De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

Het professenhuis

Een centrum voor intellectueel leven

Zijn de paters van het college vooral bezig met onderwijs en opvoeding, dan leggen die van het professiehuis zich toe op spiritualiteit, liturgie, horen van de biecht, predicatie en missionering, studie en wetenschappelijk onderzoek. Op het vlak van de literatuur laten de jezuïeten in het drukkerscentrum Antwerpen zich zeker niet onbetuigd: van hun hand worden hier ontelbare werken gepubliceerd. Sommigen beoefenen de dichtkunst, zoals Herman Hugo en Adriaan Poirters. De filoloog bij uitstek is pater Andreas Schott. Geschiedkundige werken zijn onder meer te danken aan Carolus Scribani en voor wat Antwerpen betreft Daniël Papebrochius, de gelatiniseerde vorm van ‘van Papenbroeck’; in de humanistische kringen was Latijn nu eenmaal ín. Werkelijk overvloedig is de geestelijke literatuur. Hét hand boek van de Maria congregaties is van de hand van de grote controverse-predikant Franciscus Costerus (Frans de Coster).

Omdat intellectuele katholieken het moeilijk hebben met de legenden rondom heiligenfiguren en omdat de protestantse christenen zich sowieso verzetten tegen de verering van heiligen, bestuderen de jezuïeten de heiligenlevens volgens de methodes van de historische kritiek. De eerste is Heribert Rosweyde, gevolgd door Johannes Bollandus die het Antwerpse professenhuis tot een heus studiecentrum maakt van de hagiografen, naar hem ‘bollandisten’ genoemd. Een vijftigtal delen van hun wereldvermaarde Acta Sanctorum of De feiten van de heiligen zien hier het daglicht. Belangrijke medewerkers zijn Godefridus Henschenius en de genoemde Papebrochius.

Daniël Seghers – Bloemenkrans rond Madonna met Kind, Wikipedia

Ook in eigen rangen tellen de jezuïeten kunstenaars: de architecten François d’Aguilon en Pieter Huyssens, de befaamde bloemenschilder Daniël Seghers (Antwerpen, 1590–1661) en Melchior Hamers die zich in de beeldhouwkunst bekwaamd had. De roem van Seghers die vanaf 1627 als lekenbroeder in het professiehuis woont, reikt tot over de landsgrenzen. Joost van den Vondel dicht ter zijner eer:

De geest van Seghers is een bij
waarop de Nederlanders roemen.
Zij zuigt haar honinglekkernij
en geur uit allerhande bloemen.

Een bij kwam op zijn schilderij
en geur en kleuren aangevlogen
en riep: ‘Natuur, vergeef het mij,
dat bloemenpenseel heeft mij bedrogen’.

In Antwerpen waren de jezuïeten eveneens gekend voor hun caritatieve inspanningen bij gevangenen, armen, zieken en stervenden, zowel aan huis als in de hospitalen. Voor het armen- en ziekenbezoek worden ze bijgestaan door leden van de Mariacongregaties en door hun geestelijke dochters. Tijdens pestepidemieën leggen de jezuïeten een buitengewone toewijding aan de dag bij de verzorging van de zieken: assistunt postfris heet dat in de personeelslijsten. Door besmetting zijn bij dit werk meerdere ‘gezellen van Jezus’ bezweken; ‘een leerling staat’ immers ‘niet boven zijn meester’ (Mt. 10:24).

Om een gezond evenwicht te verkrijgen tussen inspanning en ontspanning beschikt elke jezuïetenresidentie over een eigen landhuis. Het buitengoed van het professiehuis in Berchem wordt in 1618 verlaten voor het gunstiger gelegen hof Ter Rivieren te Deurne, terwijl de paters van het college het naburige kasteel Vennenburg alias het Goed ter Heyden verwerven, later bekend als het Jezuïetenhof. En omdat de jezuïeten van Lier vlak daarnaast het Sterckxhof bezitten, kan je stellen dat wat eertijds jezuïetenbezit was, nu de grootste groene long van Antwerpen vormt.

Het pensionaat of convict wordt in 1630 overgebracht naar de Prinsstraat om in 1651 nogmaals te verhuizen naar een derde patriciërspand, het Hotel van Stralen in de Korte Sint-Annastraat. Het wordt dan de derde zelfstandige jezuïetencommunauteit binnen Antwerpen. In het midden van de 17de eeuw huizen er 150 internen uit vooral gegoede families zowel uit de omgeving als uit het buitenland.

Voor de ontspanning van hun leerlingen huren de paters van het convict in 1638 het buitengoed Craeyenhof in Burcht. Gezien de onveiligheid die uitgaat van de nabije Staatse troepen, laten de jezuïeten al gauw hun oog vallen op het Bisschoppenhof van bisschop Malderus op het Kiel, dat zij tot een lusthof herscheppen met bomen, hagen en sierstruiken, vijvers en speelpleinen. Omdat de nieuwe Mariakapel ook fungeert als kerk voor de 4.000 inwoners van Kiel en Beerschot, staat het domein voortaan bekend als Mariënborgh.