De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Inleiding

De Sint-Andrieskerk heeft een gelaat dankzij haar toren, de baken van het Sint-Andrieskwartier. Tekening op de cover van de kerkgids (1929)

Tussen de antiekzaken van de Kloosterstraat en de trendy Nationalestraat met haar vele modezaken rond het Modemuseum ligt de eeuwenoude parochiekerk van Sint-Andries vol kunst uit de baroktijd en met een modieus aangekleed Maria beeld. De kerk is vergroeid met de Parochie van Miserie, zoals de meest volkse wijk van Oud-Antwerpen wordt genoemd. De kerktoren, die symbool staat voor het Sint-Andrieskwartier, duikt speels op in menig straatbeeld en bepaalt samen met de torens van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal en de Sint-Pauluskerk als een vast baken mee het Antwerpse redezicht. (Vaak wordt de kerk op oude stadsgezichten niet herkend: na de instorting van de toren in 1755 verschilt de nieuwe toren in laatbarokke stijl grondig van de vorige.) Het is daarom onbegrijpelijk dat sinds 2001 aan dat uitzicht getornd wordt door misplaatste hoogbouw aan de Scheldekaden.

De geschiedenis van de parochiekerk start officieel bij de kerkwijding in 1529, maar gaat terug tot het kortstondige verblijf van de augustijnen in het begin van de 16de eeuw. Vanwege hun lutherse sympathieën werden zij toen door de overheid verdreven. Nadien wordt de kloosterkerk als parochiekerk met toren voltooid. Tijdens de tweede ‘Beeldenstorm’ in 1581 beperkt men zich in de kerk niet tot het vernielen van beelden: het koor en de dwarsbeuk worden onder het Calvinistische Bewind met de grond gelijkgemaakt en pas eind 17de eeuw herbouwd en uitgebreid.

Het grondgebied van de Sint-Andriesparochie is eerder beperkt. Bovendien vindt de kunstzinnigheid van haar bemiddelde inwoners in de 16de en 17de eeuw gemakkelijker de weg naar de roemrijke maar ondertussen verdwenen Sint-Michielsabdij in de Kloosterstraat. In de 17de eeuw worden opdrachten vaak toevertrouwd aan schilders die ook parochiaan zijn, zoals een telg van de Franckens (Franckenstraat), Marten Pepijn, Erasmus en Jan Erasmus Quellinus. Rubens, die nochtans enkele jaren lang ook parochiaan is, krijgt géén opdracht omdat de altaren al voor zijn terugkeer uit Italië naar Antwerpen in 1608 gestoffeerd waren door andere ‘moderne’ meesters, zoals Otto van Veen en Maerten de Vos.

De kerk én haar inboedel overleven het Franse Revolutionair Bewind dankzij een uitzonderlijk republikeinsgezinde en beëdigde priester. Na het concordaat van 1801 verkrijgt ze enkele devotiestukken en kunstwerken uit opgeheven, naburige kloosters, zoals de relieken van de 36 Heiligen uit de Pieter Potabdij.

In de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw, wanneer het aantal inwoners van de parochie al eens de kaap van de 35.000 bereikt, heerst er schrijnende armoede. Vandaar de bijnaam ‘Parochie van Miserie’. In het plantsoen naast de kerk zit Moeder Netje, de hoofdfiguur uit de roman Moeder, waarom leven wij? uit 1932 van Lode Zielens, zelf geboren en getogen in de schaduw van de kerk. Op de filosofische titelvraag van haar kinderen vonden arm en rijk eeuwenlang het antwoord in het katholieke geloof, dat ze tot uitdrukking brachten in de bouw, de inrichting en de opsmuk van hun parochiekerk. Vooral de feestelijkheden van de devotionele broederschappen hebben tot midden 20ste eeuw bijgedragen tot het uitbundige en rijk gestoffeerde kerkinterieur.

Ontvolking, een veranderd sociaal leven en de secularisatie maken het verenigingsleven van een parochie in een grootstedelijk centrum vandaag niet langer vanzelfsprekend. Door de vlucht uit het stadscentrum is het aantal inwoners van de parochie teruggelopen tot amper een tiende van weleer. Anderzijds kiezen ook christenen uit Groot-Antwerpen de sfeervolle Sint-Andries als hun parochiekerk.

In 17de-eeuwse geschilderde kerkinterieurs met hun ruime perspectieven ontbreekt de Sint-Andrieskerk geheel. Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien de kruisbeuk en het koor pas na 1660 herbouwd zijn. Vanaf het midden van de 18de eeuw genieten haar kunstwerken de belangstelling van de populaire kunstreisgidsen en sinds het begin van de 19de eeuw is de nieuwe theatrale preekstoel de bezienswaardigheid bij uitstek, maar ook De marteldood van Sint-Andries van Otto van Veen en het Sint-Petrusbeeld van Artus I Quellinus blijven de aandacht trekken. De eerste beroemde bezoeker van wie we weet hebben, is leerling-schilder Vincent van Gogh in 1886. Mogelijk was hij aangespoord door zijn professoren aan de Antwerpse academie om in de kerk werk van hun hand te komen bekijken. In de 20ste eeuw lijkt de Sint-Andries voor de schilders van kerkinterieurs dan weer de meest populaire kerk in het Antwerpse, niet het minst voor de speelse lichtinval.

Met enkele nieuwe kunstwerken en artistieke initiatieven wil men nu vanuit het christelijk geloof voeling houden met de eigentijdse creativiteit. Het brede publiek lijkt aangenaam verrast door deze combinatie van het oude en het nieuwe, ‘nova et vetera’ (Mt. 13:52). Bovendien varieert het kerkinterieur geheel van aanzien in de loop van het kerkelijk jaar. Wie wil ontdekken wat de Sint-Andrieskerk nog meer in petto heeft, komt dan ook het best geregeld eens terug.