De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

Het college

Meer mens worden

Ignatius die de ambitie koestert om met zijn eerste volgelingen ca. 1540 naar de islamitische gebieden te trekken om de dialoog met hen aan te gaan, wordt door de oorlog verhinderd om uit te varen. Daarom besluiten ze hun diensten aan te bieden aan de paus. Op zijn vraag zetten Ignatius en zijn volgelingen zich in voor het onderricht van volksjongeren om hen ‘meer mens’ te laten worden. ‘Humaniora’-onderwijs wordt gauw een van de belangrijkste opgaven van de orde. Bleef het onderricht in de middeleeuwen grotendeels beperkt tot de geestelijkheid en de adel in kloosterscholen en een beperkt aantal universiteiten, dan komen de jezuïetencolleges in de 16de eeuw tegemoet aan een bredere drang naar intellectuele vorming, het zogenaamde humanisme (niet te verwarren met het vrijzinnige ‘humanisme’ van nu). Ook te Antwerpen is het college van de jezuïeten de eerste instelling voor middelbaar onderwijs. En dat christelijke humanisme, zij het met andere inzichten en accenten, blijft hun onderwijsideaal.

Omwille van dit opvoedingsproject zijn de jezuïeten gestart met kosteloos onderwijs! Het studiegeld mocht geen probleem zijn voor de minder welgestelden. Om dit te kunnen realiseren moest elk college over voldoende stichtingen beschikken.  Onderwijs was echter enkel een aangelegenheid voor jongens. En in de sociaaleconomische situatie van toen konden alleen de kinderen van de gegoede klasse zich permitteren om school te lopen; niet zonder reden betekent het Latijnse ‘schola’ zoveel als ‘vrije tijd’. De meeste jongeren werden haast vanzelfsprekend als leerjongen opgeleid voor het beroep van hun vader. De jezuïeten zagen het niet als een opgave om daarin enige structurele verandering aan te brengen. Het merendeel van hun ca. 500 leerlingen was dan ook in meer dan één opzicht geprivilegieerd.

Veel aandacht wordt geschonken aan de klassieke cultuur en het Latijn dat als spreektaal fungeert. Een andere karakteristiek die in hun pedagogisch project in het oog springt is het hanteren van de beeldtaal. Vanuit de geest van hun stichter – denk aan de Geestelijke Oefeningen – zijn ze daar uiterst bedreven in. Hun creativiteit op dat vlak is weergaloos. Heb je al eens een van de emblemata goed bekeken? Wijsheidsspreuken begeleid door een zinnebeeldige voorstelling, gegraveerd door de betere kunstenaars. Hun jubileum boek Afbeeldinghe van d’eerste eeuwe der Sociëteyt Iesu (1640) staat er vol van. Bijvoorbeeld ‘hoe hoger de baren, hoe beter het varen’, wat zoveel wil zeggen als: in moeilijke omstandigheden toont zich de meester. Die beeldcultuur wordt evenzeer vertolkt in de toneelstukken, door de leerlingen opgevoerd. Bijna jaarlijks is er minstens één toneelopvoering bij de plechtige prijsuitreiking. In 1685 doet de stadsmagistraat dan ook niet tevergeefs een beroep op hun talent voor een bijdrage aan de jubelstoet bij het eeuwfeest van de bevrijding van de stad.

In 1593 wordt aan de overzijde van de Spuistraat een pensionaat geopend (ter hoogte van de westkant van Campus Carolus van Lessius Antwerpen). Omwille van het toenemend aantal leerlingen krijgen de paters in 1607 van het stadsbestuur het oude Hof van Liere in de Prinsstraat ter beschikking voor hun school (de huidige Stadscampus ‘Hof van Liere’ van de Universiteit Antwerpen in de Prinsstraat). Aan deze riante patriciërswoning, jarenlang het Engelse handelshuis, wordt de mooie renaissancevleugel van pater Frederik de Tassis toegevoegd om ook andere afdelingen te huisvesten.

Op vraag van de Antwerpse bisschop richten de jezuïeten voor de seminaristen cursussen in van moraaltheologie, exegese en apologetica. Filosofie wordt gedoceerd aan ordegenoten in opleiding, de scholastieken, waaronder (de latere Sint-Jan Berchmans. In dat jaar 1617 start men met een leergang in de hogere wiskunde. Aldra geniet die een internationale faam met de wetenschappelijke arbeid van François d’Aguilon en professor Gregorius van Sint-Vincent inzake sterrenkunde en optica. Pater Jan-Karel della Faille, geportretteerd door Antoon Van Dyck, is er leerling. Vier jaar later wordt deze veelbelovende discipline naar Leuven overgebracht.

Aanvankelijk is er voor beide jezuïetengemeenschappen één rector, de befaamde historicus Carolus Scribani. Ondertussen verleent het Huis van Aken tijdelijk onderdak aan het Nederlandstalige noviciaat van de orde. Bij de splitsing van de Belgische jezuïetenprovincie, op basis van de landstaal, wordt het Huis van Aken in 1612 de zetel van het provincialaat van de Vlaams-Belgische ordeprovincie. Vier jaar later krijgt deze residentie een zelfstandig statuut: het wordt een professenhuis waar de evangelische armoede strenger onderhouden wordt: dat wil zeggen dat men niet mag beschikken over vaste inkomsten. De eerste praepositus (rector) van deze gemeenschap die een dertigtal paters en broeders telt, is Jacobus Tirinus. De grootse bouwplannen die deze jonge pater koestert, worden uitgewerkt door pater François d’Aguilon en na diens vroegtijdige dood in 1617, door lekenbroeder Pieter Huyssens.