De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

De schatkamer

Op de benedenverdieping van de nieuwe opslagplaats is sinds 2006 een museale ruimte met schatkamer ingericht. Die is niet enkel opgevat als de klassieke schatkamer, maar toont het verhaal van de godsdienstbeleving in kerk, wijk en woning. Nu is permanent te zien wat vroeger maar eens per jaar uit de kast kwam. Dat de ‘Parochie van Miserie’ niet de rijkste parochie van de stad was, zou je niet zeggen aan de hand van deze ‘stilgezette processie’.

‘Wat is het geloof de mensen waard?’  

Het paneel Christus bij Simon de Farizeeër (Antwerpse School, 17de eeuw) vertolkt de verontwaardiging over zoveel pracht in de kerk, terwijl er toch ook armoede heerst(e).

De omstanders, onder wie Judas die later voor de macht van het geld bezwijkt en Jezus verraadt, klagen bij Jezus aan dat een vrouw, Maria (‘Magdalena’), kostbare olie verspilt om Jezus voeten te zalven die ze bij wijze van verder eerbetoon met haar haren afdroogt. Maar Jezus zei: Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; de armen zijn immers altijd bij jullie, maar Ik niet. (Joh. 12:8).

Blijkbaar heeft de mens meer over voor zijn godsdienstbeleving in moeilijkere tijden dan wanneer het hem voor de wind gaat, zo blijkt althans uit de gaven in de collecteschalen. Daarin liggen munten uit de opeenvolgende eeuwen en ook enkele recentere bankbiljetten. De armere parochiaan deed zijn duit in het bakje, de rijkere droeg zijn steentje bij. En ‘steentje’ is hier te verstaan als een diamant die inzetbaar is in kostbaar liturgisch gerei, zoals de vergulde zilveren zonnemonstrans (Wierick III Somers, naar ontwerp van Michiel I Van der Voort, 1713–1714). Ze dateert van na 1712, toen dieven er niets beter op hadden gevonden dan de beenderen die op het kerkhof tegen de kerkmuur opgestapeld lagen, als trap te benutten, via een glasraam binnen te dringen en er met de (vorige) monstrans vandoor te gaan. Veel geschonken edelmetaal werd omgesmolten tot het specifieke misgerei, zoals de laatbarokke kelk (Jan Verschuylen, midden 19de eeuw) en de barokke zilveren, deels vergulde ciborie (Filip Moermans, Antwerpen, 1640–1660). Juwelen werden ook integraal als versiering gemonteerd aan een Mariakroon (van het processiebeeld), aan een monstrans of aan een reliekhouder, zoals het zilveren reliekkruis (Antwerpen, 1530–1540).

Kerkmuseum Sint-Andrieskerk, Antwerpen, 'Vitrine', nr. 25 - Kelk in doos, Abraham Lissau, 1634, verguld zilver, leder, groene vilt; nr. 26 - Kelk in doos, 20ste eeuw, koper, deels verguld, hout, rode vilt

Het misgerei

Wat heb je nodig voor de mis? Een kelk, een pateen en een kelklepeltje, ampullen voor wijn en water op een ampullenschaal, een wierookvat en een wierookscheepje. Het misgerei in deze vitrinekast dateert grotendeels van het laatste decennium van de 18de eeuw en is van deels verguld zilver. Om het kostbare gerief te beschermen wordt elk stuk opgeborgen in een aparte doos die oorspronkelijk van leder was, zoals de kelk van Abraham Lissau (1634), of van hout.

De heiligenverering

In primitieve omstandigheden fungeerden de heiligen vaak als garantie van een tegemoetkoming bij bepaalde behoeften. In een gang staan een aantal heiligen die representatief zijn voor alle heiligen. Ook hier is de opstelling suggestief:

  • ‘verheven’ op een hooggeplaatst voetstuk tegen de wand: het beeld van de heilige die ‘zijn hemel reeds verdiend heeft’, naar wie wij opkijken;
  • op ooghoogte: levensverhalen om de heilige ‘van vlees en bloed’ te leren kennen, litaniegebeden om tot hem of haar te bidden, en reliekhouders. De tastbare relieken kunnen bemiddelen om de overleden heilige in de hemel weer aanwezig te stellen, anders gezegd: te ‘contacteren’.

Wie heilig verklaard wordt, wordt ‘verheven tot de eer van de altaren’. De patroonheilige Andreas genoot vroeger de ereplaats op het hoofdaltaar; vandaar het modello van Otto van Veen: De marteldood van Sint-Andries. Anderen stonden met een beeld tegen een zuil, zoals Sint-Cornelius, die werd aangeroepen tegen onder meer de stuipen.

Om de devotie op het eigen altaar te ondersteunen gingen de altaarmeesters van Sint-Anna rond met een speciale gepolychromeerde, houten collecteschaal met achteraan als aansporing: ‘doet hier in uwe karitate om te maken sint annen outaer anno 1673’. Het reliëf toont ook de heiligen die op het altaar een eervol plaatsje hebben veroverd, zoals Sebastiaan, Antonius-Abt en Maria Magdalena.

De relieken konden vereerd worden in een beeldende reliekhouder die de gelovige werd voorgehouden om aan te raken, zoals bij de reliek van Onze-Lieve-Vrouw en van Sint-Severus. Op bijzondere feesten werden de relieken ook op het altaar getoond, meer bepaald in het voetstuk van de heiligenbuste, zoals bij Sint-Antonius-Abt en Sint-Johannes Nepomucenus. Soms is dat voetstuk van dergelijke barokke reliekhouders uitgewerkt als een soort mini-altaartombe, zoals bij Sint-Rochus. Aandoenlijk is hoe het beeld van Sint-Rochus als pelgrim aangekleed werd met een echt manteltje.

Wie beleefd is en iets verkregen heeft, zegt ‘dank u’. In de heiligendevotie vertolkt zich dit in ex voto’s. Letterlijk betekent dat ‘uit belofte’. Het zijn tekens van dankbaarheid, of het nu om duurdere halfreliëfs in (soms verzilverd) metaal gaat, of om goedkopere wassen poppetjes.

Vier basiswaarden komen in beeld bij deze ex voto’s. Allereerst de fysieke gezondheid met bijna alle menselijke lichaamsdelen. Vervolgens de menselijke relaties in het gezin: man en vrouw, de ineengestrengelde handen van de huwelijkstrouw, baby’s en opgroeiende kinderen. Dan zijn er de veestapel en de woonst. De opmerkelijkste ex voto is de verzilverde kanonskogel vanwege de parochiaan en eerste Belgische burgemeester van Antwerpen Gérard Legrelle aan Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en Victorie. Hij herinnert dankbaar aan het Nederlandse bombardement op Antwerpen op 27 oktober 1830 waarbij meer dan zeshonderd huizen vernield werden maar slechts een honderdtal burgerslachtoffers te betreuren vielen.

Om de heiligendevotie thuis verder te zetten kon men een santje of heiligenprentje huiswaarts nemen. Op een gravure van de Broederschap van de Heilige Engelenbewaarders neemt de engel een jongeman in bescherming. Op de achtergrond prijken de Onze-Lieve-Vrouwetoren en de toenmalige Sint-Andriestoren.

De processie gaat uit

De jaarlijkse processies vormden het bindmiddel tussen kerk en wijk. De ‘gewone man (en vrouw)’ nam er haast zonder uitzondering aan deel, zelfs als ze sinds de 19de eeuw al wat verwijderd waren van de Kerk.

De opstelling in de vitrine is een getrouwe weergave van de processie, zij het gereduceerd van 120 meter lengte tot 7 meter. Ze wordt geopend door ‘het teken van het kruis’: het processiekruis. Dan volgen de broederschappen, elk met hun eigen vaandel, ceremoniestaf, heiligenbeeld en flambeeuwschilden. Door hun omvang staan de kleurrijke processievaandels samengedrongen opzij, maar zo geven ze meteen de dynamiek van de feestelijke optocht weer. In een hiërarchische volgorde stappen de broederschappen op: eerst die met een heilige zoals Sint-Cornelius, dan de 36 Heiligen, vervolgens de patroonheilige Andreas. Daarachter dragen de kapelmeesters Maria mee als ‘koningin van de heiligen’. Ten slotte volgt Christus, aanwezig in het Heilig Sacrament.

Het reliekschrijn van de 36 Heiligen
(Jan Verschuylen, 1845)

Dit pronkstuk werd niet enkel in de processie door een ploeg van 16 mannen door de straten van de parochie gedragen, maar tijdens het betreffende octaaf troonde het ook op een somptueus voetstuk midden in de kerk. Het reliekschrijn, opgesteld achteraan in de kerk, wordt hier vertegenwoordigd door de miniatuurweergave ter bekroning van de ceremoniestaf van de broederschap.

Het ‘scheepje van Amalfi’
(Jos Junes, 1929)

Het zilveren fantasieschip werd gemaakt naar aanleiding van het 400-jarig jubileum van de parochie, toen de kerk nog de wind in de zeilen had. De naam is ontleend aan de stad waar Andreas’ lichaam zou rusten. De patroonheilige staat boven op een kopie van de toren en indachtig het roepingsverhaal verzamelt Andreas als ‘visser van mensen’ ook in zijn parochie allerlei soorten vissen in zijn netten.

Het Mariabeeld

De blikvanger bij de processie is het gekroonde Mariabeeld, gehuld in een praalmantel. Het Mariabeeld zelf staat ter devotie in de kerk. Hier roepen we enkel de indruk op die het beeld in de processie opriep. Op bijzondere mariale feestdagen, zoals Maria-Tenhemelopneming (15 augustus) en tijdens het octaaf van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en Victorie in november, werd het beeld van het altaar gehaald en gepaleerd op een decoratieve sokkel geplaatst. Dan werd haar een lange processiemantel met sleep omgehangen en werd haar uitrusting opgevrolijkt met een armstrik in dezelfde kleur, een kanten kraag en een zilveren sleutel en druiventros. Tot midden de jaren 1960 werd het beeld op 15 augustus ook door de parochie in processie meegedragen.

In het jubeljaar 1838 laat burgemeester en parochiaan Gérard Le Grelle voor het beeld een grote en een kleine zilveren schoot vervaardigen door zilversmid Jan Verschuylen, in dankbare herinnering aan de Belgische onafhankelijkheidsoverwinning in 1830–1832. De Belgische leeuw met vaandels die de schoot siert symboliseert de herwonnen vrijheid.

Omdat Maria deelt in de hemelse glorie van haar Zoon, mag ook zij de koninklijke kroon en scepter dragen. Sinds 1844 beschikken Moeder en Kind voor de grootse feesten van 15 augustus en het octaaf in november weer over kroonjuwelen in verguld zilver, bezet met 1099 kleine diamanten en 24 gekleurde stenen uit vele schenkingen.

Die zijn verwerkt door de edelsmeden Jos De Haes en Petrus Coetermans.

Passend bij de barokke zilveren schoten vervaardigt het atelier Remigius Orban voor het volgende jubeljaar 1863 een praalmantel in roodfluwelen zijde en afgeboord met wit hermelijn. De ontwerper is Edward Dujardin, de eerste illustrator van de romans van Hendrik Conscience. Bij de grote processies gaf hij extra luister aan het beeld van Maria, die als een koningin door de parochie gedragen werd. Iets majestueuzers kan je je moeilijk voorstellen.

Te midden van een rijk decoratief patroon in reliëfgoudborduurwerk prijken tien medaillons in vlakborduurwerk, elk met een bloem die symboolstaat voor een mariale deugd. De iconografie staat in verband met de contemplatieve orde van de annuntiaten, ook wel ‘De orde van Maria’s Tien Deugden’ genoemd. Die werd in 1500 gesticht door Jeanne de Valois, de verstoten echtgenote van de Franse koning. Dit zijn de bloemen en de deugden die ze vertegenwoordigen, aldus het onderschrift:

  1. de sneeuwwitte lelie: onbevlekte maagdelijke reinheid
  2. de hemelsblauwe hyacint: wijze voorzichtigheid
  3. de groene palmtak: levendig geloof
  4. de nederige violet: diepe ootmoedigheid
  5. de vlammende tulp: vurige liefde
  6. de purperen roos: standvastige verduldigheid
  7. de volgzame zonnebloem: vlijtige gehoorzaamheid
  8. de rode granaatbloem: vrijwillige armoede
  9. de veelkleurige passiebloem: medelijdende droefheid
  10. de keizerlijke kroon: gedurige godvruchtigheid

Deze florale symboliek kreeg navolging bij de buren: het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van het Kasteel in de Sint-Joriskerk krijgt enkele jaren later al (1867) een praalmantel met tien bloemenmedaillons, terwijl de Sint-Fredeganduskerk in Deurne sinds 1876 over een eenvoudigere versie beschikt. Het zilverborduurwerk van de mantel werd in 1993–1994 door de dames van de Britse erfgoedvereniging ADFAS opgefrist met – schrik niet – de natuurlijke enzymen van menselijk speeksel.

Het beeld krijgt in 1863 ook enkele sieraden: een zilveren paternoster met een verguld kruis en een verguld hart, een gouden kruis, oorbellen, een broche en een zilveren bloemenruiker. Tot ver in de 20ste eeuw schenken burgers regelmatig juwelen om zo hun aanhankelijkheid aan Maria te tonen.

Hiërarchisch als laatste komt Christus. Hij is aanwezig in het Heilig Sacrament dat wordt getoond in de monstrans, eerbiedig gedragen door de pastoor in gouden koorkap en met schoudervelum. Het baldakijn werd omringd door zes processielantaarns, die verwijzen naar even zoveel altaarkandelaars in de kerk.

Deze processie loopt uit op een rustaltaar, dat met de bijbehorende beelden gereconstrueerd wordt tegen een reuzenwandfoto van de oorspronkelijke plek van opstelling, de hoek van de Korte Ridderstraat en de Steenhouwersvest, met op de achtergrond de Sint-Andriestoren.

De eens zo talrijke Mariabeelden kregen een extra versiering wanneer de processie voorbij kwam. Vandaar dat een oud en groot Maria beeld van een verdwenen burgerhuis ‘gepaleerd’ opgesteld is tegen de foto van de Korte Ridderstraat, met een (heus) hoekbeeld van Maria dat voor de gelegenheid gesierd wordt met een zilveren kroon, scepter en rozenkrans, zoals toen gebruikelijk. De kerk bezit een dozijn ensembles van zilveren decoratiestukken voor beelden, die vroeger eigendom waren van de zo talrijke buurtgenootschappen.

Naast de burgerij bestond de parochie uit het ‘kantjesvolk’, gehuisvest in de eens zo talrijke enge steegjes. Op de volgende, even grote wandfoto van een steeg, verscholen achter een steunbeer, wordt het Mariabeeld verstopt door de ‘broek van ons moe (of moemoe)’. Naast de foto hangt een authentiek eenvoudig Maria kapelletje met een houten poppetje en met papieren bloemetjes versierd. Ertegenover staat een beeld van Sint-Rochus opgesteld, die vooral midden 19de eeuw werd aangeroepen tegen de dodelijke cholera.

Het feest van Onze-Lieve-Vrouw
van Bijstand en Victorie

Naast het Antwerpse patroonsfeest van 15 augustus was er het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en Victorie met een octaaf in november, maar ‘ten einde de viering niet te laten doorgaan in de koude wintermaanden’ wordt het feest in de jaren 1950 verplaatst naar het feest van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in oktober, een viering die eveneens verband houdt met een overwinning op de Ottomanen, alias ‘de Turken’.

Tot de gewone feestattributen behoren wimpels, linten en guirlandes, borden met chronogrammen en leuzen, zang en muziekuitvoeringen. Bij het eerste 25-jarig jubileum in 1714 wordt de titel ‘Victorie’ op echt militaire wijze verbeeld. Niet alleen huurt men Turkse kledij, mutsen en pluimen incluis, maar men voert ook bomen en Turkse tapijten aan voor het decor en leent echt krijgstuig van de Spaanse troepen in de citadel, poeder of buskruit inbegrepen. Minder speels en grimmiger ging het eraan toe in 1790: voor het eerst na het verbod van Jozef II op processies gaat dan onder begeleiding van gewapende patriotten de processie van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en Victorie weer uit.

In de 19de eeuw groeit het feest uit tot een spectaculaire manifestatie, waarvoor kosten noch moeite worden gespaard. Het beeld wordt opgesteld in het midden van de kerk onder een reusachtig baldakijn, omgeven door wimpels die van het plafond neerhangen. Het baadt in een zee van bloemen en kaarslicht. Heel de bevolking wordt gemobiliseerd bij het offeren van kaarsen en vele straten hebben een burengenootschap dat op een vastgestelde dag van het octaaf van Onze-Lieve-Vrouw Geboorte (8 september e.v.) een eigen misviering bijwoont. Tegen de muur hangen de eenvoudige beschilderde schilden met daarop de straatnamen van de buurtgenootschappen in willekeurige orde, afgezien van hun welstand.

Geïnspireerd door de Mariadevotie in de parochiekerk krijgen vanaf de 18de eeuw een aantal Mariabeelden in de straten van de Sint-Andriesparochie de titel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en Victorie.

Het godsdienstige leven in de huiskring

Ten slotte krijgen we in enkele hoekjes een glimp te zien van het godsdienstige leven bij de mensen thuis. Zo werd de vergulde zilveren berechtingsciborie om stervenden thuis plechtig te berechten (Wierick III Somers, Antwerpen, 1712) meegedragen in de Plechtige Berechtingsprocessie die sinds 1676 om de twee weken plaatsvond. Een litho van Alfred Ost brengt deze processie in beeld. Daarnaast is er het zilveren chrismatorium (Antwerpen, 1619–1620).

Een van de buurtgenootschapsboeken die een onderkomen hebben gevonden in de parochiekerk is dat van het Madonnabeeld in de Sleutelstraat. Typische devotionalia (einde 19de eeuw–midden 20ste eeuw) zijn onder meer het kruisbeeld, het Maria- en heiligenbeeld, de paternoster, gebedenboekjes, santjes, een wijwatervat, bedevaartsouvenirs, een miskaart, een broederschapsboekje, medailles … Zeer merkwaardig is ook een kokarde van Maria en een briefopener met een Maria-afbeelding. De Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes in ivoor brengt dan weer de befaamde missiefestivals in herinnering, waar missionarissen voorwerpen te koop aanbieden ten voordele van hun werk.

Het tinnen misgerei dateert uit de Beloken Tijd, toen de Fransen ook de kerken sloten. De ondergedoken priesters, zoals pastoor Van der Hallen, wilden nog wel de mis opdragen, maar om het gevaar niet te vergroten gebruiken ze minder kostbaar misgerei.

De 17de-eeuwse oud-Vlaamse kloskant getuigt van de huisvlijt die de vrouwen aan de dag legden om een stuiver extra te verdienen. De loden broodpenningen (einde 18de eeuw) werden op de uitvaart van een gefortuneerde aan de armen uitgedeeld, in de hoop dat er velen voor de overledenen kwamen bidden …

De bronzen refterklok van het alexianenklooster (Mechelen, 1548) heeft geen uitstaans met de Sint-Andriesparochie, maar is merkwaardig door haar iconografie: de mythische figuur van Orfeus temt met zijn muziek allerlei dieren, een symbool voor de muziek die de zeden verzacht, ook bij de alexianen, kloosterlingen die zich toeleggen op ziekenverzorging en begrafenissen.