De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

Het Sint-Anna-altaar

Voor de devotie tot Sint-Anna wijdt men in 1594 opnieuw een apart altaar in de toenmalige kerk, waarschijnlijk tegen een andere zuil in de noordbeuk. Het huidige schilderij kan stilistisch uit die tijd dateren. Het wordt, zij het niet zonder betwisting, toegeschreven aan Marten Pepijn (1575–1643).

Met ‘de Maagschap van de heilige Anna’ wordt haar brede familieverwantschap bedoeld, een typisch middeleeuws thema dat liever de brede familie verwantschap beklemtoont in een tijd waarin het individuele gezin nog niet op de voorgrond trad. Anna huwde volgens de middeleeuwse traditie achtereen volgens met Joachim, Cleofas en Salomas. Uit die huwelijken werd telkens één dochter geboren: Maria, Maria Cleofas en Maria Salomas. Dat vooral de familieband tussen oma Anna, moeder Maria en het kind Jezus in het licht van Gods Voorzienigheid begrepen moet worden, illustreert men bovenaan met de zinnebeeldige duif van de Heilige Geest. Sint-Anna links houdt samen met Maria het kind Jezus vast, dat zich naar Johannes de Doper buigt. Zijn moeder Elizabeth (de nicht van Maria) en haar echtgenoot Zacharias zijn er ook bij. Vooraan en achteraan staan andere familieleden, van wie de onderlinge band enkel gebaseerd is op apocriefe tradities. Vanwege het apocriefe karakter van het thema wordt de voorstelling door het Concilie van Trente (1545–1563) verboden, maar blijkbaar is de kracht van de traditie ook hier nog te groot om aan dat ‘koele’ kerkelijke voorschrift gevolg te geven. En vind je het niet aandoenlijk hoe de hond in de rechterbenedenhoek zijn baasje een likje geeft?

Een tiental jaar na de voltooiing van de dwarsbeuk in 1663 trekt Jan Van den Cruyce in opdracht van het Sint-Annabroederschap tegen de noordelijke vieringpijler een marmeren portiekaltaar op waaraan het middenpaneel van het oude altaarstuk wordt aangepast. Om het nieuwe altaar te bekostigen werd een speciale gepolychromeerde, houten collecteschaal gemaakt. Oorspronkelijk worden op dit altaar nog Antonius-Abt, Rochus en Sebastiaan vereerd, drie pestheiligen. De mensen rekenden erop dat ze die naam tijdens epidemieën waarmaakten met hun voorspraak.

Sint-Rochus verschijnt in reliëf op het deurtje van de reliekkast in de predella. Zijn gepolychromeerd houten beeld boven het retabelschilderij is in de tweede helft van de 19de (of de eerste helft van de 20ste) eeuw toegevoegd. Het komt uit een van de talloze armoedige steegjes die afgebroken werden. Op de altaarbekroning lijkt een elegante Maria Magdalena links als het ware te dansen en geeft Elisabeth van Thüringen rechts voorbeeldig een gouden munt als aalmoes aan een bedelaar. Deze arme man, wiens voet geamputeerd is, rust op een kniekruk.

De zwartmarmeren altaartuin, toegeschreven aan Michiel I van der Voort (ca. 1720), omvat enkele decoratieve witmarmeren panelen met in een medaillon telkens de buste van een heilige die op dit altaar vereerd wordt:

  • aan de noordzijde: ‘S. Anthonius’ als oude man, met een t-kruis;
  • aan de zuidzijde: ‘S. Rochus’, als pelgrim met sint-jakobsschelpen op zijn schoudermantel;
  • aan de westzijde, aan weerskanten van het deurtje: ‘S. Anna’ en ‘S. Joachim’.

Een apart beeld van de heilige Antonius-Abt (17de eeuw) staat tegen de eerstvolgende zuil.