De Antwerpse Sint-Andrieskerk, een openbaring.

De Venerabelkapel

De zuidkant, de zijde van licht en warmte, staat symbool voor Gods doordringende en tot leven wekkende liefde. Vandaar dat in de gotische kerkenbouw de devoties die te maken hebben met Jezus’ liefdesoffer een plaats krijgen aan de zuidkant, zoals de devotie van het Heilig Kruis en van het Heilig of Venerabel (eerbiedwaardig) Sacrament. Die aloude symboliek heeft men gehandhaafd bij de Venerabelkapel, die pas na de heropbouw van de dwarsbeuk en van het koor opgetrokken wordt in (1666–1683). De broederschap van het Heilig Sacrament, alias ‘de Venerabelkapel’, die het initiatief nam voor deze kapel, bestond al ten tijde van de wijding van de kerk in 1529 én is nog steeds actief.

Het Heilig-Sacramentsaltaar

Aanvankelijk siert een traditionele triptiek met een Laatste Avondmaal (ca. 1589–1596) het Heilig-Sacramentsaltaar in de zuidbeuk. Het is geschilderd door Ambrosius I Francken, een parochiaan van Sint-Andries. Na de voltooiing van de Venerabelkapel richt men een modieus portiekaltaar op. In plaats van het oude retabel aan te passen verkoopt men het aan de kapelmeesters van het Heilig Sacrament in de naburige Sint-Joriskerk, die vanwege hun financiële situatie genoegen nemen met deze minder modieuze en goedkopere triptiek. Door confiscatie in 1794 belandt het werk uiteindelijk in de reserve van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Als sluitstuk voor de nieuwe kapel levert Pieter I Ykens in 1687 eenzelfde onderwerp, ditmaal op doek, dat qua afmetingen, vorm en compositie is aangepast aan de nieuwe altaaromlijsting. Merkwaardig genoeg ligt de nadruk eerder op de aankondiging van het verraad dan op de instelling van de Eucharistie. Een zinspeling op de waardigheid van de gelovige om de communie te ontvangen?

Rondom de tafel zijn Jezus en de apostelen geschaard. Omdat Jezus, uiterst links, opvallend gekleed is in het traditionele rood (oorspronkelijk het keizerlijke roodpurper), is Johannes aan zijn linkerzijde uitzonderlijk gehuld in een blauwe tuniek. De kunstenaar laat Johannes met het hoofd op Jezus’ schouder aanzitten en niet aanliggen, zoals in de Bijbel staat (Joh. 13:23). Na het stuk brood te hebben ingedoopt reikt Jezus het met beide handen aan Judas, als teken dat zijn verrader aanduidt: Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen. (Joh. 13:26a). De verrader, herkenbaar aan zijn gevulde (rode) geldbeurs (Joh. 13:29) en zijn traditionele gele mantel, zit centraal op de voorgrond vlak vóór Jezus. Hij kijkt verwonderd op en zet met een gebaar zijn schijnheilige vraag kracht bij: Ik ben het toch niet, Meester? (Mt. 26:25) De spanning is te snijden doordat de apostelen stilzwijgend toekijken. Drie zwevende engelen houden het kruis vast, ten teken van wat komen gaat. Het is tegelijkertijd een triomfteken van het geloof. Vanuit een gouden driehoek met daarin het Hebreeuwse tetragram voor God vertrekt een hemelse stralenbundel, niet om het tafereel te verlichten, wél als teken van goddelijke Voorzienigheid.

Het altaarmeubel wordt toegeschreven aan Lodewijk Willemssens (na 1679–voor 1687). In de altaarbekroning troont God de Vader, de scepter in de rechterhand en leunend op een globe. Jezus’ liefde is tenslotte ‘van God de Vader uitgegaan’, aldus de geloofsbelijdenis, en die onuitputtelijke liefde is in het sacrament van de Eucharistie tastbaar in het teken van het gebroken brood. Dat Heilig Sacrament wordt door de zittende figuur op de uiteinden van de altaarbekroning tweemaal omhooggestoken. Met een geconsacreerde hostie boven een kelk toont de linkse figuur het triomfantelijk als het sacrament zoals het in de Eucharistie wordt beleefd, terwijl de rechtse figuur een grote geconsacreerde hostie in een monstrans toont als voorwerp van aanbidding.

Sinds het Concilie van Trente (1545–1563) en tot in de jaren 1960 werd het Lof met Aanbidding ’s namiddags op zon- en feestdagen gepraktiseerd.

Op de predella-zone, verborgen achter het 19de-eeuwse tabernakel, prijkt een marmeren tafereel met De eerste wonderbare broodvermenigvuldiging, die plaatsvindt met vijf broden en twee vissen die een knaap aanbrengt. Geknield voor Jezus, biedt hij Hem een schotel met twee vissen aan. De beeldhouwer volgt de versie van Johannes (Joh. 6:1–15), waarbij twee apostelen op de voorgrond treden. De eerste, Filippus, wordt door Jezus op de proef gesteld met de vraag: Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten? (v. 5). Andreas, die de knaap tot bij Jezus heeft gebracht, staat centraal, achter de zittende Jezus. De patroonheilige van de kerk valt des te meer op door zijn weidse gebaar dat ofwel zijn onmachtige gevoel weergeeft – Maar wat betekent dat (beetje brood en vis) voor zo’n aantal? (v. 9) – óf Jezus’ bevel vertolkt om ‘de broden en vissen uit te delen’ (v. 11). Enkele apostelen delen het brood uit. De mensen die daar zaten (v.11), onder wie moeders met kinderen, nemen het brood en eten ervan. Omdat de nadruk ligt op de sacramentele betekenis van het brood, komen de twaalf korven met overschot die nadien opgehaald worden, op dit Heilig-Sacramentsaltaar niet in beeld.

In contrast met de zwarte marmeren omkadering van de beide zuilbasementen prijken vier halfverheven witmarmeren reliëfs met een engeltje. Elk van hen personifieert een van de drie goddelijke deugden, die hier in relatie staan met het sacrament van de Eucharistie. Uitzonderlijk wordt hun Bijbelse volgorde gehandhaafd, zonder de Liefde met een ereplaats te beklemtonen. Twee engeltjes hebben vlindervleugels in plaats van vogelveren.

Aan de linkerzijde:

  • Voor het christelijk Geloof is er het kruis met daarop een grote hostie als ‘Lichaam van Christus’ en een kelk voor ‘het Bloed van Christus’. Het wierookvat is eerder een attribuut van de Devotie of de Godsdienstigheid.
  • Zijpaneel: druiven, graan en maïs vormen de ingrediënten van het eucharistische brood en de wijn.
  • De Hoop, met als attribuut een anker, houdt de blik hemelwaarts, dankzij Jezus’ aanwezigheid in de Eucharistie.

Aan de rechterzijde:

  • Het engeltje met het brandende hart, symbool voor de Liefde, wordt vergezeld door een vredesduif met een olijftak in de bek. Het sacrament van de Eucharistie verliest zijn waarde als dat niet voorafgegaan wordt door ‘verzoening met je broeder’ (naar Mt. 5:24). Let op het ragfijne vlindervleugeltje van de engel.
  • Zijpaneel: de compositie met druiven, graan en maïs vormt het pendant van het linker zijpaneel.
  • Een engel draagt het boek met de zeven zegels (Apoc. 5:1) waarop de pauselijke tiara rust, terwijl hij in zijn hand ook de beide sleutels ‘van het rijk der hemelen’ houdt, symbolen van het leergezag van de Kerk over de Bijbel.

Het tabernakel

Het tabernakel werd vervaardigd door de gebroeders Wattlé in 1881. De kelk met hostie in een stralenkrans op de massieve tabernakeldeur geeft aan dat hier de geconsacreerde hosties bewaard worden als de tastbare aanwezigheid van Christus. Aan beide zijden is een oudtestamentische erewacht te zien die een voorafbeelding is van christelijke en specifiek katholieke geloofspunten, van links naar rechts:

  • Mozes houdt zijn (wonderlijke) herdersstaf in de hand (Ex. 4:2.17). Zijn blik hemelwaarts, gecombineerd met het gebaar van de opgeheven linkerhand, illustreert de tekst uit zijn roepingsverhaal bij het brandende braam bos: Abscondit Moyses / faciem suam; / non enim audebat / aspicere / contra Deum. / Exod. iii:6 (Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God op te zien.) De katholieke gelovige herkent dit: bij de Aanbidding houdt hij doorgaans ingetogen de ogen gesloten en kijkt slechts af en toe op naar de geconsacreerde hostie, gevat in een monstrans die op haar beurt in een expositietroon boven op het tabernakel staat.
  • Melchisedech biedt twee broden aan: Melchisedech / rex Salem, / proferens panem / et vinum / erat enim sacerdos / Dei Altissimi. / Gen. xiv:18 (Melchisedech, de koning van Salem [= Jeruzalem], bood hem [Abraham] brood en wijn aan. Hij was immers priester van God, de Allerhoogste.) Omdat Melchisech Abraham zegende, wordt zijn priesterschap van een hogere rangorde beschouwd dan dat van Aäron. Daarom wordt de Messias ‘priester volgens de orde van Melchisedech’ genoemd (Ps. 110:4). Het priesterlijke liefdesoffer dat Jezus heeft volbracht wordt telkenmale in de Eucharistie herhaald onder de gedaante van brood.
  • Aäron droeg oorspronkelijk zijn attribuut, een wierookvat. De bijbehorende tekst luidt: Separatusque est Aäron/ ut ministraret in / Sancto sanctorum, / ipse et filii ejus in / sempiternum, et adoleret / incensum Domino. / i xxiii, 13 (Aäron werd uitgekozen, hij en zijn zonen voor altijd, om gewijd te worden als een hoogheilig persoon, die altijd wierook moest branden voor de Heer. 1 Kron. 23:13). Aäron staat symbool voor de katholieke priester die tijdens de Aanbidding het Heilig Sacrament eer betoont met een rituele bewieroking.
  • De profeet Elias wordt vergezeld door een raaf met een brood in de bek omdat raven hem een tijdje onder meer met brood hebben gevoed (1 Kon. 17:1–6). Tekst: Et ecce Dominus transit. / Et spiritus grandis et / fortis subvertens montes. / Quod cum audisset / Elias, operuit / vultum suum pallio. / iii Reg. xix, 11 et 13 (En toen trok de Heer voorbij. Er ging een zeer zware storm voor de Heer uit die bergen deed splijten. Zodra Elias dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel. 1 Kon. 19:11–13). Elias maakt aanstalten om dat gebaar te maken. De geestelijke bijstand waarvan sprake, tastbaar in de vorm van brood, wordt ook hier tijdens de Aanbidding een werkelijkheid voor de gelovige die vol ontzag de ogen sluit.
'De ontmoeting van Abraham en Melchisedech' door Frans II Francken, ca. 1640.

De geschilderde predellapaneeltjes

Hoogstwaarschijnlijk waren het stel fraaie horizontale paneeltjes van Frans II Francken (ca. 1640) tegen de wand in het koor van de kapel de predellastukken van het vroegere altaar. De ontmoeting van Abraham en Melchisedech (Gen. 14:11–24) en Het wonder van het manna in de woestijn (Ex. 16:4–35) zijn de gebruikelijke oudtestamentische voorafbeeldingen van de eucharistische maaltijd waarin Jezus zichzelf aanbiedt als het levende brood.

De altaarwand

Het is niet duidelijk waarom de overigens hoog kwalitatieve volbarokke beelden van de beide Sint-Jannen hier staan, noch of ze later zijn toegevoegd. Alleszins heeft geen evangelist het Laatste Avondmaal en Jezus’ betekenis als ‘het levende brood’ zozeer toegelicht als Sint-Jan de Evangelist (links). Sint-Jan de Doper (rechts) is dan weer degene die Jezus als ‘het Lam Gods’ heeft aangewezen (Joh. 1:29.36), een titel waarmee Jezus bij de communie wordt aangesproken.

De volledig uitgesneden houten deuren links en rechts in de altaarwand, die misschien van elders afkomstig zijn, getuigen van de laatbarokke voorliefde voor theatrale effecten. De thematiek van Jezus’ liefdesoffer tot in zijn lijden en sterven sluit alleszins aan bij de devotie van de kapel. Links draagt een engel de doornenkroon en oorspronkelijk de drie nagels (afgebroken); bovenaan verwijst het kruis met een grote hostie naar het Corpus Christi (het Lichaam van Christus), zoals het bij de communieuitreiking wordt genoemd. Rechts draagt een wenende engel de Veronicadoek, terwijl boven hem in een kelk druiven geperst worden. Onderaan prijken hoornen van overvloed met graan en druiven.

De communiebank

Na het Frans Revolutionair Bewind wordt uit het klooster van de lievevrouwbroeders aan de Meir een witmarmeren communiebank overgebracht die in 1893 omgebouwd wordt met een zwartmarmeren omlijsting. Van links naar rechts volgen de allusies op de Eucharistie elkaar op. Een groot horizontaal paneel wisselt telkens af met een kleine verticale stijl, van links naar rechts:

  • De pelikaan die zich volgens het volksgeloof in geval van hongersnood de borst openrijt om haar kuikens te voeden met haar eigen ingewanden is een symbool voor Jezus die zichzelf heeft gegeven tot in de dood.
  • De twee stenen tafelen zijn het teken van het Oude Verbond tussen God en het joodse volk, dat moet wijken voor het Nieuwe Verbond in Christus Jezus.
  • Twee engelen dragen samen op de schouders een zware, reusachtige druiventros aan een stok: de wonderbare druiventros uit Kanaän, voor de joden symbool van het vinden van het Beloofde Land, door Augustinus geïnterpreteerd als Christus die aan het kruishout hangt.
  • Hosties in een mand. Bedoeld is onder meer de ‘kruik manna, bewaard voor het aanschijn van God’ (Ex. 16:33).

De deurpanelen zijn verdwenen.

  • Druiven (als tegenhanger van de hosties)
  • De waardigheid van de Ark van het Verbond wordt beklemtoond door een grote kroon erboven. Wat in deze kist bewaard werd, wordt vlak ervoor getoond: de twee stenen tafelen en een bloeiende tak. Voor de joden zijn de stenen tafelen het teken van het verbond tussen God en henzelf, ‘het uitverkoren volk’. Zoals gezongen in het oude Tantum ergo, het eucharistische loflied bij uitstek, moet dat teken van het Oude wettische Verbond wijken voor het Nieuw Verbond in Jezus, een liefdesverbond dat tastbaar wordt in het sacrament van de Eucharistie. Anders, en theologisch correcter, gezegd: voor de christenen wordt dat teken vervuld door het Nieuwe Verbond. De afgesneden plantenstok is de staf van Aäron, die op Gods bevel in de ark werd geplaatst en op wonderbare wijze bloesem voortbracht (Num. 17:8). Hij wordt gezien als een typologische voorafbeelding van de maagd Maria, die Jezus baart.
  • (verticaal) Drie toonbroden uit de tempel
  • Het Lam Gods, staande op het boek (van de Apocalyps) dat is gesloten met zeven zegels. Het Lam eet uit de hand van de engel rechts. Is dat geen lieflijke voorstelling?

De glasramen

De twee grote glasramen in de zuidwand, van het atelier Stalins-Janssens (1897), hebben op het eerste gezicht weinig te maken met het Heilig Sacrament. Maar wie aandachtig kijkt en doordenkt, vindt ook hier een link met de beide gedaanten van Jezus’ tegenwoordigheid in de Eucharistie. Het raam links toont Jezus in zijn doodsstrijd in de Hof van Olijven. Zijn bede Laat deze beker Mij voorbijgaan (Mt. 26:39.42) wordt door een engel uitgebeeld die Hem die kelk voorhoudt, zijnde Zijn bloed.

Het andere raam toont een vredig kersttafereel: ‘Jezus, geboren op een beddeke van stro’. Dat stro in de kribbe zijn echter heuse graanhalmen, een oude allusie op Jezus als het brood des levens (Joh. 6:35) en het brood dat uit de hemel neergedaald is (Joh. 6:41). De naam van zijn geboorteplaats, Betlehem, betekent letterlijk ‘huis van het brood’.

Schilderijen

Dezelfde allusie vinden we terug op het schilderij De Geboorte of Maria en Jozef bij de kribbe van Erasmus ii Quellinus (1607–1678), ook kerkmeester van Sint-Andries die financieel bijdroeg tot de bouw van de kruisbeuk. Op naam van zijn zoon Jan Erasmus Quellinus (1634–1715) staat het doek Jezus en de leerlingen van Emmaüs. Dat de twee leerlingen Jezus na diens dood en verrijzenis herkennen bij het breken van het brood is een nieuw testamentische zinspeling op de Eucharistie. Levensecht laten zij hun verbazing blijken: de ene veert recht, de andere spreidt de armen en de handen open in een breed gebaar. Hun woning is een paleis in heuse barokstijl, inclusief een fonteinnis en een zitbank met maskermotief. Een dienaar brengt een warme schotel (met verluchtingsdeksel) aan.

Vanuit de devotie tot het Heilig Sacrament richt men in deze kapel in 1676 een vereniging op van leken die de Communie naar de zieken regelmatig in processie begeleiden: de Broederschap van de Veertiendaagse Plechtige Berechting. Hun voorbeeldige heilige is Carolus Borromeus, de aartsbisschop van Milaan (16de eeuw) die zelf de Communie bij zieken en pestlijders bracht. Het anonieme schilderij Sint-Carolus Borromeus, nu in de tabbaardenkamer, hing oorspronkelijk hier tussen de ramen.

Het roodfluwelen processievaandel van de Kapel van het Heilig Sacrament, met een monstrans in reliëfgoudborduurwerk, komt uit het atelier van Louis Van Mooch (1865).

Tegen de zuidwand staat de zitbank van de kapelmeesters, met een geïntegreerde naamtafel in de lambrisering: ‘cataloge / der cappel / meesters // [die] / sedert het jaer / 1589 / gedient / hebben’.

De twee gebeeldhouwde engeltjes in de kap van het offerblok schudden hun geldbuidel om en hopen van u hier hetzelfde.