Brittannië.
Dankzij de bescherming van de katholieke koning [Filips ii] vanwege de rechtgeaarde godsdienst uit hun vaderland gevlucht, rusten zij hier in de hoop op de verrijzenis. In de eerste plaats (het gedenkteken) voor Barbara Moubray, dochter van de heer baron Johannes Moubray, die als hofdame van de doorluchtige Mary Stuart, koningin van Schotland, ten huwelijk gegeven werd aan Gilbert Curle, die meer dan 20 jaar secretaris van de koningin geweest was, en ze leefden 24 jaar samen zonder twist. Ze hadden acht kinderen, van wie zes in de hemel werden ingeschreven. De twee over levende zoons werden voornaam in de studies opgevoed:
Jacob sloot zich aan bij de jezuïeten orde te Madrid in Spanje.
Hippoliet, de jongste, wilde opgenomen worden in de dienst van Christus in de Frans-Belgische provincie van de jezuïetenorde.
Deze is tot tranen toe bedroefd voor zijn zeer goede moeder Barbara Curle,  die de 31ste juli in het jaar des Heren 1616 op 57-jarige leeftijd het vergankelijke leven met het eeuwige verwisselde.
Eveneens (het gedenkteken) voor Elisabeth Curle, tante uit hetzelfde edele geslacht van de Curles, eveneens hofdame van koningin Mary, 8 jaar lang trouwe gezellin van haar nicht, aan wie ze stervend de laatste troost gebracht heeft; voor altijd ongehuwd, zeer kuis van zeden en zeer vroom.
Hippoliet Curle, de zoon van haar broer, heeft dit gedenkteken vanwege zijn dankbare inborst en zijn familiegevoel geplaatst.
Deze (= Elisabeth) heeft de laatste dag van haar leven afgesloten in het jaar des Heren 1620, op 60-jarige leeftijd de 29ste mei.
Mogen ze in vrede rusten. Amen.

Het epitaaf van Petrus Saboth: Sint-Petrus

Wij associëren de barokkunst gemakkelijk met theatrale, gesticulerende personages en toch voert zij, meer dan welke andere kunststroming, ook figuren ten tonele die op een serene en ingetogen wijze uitdrukking geven aan hun gevoelens. Een sterk voorbeeld hiervan is de Petrusfiguur van Artus i Quellinus tegen de noordoostelijke vieringpijler, aan de ingang van het koor. Als naamheilige zou hij het gedachtenismonument voor Peter Saboth († 1658) tooien, hoog tegen de tegenoverliggende vieringpijler (de eerste noordelijke pijler) van de middenbeuk. Daar was het beeld bedoeld als eerste van een traditionele reeks apostelbeelden op de twaalf zuilen van de middenbeuk. Het beeld wordt er pas opgesteld na de voltooiing van de dwarsbeuk in 1663. Bij gebrek aan interesse van andere gefortuneerde overledenen is Petrus op zijn voetstuk eenzaam en alleen (op een eenzame hoogte gebleven).

Bij de opstelling van het hoofdaltaar in het verruimde hoogkoor (1769) beslist men het beeld neer te halen en samen met het nieuwe Sint-Paulusbeeld van Jozef Gillis de altaartafel te laten flankeren. Sinds de plaatsing van het huidige, wandbrede hoofdaltaar in 1807–1809 houdt het apostelenpaar aan de ingang van het koor de wacht.

De haan aan Petrus’ voeten herinnert aan de voorspelling die Jezus hem vóór zijn gevangenneming gedaan had:
Voorwaar Ik zeg u: nog deze nacht, vóór het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen. (Mt. 26:34)
Zo geschiedde. Onmiddellijk na het kraaien van de haan en bij de aanblik van Jezus herinnert Petrus zich het woord (van Jezus), krijgt hij spijt en begon hij bitter te wenen.

Het Latijnse chronogram op het voetstuk zinspeelt op dit Bijbelvers (Mt. 26:75):
‘Petro, reCorDantI VerbI, et aMare fLentI’ (= 1658). Het gelaat van Petrus vertolkt het verdriet bij de innige worsteling van de gewetenswroeging om het verloochenen van zijn vriend en meester. Om zichzelf te redden durft een mens zelfs zijn beste vrienden laten vallen. Zelfbehoud versus vriendschap: een eeuwige strijd. Om voor die vriendschap en dat vertrouwen in Jezus op te komen is Petrus uiteindelijk bereid zelf de kruisdood te sterven. Vandaar het omgekeerde kruis naast hem.

De memorietafel van de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog

Onder het doksaal prijkt een monument met de lijst van de gesneuvelde parochianen uit de Eerste Wereldoorlog (1914–1918). De strijders die hun leven hebben gegeven voor de vrijheid van hun volksgenoten, worden geëerd met een citaat uit het Bijbelse boek van die andere vrijheidsstrijders, de Makkabeeën: ‘Zij hebben de vijanden van hun / land wederstaan en hun volk met / grooten luister verheerlijkt. i Mach. XIV 29’ (Tijdens de vele oorlogen die in ons land hebben gewoed, hebben … de broers hun leven op het spel gezet en weerstand geboden aan de vijanden van hun volk voor het behoud van hun tempel en de wet. Daardoor hebben zij hun volk beroemd gemaakt. 1 Makk. 14:29).

De broederschapslijst van de
Gelovige Zielen met het vagevuur

Het voornaamste opzet van de Broederschap van de Gelovige Zielen, die werd opgericht in 1709, is bidden voor de overledenen, opdat ook deze zielen in het vagevuur uiteindelijk voorgoed tot het hemels geluk toegelaten worden. Gods genade afsmeken voor een ander is een vorm van solidariteit over de grenzen van de dood heen. De Broederschap is ondertussen zelf ter ziele gegaan, maar de bede dat Gods liefde ten volle zou doordringen in het hart van de overledenen weerklinkt in de Sint-Andrieskerk nog regelmatig in gemeenschap na een zondagse misviering en op Allerzielen. De Broederschap liet, zoals het een broederschap van standing in die tijd betaamde, een monumentale ledenlijst of cataloog maken, mogelijk ontworpen door Pieter Scheemaeckers. Zelden groeide een dergelijke cataloog uit tot een heus monument zoals hier, omgeven door een volplastisch tafereel van het vagevuur.

Volgens het katholieke geloof geniet elke mens vrijheid en is hij dan ook verantwoordelijk voor zijn daden. Daarom dat na de dood aan iedereen rekenschap wordt gevraagd. Wie het goede van God zoekt tijdens zijn leven, zal dat ook vinden na de dood. Wie dit niet zoekt, isoleert zichzelf van God en komt terecht in een pijnlijk zinloze, helse situatie. Bij vele mensen is de fundamentele keuze tussen goed en kwaad echter niet zo uitgesproken. Niet alleen omdat ze niet kunnen kiezen, maar ook omdat ze belemmerd worden door bijvoorbeeld een gebrekkige opvoeding, menselijke zwakheden, moeilijke omstandigheden, maatschappelijke trends, onwetendheid en misvorming van het geweten. Velen zijn aan het einde van hun leven niet echt in staat om een doorslaggevende keuze te maken tussen het goede (God) en het ‘diabolische’ (duivelse) kwade. Het is dan ook nog niet duidelijk wat hun uiteindelijke eindbestemming moet zijn: de hemel of de hel. De definitieve keuze moet nog rijpen. Deze zuiverende bezinning vraagt wat tijd en geduld.

Dat is pijnlijk, zeker als je weet dat voor sommigen het hemelse feest al begonnen is. Vanwege dat pijnlijke karakter wordt de wachttijd ‘vage vuur’ genoemd. De term is ontleend aan de werkmethode van edelsmeden, waarbij het vuur het edel metaal moet zuiveren, d.i. scheiden van het onreine erts. Zoals het gouderts dat vastzit aan de onzuiverheden van de aardbodem door het vuur van de smeltoven gelouterd moet worden tot een zuiverder gehalte van een hoog karaat, zo moet ook de mens wiens moreel gehalte een mengeling is van deugden en onzuiverheden, zijn eigen onvolmaaktheden uitzuiveren door een pijnlijke overgangsfase. Er is dus reden tot hoop, omdat het hemelse geluk haalbaar blijft.

In het vagevuurtafereel zijn evenveel mannen als vrouwen ten prooi aan de vlammen: drie. Frontaal tegen de pijler zijn vier figuren ondergedompeld in de vlammenzee, terwijl zijdelings één man en één vrouw, als driedimensionaal beeld, door een engel uit de vuurpoel hemelwaarts omhoog getrokken worden. De hunker om uit dit lijden verlost te worden is onstuimig voelbaar. Die verlossing uit het vagevuur kan bewerkt worden door hun eigen goede daden vroeger en door de gebeden van de solidaire overlevenden nu. Op dat gebed van de leden van de Broederschap alluderen de trofeeën van de rozenkrans, het kruis en de gebedenboekjes aan weerszijden, alsook de gebeden boekjes die ‘nonchalant’ (!) op de kroonlijst liggen.

Het oorspronkelijke concept was er een van een sobere polychromie in navolging van de rijkere, modieuze gedenktekens in marmer. De houten beeldengroep is als steenimitatie geschilderd in een klaar wit of lichtgrijs, in contrast met het bruin van het eigenlijke register bord, het kruis en de kolen van het vuur. Werd het geheel aanvankelijk enkel door verguldsel geaccentueerd, dan vallen nu de rode overschilderde vlammen het meeste op. Dertig jaar na de ontmanteling is het geheel in 2004 gerestaureerd en teruggeplaatst door de studio Hout in de opleiding Conservatie/Restauratie van de Hogeschool Antwerpen.

De wijwaterbekkens:
voor wie hier of hierna geboren worden

In 1891 wordt aan de beide zijingangen in de wand van de dwarsbeuk een monumentaal wijwaterbekken in zwart en wit marmer geplaatst om bij het binnen- en buitengaan van de kerk een kruisteken met wijwater te maken. Zich aftekenend tegen de zwarte marmeren lijst groeien de lisdodde en andere planten in wit marmer als het ware uit het wijwater op. Dit is een symbool voor de gelovigen die meer tot leven komen dankzij Jezus, uit wie ‘stromen van levend water vloeien’ (Joh. 7:38). Het exemplaar van de noorderdwarsbeuk, dat oorspronkelijk de lavabo was aan de refter van de SintMichiels abdij, heeft gediend als voorbeeld voor de pendant in de zuiddwarsbeuk.

Aan beide wijwaterbekkens is een thema toegevoegd. Dat in de zuiderdwarsbeuk is getransformeerd tot een monument voor de gedoopten, dat in de noorderdwarsbeuk tot een monument voor de overledenen.

Het monument voor de gedoopten

Bij het doopsel van een baby hangt men hier het geboortekaartje aan een kleurrijk lint op.

Een kind is niet zomaar een dingetje, er woont een wonder in, iets ongelofelijk machtigs.
Een kind is méér dan alleen iets engelachtigs.
Ik weet niet wat het is, maar ik maak mij sterk.
Zo’n mensenkind is niet alleen maar mensenwerk.
Toon Hermans, Niet van mensenhanden, uit de bundel Ik heb het leven lief

De witte stenen wijzen op de kinderlijke onschuld en op het doopsel. De gedoopten worden herinnerd aan het doopsel van Jezus:
Ik heb u gedoopt met water, maar Jezus zal u dopen met de Heilige Geest. Mc.1:8
‘I have baptised you with water, but Jesus will baptise you with the Holy Spirit.’ Mk 1:8

Het monument voor de overledenen

Hier komen mensen regelmatig bidden voor hun overleden. De grijze stenen uit de Schelde wijzen op de dood, maar de overledenen (alsook de overlevenden) wordt de christelijke hoop aangereikt: figuratief met de witmarmeren rietstengels en het echte plantje, tekstueel door een van de laatste verzen uit de Bijbel:
Wie dorst heeft zal Ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water dat eeuwig leven geeft. Openb. 21:5–6
‘I will give water from the well of everlasting life free to anybody who is thirsty.’ Apoc. 21:5–6

Het gedicht dat tussen de kruisjes van de overledenen hoopvol wil inspireren, luidt:
De bladeren vallen, vallen als van ver, als welkten in de hemel verre tuinen; ze vallen met ontkennende gebaren.
En in de nacht valt de zwarte aarde uit alle sterren in de eenzaamheid.
Wij allen vallen.
Deze hand zal vallen. En kijk je naar de andere: het is in alle.
Maar Eén is er: Hij vangt dit vallen oneindig teder in zijn handen op.
Uit: Rainer Maria Rilke, Das Buch der Bilder