De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

Het interieur

Anton Gheringh, Interieur van de Antwerpse jezuïetenkerk, 1665 (Wikipedia)

De kerk is gebouwd, ingericht en gestoffeerd in een tijdspanne van slechts zes jaar: begonnen in 1615 wordt ze reeds gewijd in 1621. Het betreft weliswaar een kleinere ordekerk, maar blijkbaar zette de enthousiaste orde er vaart achter, zeker als je bedenkt dat de complexere bouw van gotische kerken vele tientallen jaren in beslag nam zoals de Sint-Pauluskerk van de dominicanen (1517–1639). Om nog maar te zwijgen van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal die er 170 jaar over deed.

Functioneel · Een didactische ruimte

De kerk is zeer modern voor haar tijd. Er is dan ook heel wat denk- en overlegwerk aan voorafgegaan. Ontwerpen tonen zelfs een modernere centraalbouw, in het genre van de basiliek van Scherpenheuvel. Uiteindelijk wordt gekozen voor langbouw zodat men zich gemakkelijk tot een talrijk publiek kan richten.

In tegenstelling tot kloosterlingen zoals de dominicanen in de Sint-Pauluskerk of de kanunniken in de Sint-Jacobskerk, kennen zij geen enkel moment van een gezamenlijk plechtig gezongen koorofficie. Omdat de jezuïeten voorrang geven aan het pastorale werk in plaats van aan het gemeenschappelijk religieuze leven, bidden zij het dagelijkse getijdengebed individueel, te midden van het werk. Ignatius spreekt van ‘contemplatie in de actie’: een leuze voor de jezuïeten. Dus is er geen behoefte aan een koorgestoelte in een lang koor, wat toelaat het hoofdaltaar veel dichter bij het volk te plaatsen.

De kerkelijke architectuur tijdens de barok houdt geen rekening meer met de symboliek van de kruisvorm in het grondplan en dus zijn er geen dwarsbeuken, wat het hoofdaltaar nog dichter bij het volk doet komen. Omdat ambachten enkel een eigen altaar mogen oprichten in een parochiekerk en niet in een ordekerk, is er ook geen behoefte aan een groot aantal private zijaltaren.

De driebeukige kerk met een lengte van 60 meter is ingedeeld in negen traveeën. Beide zijbeuken zijn in hoogte en breedte net de helft van de middenbeuk. Omdat een dergelijk grondplan en opbouw eigen waren aan de vroegchristelijke kerken of ‘basilieken’ spreekt men hier qua bouwtype van een basilikale kerk.

Nieuw is dat de zijbeuk twee verdiepingen telt en dus even hoog is als de muren van de middenbeuk. De reden hiervoor is zeker niet van technisch-constructieve aard, maar is te begrijpen vanuit het functioneel gebruik van de galerijen als vergaderkapel voor de Maria congregaties van de jongeren en als catechisatielokaal voor de armere stadsjeugd. De jong gestorven jezuïetenstudenten Aloysius van Gonzaga († 1591) en Stanislas Kostka († 1568) worden de modelheiligen in beide didactische kapelruimten. En hoe geraakt al dat onstuimig jonge volkje daarboven? De beide traptorens zijdelings aan de voorgevel hebben elk een deur die van op het kerkplein rechtstreeks toegang verschaft tot een stoere arduinen trap. De tribunes lopen bovendien als doksaal verder boven de hele eerste travee (en onder het orgel).

Net als de zijbeuken onderaan zijn beide gaanderijen afgesloten met een halfronde apsis. Zo zijn er in de kerk zelf vijf altaren, met nog eens twee in de aan gebouwde zijkapellen (1621–1625).

Geven de gotische kerken volle aandacht aan het van buiten komende goddelijke licht van de gekleurde glasramen, dan wil een barokkerk door pracht en praal binnen een hemelse dimensie bewerkstelligen. Om over een ruime en sierlijke kerk te beschikken heeft men gebruik gemaakt van een houten overwelving, die door haar geringer gewicht toelaat de muren van de middenbeuk te doorbreken met twee arcaden: rondbogen, gedragen door decoratieve, lichtere marmeren zuilen onderaan met Dorische, boven met Ionische kapitelen.

Deze bouwtechniek zal de jezuïeten een eeuw later berouwen. Wanneer in 1718 de bliksem inslaat zal het brandende dak neerstorten op dit houten gewelf, met alle gevolgen van dien: de beroemde plafondreeksen van Rubens en de prachtige marmeren zuilen, alle naar de bliksem … Gotische architectuur mag dan barbaars-gotisch zijn in de ogen van de postrenaissancemens, een stenen gotische ribbengewelf had wél bestand geweest tegen brandende daken …

De heropbouw van de zuilenbasiliek wordt toevertrouwd aan Jan Pieter I van Baurscheit, in een beperkte samenwerking met zijn zoon Jan Pieter II, die te Antwerpen naam zal maken als laatbarokke architect. Na drie jaar kan de kerk haar (nieuwe) deuren weer openen. Doch de oude glorie is niet meer. Zo zijn de marmeren monolietzuilen vervangen door goedkopere exemplaren in grijze blokken natuursteen, die sneller op te bouwen zijn en die overigens onbeschilderd blijven. Pas bij de restauratie in 1980–1983 wordt een verzorgder effect nagestreefd door ze te witten, maar een echte marmerimitatie is het nog niet.

Decoratief · Een liturgische feestzaal

Het interieur van de kerk heeft veel weg van een barokke feestzaal, zeker in de oorspronkelijke toestand zonder kerkstoelen. Je zou je haast wanen in een balzaal van Sissi, de keizerin. En dat is ook de bedoeling. In een barokkerk wil men waarachtig de hemel op aarde brengen: de mensen reeds een voorproefje geven van de hemelse feestvreugde in het eeuwige Vaderhuis. God ontmoeten: een uitbundige vreugde! Vermits in de 17de-18de eeuw het burgerlijke en kerkelijke leven uit dezelfde barokcultuur putten, is de vergelijking met een balzaal niet misplaatst. Ofschoon anti-rooms gaf de hussietische geestelijke A.S. Hartmann uit Bohemen hier op bezoek in 1657, in bewondering toe dat deze jezuïeten hun hemel op aarde hebben.

Die vreugde wordt in de barok mee opgewekt door exuberante decoratie. Kosten noch moeite worden gespaard. En al kan je de kerk in haar huidige aankleding moeilijk sober noemen, toch was ze vóór de brand van 1718 nog veel rijker. Hoe het interieur er aanvankelijk uitzag, weet men zeer precies dankzij talloze (geschilderde) kerkinterieurs.

Niet voor niets stond de jezuïetenkerk tot in 1718 bekend als de marmeren tempel, al is deze aanduiding door de jezuïeten zelf gecreëerd. Een aardig staaltje van imagebuilding of – in de (Latijnse) taal toen van de jezuïeten: ‘imago’. Marmers in alle kleuren en patronen vond je er vroeger meer dan nu, onder meer aan:

  • De apsiswand, gespaard gebleven dankzij het stenen gewelf van de concha.
  • Het hoofdaltaar, idem.
  • De geaderde witte zuilen, maar verwoest tijdens de brand van 1718. De nieuwe van ca. 1719 werden bij de restauratie in 1983 in het wit gezet.
  • De relieknissen in de zijbeuken: zwart-wit, met festoenen en guirlandes, verdwenen, nu hangt er de schilderijenreeks met de apostelen voor.
  • De vloer met een speels zwart-witpatroon, vaak onterecht aangezien voor een labyrint.

De zijbeuken werden op beide niveaus afgewerkt met een vlakke zoldering, thans met stucwerk bezet, maar oorspronkelijk drager voor 39 plafondschilderijen van Peter Paul Rubens.

Boven de apsiswand bestaat nog het oorspronkelijk tongewelf met vergulde caissons. Zó was de hele overwelving van de middenbeuk vóór de brand van 1718. Jan Pieter i van Baurscheit vervangt het door gordelbogen; een goedkopere en snellere oplossing die het interieur een classicistisch-barok uitzicht verleent.

Een nieuwe houten lambrisering bedekt de wand van de zijbeuken.

Altijd feest

Een katholieke kerk is een bedehuis. Mensen komen er Gods aanwezigheid bewuster beleven: dankend bidden om het verleden, bezinnend bidden in het heden, smekend bidden voor de toekomst. Brandende kaarsjes geven er blijk van. Daarom was de kerk in de 17de–18de eeuw ruim toegankelijk: de ganse dag, vanaf 4.30 uur ’s morgens! Nog meer ‘open deur’ is nauwelijks in te denken.

Tijdens de Contrareformatie is een kerk – zeker bij de jezuïeten – ook een leerhuis waar men via de kracht van het beeld de aanwezigen probeert te doordringen van de katholieke waarheid omtrent God, Jezus, de Kerk, de sacramenten, de heiligen, de deugden.

Eerst en vooral is een katholieke kerk de ruimte waarin de gelovigen in gemeenschap God vieren. In de barok groeit (zeker) een (jezuïeten)kerk uit tot een grandioze feestzaal. God nu reeds mogen ontmoeten in Zijn zoon Jezus in de sacramenten van de biecht en de Eucharistie, Jezus’ liefdevolle persoonlijkheid mogen voelen, dat móet een feest zijn! In tegenstelling tot de protestanten en later de jansenisten ijveren de jezuïeten voor het veelvuldig ontvangen van de sacramenten, zoals de biecht en de communie. Vanaf 1630 komt de ‘algemene communie’ op de eerste zondag van de maand in voege. Weldra worden hier jaarlijks ca. 200.000 hosties uitgereikt. Op sommige feestdagen volstaat de communiebank voor het hoofdaltaar niet meer en worden ook die van de zijkapellen en die van de sodaliteiten benut.

Voor de goddelijke eredienst is in de ogen van de jezuïeten van toen geen pracht of praal te veel. Van de versiering der altaren wordt veel werk gemaakt, terwijl de diensten op feestdagen opgeluisterd worden door koormuziek met orkestbegeleiding. Zo staat pater W. Greyns gedurende 38 jaar in voor de muzikale opvoeringen in de kerk.

De orde kent ook het veertigurengebed op vastenavond dagen. Vooral populair te Antwerpen is het offeren van kaarsen in het octaaf (achtdaagse periode) van het feest van Onze-Lieve-Vrouw-Presentatie (21 november) waarbij de sodaliteiten wedijveren om ter meest kaarsen te offeren. Die worden opgesteld in lange rijen tussen de zuilen van het gelijkvloers en van de tribunes; dat moet een spektakel geweest zijn!

En dan zijn er de bijzondere gelegenheden, te beginnen met de kerkwijding in 1621, wanneer de feesten acht dagen aanhouden. Op het plein voor de kerk voeren 400 collegestudenten een groots opgezet toneelstuk op.

De heiligverklaringen van de eigen ordeleden vieren de jezuïeten steevast met indrukwekkende plechtigheden. De luisterrijke feesten ter ere van de heiligverklaring van Ignatius en Franciscus Xaverius in 1622 overtreffen alle soortgelijke. De pas voltooide toren, ‘wit in zijn nieuwe stenen’, wordt bestraald door duizenden waskaarsen, waarvan het schijnsel versterkt wordt door reflectoren in verzilverd metaal. Onder trompetgeschal en fluitmuziek schieten vuurpijlen vanaf de beide traptorens – langs draden – naar het plein omlaag waar ze het ketterse ‘kasteel van de afgunst’ doen exploderen.

Een al even grootse manifestatie vormt het jubileum van het honderdjarig bestaan van de orde in 1640. Bij deze gelegenheid verschijnt onder leiding van Johannes Bolland(-us) het befaamde Imago primi sæculi te Antwerpen, alsook een verkorte Nederlandse versie: Afbeeldinghe van d’eerste eeuwe der Sociëteyt Iesu. De inhoud ervan wordt op toneel uitgebeeld op het binnenplein van het college. Met grootse luister viert men in 1726 de heiligverklaring van Aloysius van Gonzaga en Stanislas Kostka.

Extra vermelding verdient het buitengewoon feestelijke muziekstuk dat ter gelegenheid van de Blijde Intrede van Kardinaal-Infant Ferdinand van Oostenrijk in 1635 wordt uitgevoerd. Aan elk kooronderdeel van de 22-stemmige mis (van Orazio Benevoli) wordt een klavierinstrument toegevoegd. En waar staat dan zo’n reeks instrumenten best (hoorbaar) opgesteld? Jawel, op de galerijen: telkens een klavierinstrument per compartiment. Indrukwekkend!

Ook de parochianen van de Sint-Carolus Borromeusparochie komen hier sinds 1802 vieren; zeker op de grote scharniermomenten van het leven: doop, vormsel, huwelijk en begrafenis. In de jaren 1920 zijn er zeven zondagsmissen, waaronder een vroegmis om 5.45 uur. In 1912 telt de parochie ca. 6.500 inwoners. Zijn er in 1954 nog 5.140 inwoners en in 1964 3.450, dan zakt het inwonertal in de jaren 1970–1980 tot onder de 2.000. Deze demografische evolutie wordt weerspiegeld door het verenigingsleven dat vanaf 1913 tot in de jaren 1980 zich afspeelde in het parochielokaal, Coppenolstraat nr. 3.

Een apart gebeuren sinds 1943 is de Artiestenmis op zon- en feestdagen om 11.30 uur. Het initiatief ertoe werd genomen in volle oorlogstijd door Maria-Elisabeth Belpaire en Benoit Roose met de bedoeling dat kunstenaars elkaar daar ontmoeten. Deze mooie traditie wordt reeds vele jaren in stand gehouden dankzij de belangstelling die zij geniet in geheel Antwerpen. Want al is het parochiale verenigingsleven in een grootstad niet meer vanzelfsprekend, enkele honderden christenen uit de agglomeratie kiezen ‘Sint-Carolus’ tot parochiekerk.

Interieur van de Sint-Ignatiuskerk, Antwerpen, Wilhelm von Ehrenberg, olie op wit geaderd marmer, 1668 – Rubenshuis Antwerpen (foto Wikipedia)

Toeristisch en pittoresk

De Sint-Ignatiuskerk, alias de marmeren tempel was in de 17de eeuw een van de toeristische paradepaardjes van Antwerpen. Geen reisverslag, of er wordt over uitgeweid en hoe soms! Volgens Edward Brown (1668), lijfarts van Karel II van Engeland, overtreft deze jezuïetenkerk ver alle andere kerken die hij ooit in Italië gezien heeft.

Van alle Antwerpse kerken is haar interieur blijkbaar het meest ‘pittoreske’, te oordelen naar het ongelooflijk aantal kerkinterieurs, een populair genre in de 17de-eeuwse schilderkunst met als bekende schilders Peter I Neeffs, Anton Gheringh en Wilhelm von Ehrenberg. In de kerk zelf worden er drie bewaard:

  • een kleine, haast naïeve voorstelling door P. Casteels op perkament
  • een doek van Wilhelm Schubert van Ehrenberg [zie afbeelding]
  • een anoniem werk, eveneens op doek.

Vanuit de Antwerpse jezuïetenresidentie zijn er bij de opheffing van de orde twee in Wenen beland, opgekocht door het hof:

  • een werk van Peter i Neeffs en Sebastiaan Vranckx
  • een werk van Anton Gheringh; varianten vindt men in München, Madrid en Würzburg.

Het Rubenshuis bezit een mooi, sober exemplaar op wit geaderd marmer van Wilhelm van Ehrenberg terwijl van dezelfde kunstenaar in het museum van Elsene een groot kleurrijk maar fantasierijk stuk hangt.