De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Het huidige hoofdaltaar:
meer dan een tafel

Dé blikvanger van de Sint-Andrieskerk is het barokke hoofdaltaar dat over de hele breedte van het hoogkoor opgesteld staat, als een reusachtig decorscherm voor het theatrale ‘liveoptreden’ van een witmarmeren beeldengroep. Toch is dit monumentale werk van Pieter I Verbruggen (1665) en Willem Ignatius Kerricx (ca. 1729) niet voor deze kerk gemaakt, maar voor de Sint-Bernardusabdij te Hemiksem. Na de opheffing van de abdij door het Frans Revolutionair Bewind wordt het altaar in 1805 opgekocht en per schip via de Schelde overgebracht. Wegens financiële moeilijkheden volgt de eigenlijke heroprichting pas in 1807–1809. Op een huwelijksfeest maakt pastoor Franciscus De Meulder zelfs hoge ambtenaren van het Franse bestuur warm om voor dit doel een duit in het zakje te doen.

Het toeval wil dat het enorme gevaarte qua hoogte bijna net paste in het interieur van de nieuwe standplaats. Alleen de ribben van de apsis vormden een hindernis voor de grote engelen die oorspronkelijk de kroon ophielden. Daarom zitten ze lager en zijn ze vervangen door kleinere, zwevende engelen. Omdat het koor hier smaller is, heeft men de zijportieken schuin iets naar voren gebracht en bij gebrek aan een achterkoor zijn de beelden tegen een wand geplaatst. Het onderste deel van het altaar is uitgevoerd in marmer, maar de afschilferende verf verraadt dat het deel boven de kroonlijst van (gemarmerd) hout is: een kwestie van draagkracht, ook financieel.

Typisch voor de laatste fase van de barokke altaarbouw in de Zuidelijke Nederlanden is dat ogenschijnlijk levende figuranten in drie dimensionale beeldhouwkunst ten tonele worden gevoerd, hier het werk van Willem Ignatius Kerricx (ca. 1729). Bij haar tenhemelopneming geniet Maria ten volle de belangstelling, omdat zij het model bij uitstek is voor elke mens die onderweg in dit aardse leven uitkijkt naar een definitieve thuiskomst in het hemelse Vaderhuis.

Terwijl enkele apostelen (a) en Maria Magdalena (mm) bij haar lege graf vol ontzag hun verwondering uitdrukken over deze overgang naar het hiernamaals, wordt Maria (m) in de opwaartse beweging van haar tenhemelopneming gedragen door engelen (e). Het doel bevindt zich boven in het altaar. Omdat God zich volgens het christelijke geloof op drievoudige wijze aan de mensen laat kennen – als Schepper van alle leven (God de Vader), als concrete mens (Jezus van Nazaret, God de Zoon) en als inspirerende kracht (God de Heilige Geest) – wordt Hij als ‘Heilige Drievuldigheid’ gesymboliseerd door een driehoek, met daarin het Hebreeuwse vierletterwoord of tetragram voor God: ‘IHWH’. Vanuit deze driehoek vertrekt een immense vergulde stralenkrans met extra lange uitlopers naar beneden die Maria mee opnemen in Gods glorie.

Boven op de baldakijnkroon staan sterren: een verwijzing naar Maria, de Vrouw uit de Apocalyps (12:1): Omkleed met de zon, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Op de vergulde band van de baldakijnhemel staan drie moeilijk te ontwaren sterrenbeelden in reliëf, in chronologische orde: links de Leeuw, centraal de Maagd en rechts de Balans. Dat is geen toeval, aangezien 15 augustus binnen het sterrenbeeld van de Maagd valt.

De twee grote figuren in de zijportieken herinneren aan de herkomst van het altaar. Links (b) staat Sint-Bernardus (1090–1153; feestdag: 20 augustus), medestichter van de naar hem genoemde orde van de cisterciënzer-bernardijnen. Hij was de eerste abt van Clairvaux, vandaar de abtsstaf, terwijl de bijenkorf alludeert op zijn bijnaam ‘de honingvloeiende leraar’, die hij dankte aan zijn populaire preken. Dat hij naar Maria (m) wijst, net zoals zijn pendant, is meer dan een compositorische houding. Bernardus had een bijzondere voorliefde voor Maria: daar getuigen meerdere gebeden van. Rechts (r) staat de heilige Robert van Molesme (1027–1110; feestdag 29 april). Als stichter van de cisterciënzerorde en medeoprichter van de abdij van Cîteaux heeft hij als attributen een kerkmodel en een abtsstaf. De (per ongeluk deels afgebroken) ring in zijn hand verwijst naar de Marialegende dat zijn moeder voor zijn geboorte van Maria een ring voor hem zou hebben ontvangen. Dat teken van een intense spirituele relatie hield hij zijn medebroeders in Hemiksem ter inspiratie voor, om daarmee het juk van het kloosterleven (gedragen door de kleine engel rechts) te verzachten. Zei ook Jezus niet: Neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Mt. 11:29,30)

De predella met Het Laatste Avondmaal (p)

Het onderste deel van de predella dateert reeds uit 1665 en is het werk van Pieter I Verbruggen. In het midden legt Jezus, bekleed met een stralenkrans, zijn linkerhand op de schouder van Johannes links van Hem, terwijl Petrus rechts van Hem de ereplaats krijgt toegewezen. De apostelen reageren verrast (Mt. 26:22, Mc.14:19, Lc. 22:23) omdat Jezus net heeft verteld dat een van hen Hem zal verraden. Judas, met een gevulde geldbuidel in de hand, zit al afgezonderd van het gezelschap, links aan het uiteinde van de tafel, en deinst terug voor Jezus’ onthullende woorden.

Naar 17de-eeuws gebruik is de tafel mooi gedekt met borden met brood, messen en grote zoutvaten. Voor de zichtbaarheid is het tafelblad opzettelijk erg schuin gehouden (toch glijdt er niets van de tafel …). Het paaslam op de schotel, volgens de gebruiken van het joodse paasfeest, verwijst naar het nieuwe paaslam Jezus. Links en rechts ervan verwijzen een schotel met brood en een barokke kelk (met wijn) naar de gaven van de eucharistie. Op de voorgrond staan een mooie wijn- en waterkan in de bijbehorende schotel. In de rechterhoek hurkt een bediende neer en onder het tafelkleed kauwt een grote hond op een been.

Het Laatste Avondmaal is een scharniermoment in de evolutie van het jodendom naar het christendom. Jezus en zijn apostelen vieren op die laatste avond het joodse paasfeest, de uittocht uit Egypte. Daarop alluderend wijst een apostel naar de twee stenen tafelen van de Tien Geboden uiterst links op de achtergrond. Dit teken van het wetsverbond tussen God en het uitverkoren joodse volk is voor de christenen slechts ‘het Oude Verbond’. Merkwaardig genoeg staan niet de tien getallen van de geboden erop afgebeeld, maar wel Mozes, aan wie die wet gegeven werd.

Als pendant hiervan, uiterst rechts op de achtergrond, verwijst een open boek tussen twee kandelaars naar de eucharistieviering, die door Jezus is ingesteld bij het Laatste Avondmaal: voor de christenen, en de katholieken in het bijzonder, is dit het teken van het liefdesverbond, alias het Nieuwe Verbond tussen God en de hele mensheid.

De predella – detail: het oogsten van de druiven

In de witte marmeren reliëfs, die fel afsteken tegen de zwarte marmeren omlijsting van de zuil basementen, brengt een enthousiaste groep verrukkelijke cherubijntjes en putti de liturgische gebruiksvoorwerpen aan. Merk op dat de engeltjes meermaals vlindervleugeltjes dragen, geen vogelveren. Van links naar rechts zijn dit de taferelen en objecten: (a) Het oogsten van druiven en graan: met een [afgebroken] bussel graanhalmen. (b) De ampullen voor water en wijn en een carillon met drie bellen (zichtbaar) voor de consecratie. (c) Voor de rituele handwassing, de zogenaamde ‘lavabo’, giet de engel met een hoogbarokke kan water in een schotel, met in de gedetailleerd gedreven schotelrand vier cherubijnenkopjes. Het ritueel ontleent zijn naam aan het bijbehorende Latijnse gebed: Lavabo inter innocentes manus meas. (Ik was mijn handen in onschuld.) (d) Een engel perst druiven in een prachtige barokke kelk. (p) Predella. (e) Korenaren in bussels als bestanddeel van het hostiebrood. (f) Een engel houdt het wierookvat met lange kettingen omhoog om de houtskool aan te blazen. Dit paneel vormt de pendant van (c). Of hoe water en vuur complementair tegenover elkaar staan … (g) Een missaal met bladwijzerlint, twee sloten en met een [zeer rudimentaire] gravure als aanzet voor de tekst. Verder een boekkussen waarop het IHS-monogram geborduurd staat. (h) De aanvoer van geoogste druiven en korenaren in een grote mand op het hoofd van de engel.

De wanden achter de beide heiligenbeelden ontnemen het zicht op een transparant glasraam dat voor een wondermooie lichtinval zorgt. Het zuidelijke voorziet de centrale beeldengroep van licht tot ‘s middags, terwijl het geheel in de namiddag vanuit de lichtbeuk belicht wordt. Je kan dan een lichtbundel geleidelijk aan over de beelden opwaarts zien glijden, van links bij Bernardus naar rechts, over Maria en, tegen de avond, over de hemelse stralenkrans. Een wonder dat zich elke zonnige zomerdag weer afspeelt …

De predella – detail: het oogsten van het graan