De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Het orgel

Verscheidene orgels hebben elkaar in de kerk opgevolgd op het doksaal boven het grote tochtportaal, tegen de westwand van de middenbeuk. Na de vernieling tijdens de eerste Beeldenstorm in 1566 doen onder meer de Fuggers in 1574 een schenking voor een nieuw orgel. Dat wordt exact een eeuw later vervangen door een Bremsterorgel, dat dan weer verloren gaat bij de instorting van de toren in 1755. Het grote tochtportaal was in 1611 herbouwd door schrijnwerker Otmaer Van Ommeren. In 1770 komt er een nieuw hoofdportaal, het jaar nadien gevolgd door een nieuw doksaal tegen de torenwand. Daaronder, aan weerszijden van de centrale poort, staat een eikenhouten gestoelte, de Heilige-Geesttafel, waar de bedeling in natura aan de behoeftigen plaatsvindt.

In 1778 wordt een nieuwe orgelkast gemaakt naar de tekening van Engelbert Baets, de architect van de toren, terwijl Johannes Tits uit Hoogstraten aan de bouw van een nieuw orgelinstrument begint, dat echter in 1784 wordt afgekeurd. In 1791, aan de vooravond van het Frans Revolutionair Bewind in onze gewesten, wordt het orgelinstrument aangepast en vervolmaakt door Egidius Van Peteghem uit Gent, een telg van de beroemde orgelbouwersfamilie.

Qua stijl geeft men niet toe aan het kille Franse classicisme. Willem Roefs zorgt voor een Vlaamse laatbarokke aankleding van de orgelkast. Levensecht concerteren engelen boven op de beide torens. De rechtstaande engelen op de top bespelen een snaarinstrument: die aan de zuidkant een viool, die aan de noordkant een contrabas. De zittende flankerende engelen musiceren op een blaasinstrument. Aan weerszijden van de orgelkast hangt onder een breedgevleugelde engel een modieus breed lint waaraan een stel gebeeldhouwde instrumenten als trofeeën vastgebonden lijken. De instrumenten zijn tot in de kleinste details met verbluffend realisme weergegeven, zij het onzichtbaar voor de toeschouwers. De viool en zelfs de gitaar aan de achterkant hebben schroeven om de snaren op te spannen. Sommige blaasinstrumenten hebben een linker- en een rechterpinkgaatje om al naargelang de denkbeeldige speler links- of rechts handig is, met bijenwas te worden dichtgestopt.

Het oude doksaal zonder ondersteunende zuilen was gezakt en werd daarom gedurende vele jaren geschoord. Omdat ‘de musikanten malkander niet konnen zien’ wordt de zangerstribune (het doksaal) door Jan Frans Van Geel in 1828 uitgebreid met pseudomarmeren zuilen, geschilderd door Hendrik Schaefels.

In 1929, ter gelegenheid van het 400-jarig jubileum van de kerkwijding, wordt het orgel door Jules Geurts gepneumatiseerd en grondig verbouwd. In 1986 wordt een restauratiedossier opgestart …

Het uurwerkmechanisme in de torenkamer was sinds het einde van de 18de eeuw verbonden met een grote wijzerplaat als bekroning van het orgel. Het begeleidende vers Ecce appropinquavit hora Matth. cap: 26 v 45 (Nu is het uur gekomen – Mt. 26:45) komt uit het lijdensverhaal, meer bepaald uit de passage in de Hof van Olijven, wanneer Jezus zijn in slaap gevallen apostelen oproept. De boodschap tot waakzaamheid was duidelijk, althans voor de geletterden. De wijzerplaat, die tijdens de restauratiewerkzaamheden van 1970–1975 is afgenomen, wacht nog steeds op herplaatsing.