De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

Ruimtewerking aan alle kanten

Een ontwerp van broeder Pieter Huyssens voor het grondplan van het professenhuis, ca. 1622, waarbij het Huis van Aken zou moeten wijken voor een portiekgallerij, onuitgevoerd © Archief Sint-Carolus Borromeuskerk, Antwerpen

Voor zijn grootse plannen moet pater Tirinus over een uitgestrekt bouwterrein kunnen beschikken en gaat hij over tot de aankoop van alle panden in de Spuistraat, meerdere aan de Sint-Katelijnevest en enkele in de Wijngaardstraat. De afbakening van dit ruime perceel is als volgt:

  • ten zuiden door de Korte Nieuwstraat
  • ten noorden door de Wijngaardstraat
  • ten westen door de nieuwe Sint-Pieter en Paulusstraat, die de oude Spuistraat vervangt
  • ten oosten door de straat ‘Sint-Katelijnevest’, met daarnaast de gelijknamige open rui.

De nieuwverworven panden worden afgebroken en de beide ruien worden grotendeels overwelfd: de Ankerrui die het perceel dwars doorsnijdt en de rui van de Sint-Katelijnevest. Aldus is het terrein geëffend voor een heus bouwproject. Maar hoe de vrijgekomen ruimte het best benutten? Men moet onder meer rekening houden met:

  • de oppervlakte verdeling: de grote rechthoekige terreinen moeten gereserveerd worden voor de kerk en het plein.
  • de integratie van het riante Huis van Aken, het enige pand dat men behoudt.
  • de beoogde stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten (zie verder)
  • de behoeften van de paters en de functies van de ruimten

Dat de barokke kerk net als de naburige oude gotische kerken oostwaarts gericht is, lijkt eerder een toeval dat te wijten is aan de indeling van het bouwterrein. De barok die in het zonovergoten zuiden ontstaan is, wil bij de kerkenbouw immers niet meer weten van de gotische licht symboliek en de bijhorende oriëntatie naar het oosten.

Het Huis van Aken rondom een rechthoekige koer vormt de kern van de verdere uitbouw. Aan de (voormalige voor)gevel (van de verdwenen Spuistraat) vertrekken in westelijke richting twee vleugels, waarvan een met een sierlijke open gaanderij. Zij flankeren de grote koer en lopen verder door naar een kleinere, niet totaal afgesloten koer. Ten oosten ligt een grote vierkante tuin met daaraan palend de keuken, de refter en in de uiterste zuidoostelijke hoek de ziekenafdeling met een lazaret voor de paters die aan besmettelijke ziekten lijden.

Nu de oude voorgevel van het Huis van Aken ingesloten is, wil men de barokke voorgevel van de nieuwe residentie laten uitgeven op het grote kerkplein. Welke voorbijganger zou kunnen vermoeden dat achter die ene nieuwe, lange gevel zo’n merkwaardig complex schuilgaat van oude panden en nieuwe vleugels rondom meerdere binnenplaatsen?

De monumentale toegangspoort draagt het IHS-embleem van de orde. De ontvangstzalen en de spreekkamers bevinden zich op de benedenverdieping, terwijl de bovenverdieping de immense bibliotheek omvat. De individuele kamers van de paters zijn gelegen op de bovenverdieping aan de zuidkant.

Ondertussen hebben de Mariacongregaties in 1622–1623 aan de westzijde van het plein, tegenover de nieuwe kerkgevel, voor eigen rekening het sodaliteitsgebouw laten optrekken met boven en onder een grote rechthoekige kapelruimte. In feite wordt dit als een zijvleugel gehecht aan de voorgevel van het professenhuis. Door dezelfde geleding, materialen en decoratie vormen ze één architectonisch geheel.

De kerk, het professenhuis en het sodaliteitsgebouw vormen de drie vleugels van een barok gebouwencomplex rondom een centraal voorplein zoals je dat onder meer aantreft bij het paleis van Versailles, het Palazzo Barberini te Rome en de Würzburger Residenz.

Toch is het niet de centrale gevel van de residentie, maar wel de kerk die, hoewel terzijde, met haar imposante gevel de aandacht trekt. Daar komt een andere dynamische karaktertrek van de barok tevoorschijn. Om tot bij het hoofdportaal van de kerk te komen, kan je moeilijk récht op het doel afgaan; het sodaliteitsgebouw met zijn zaalkapellen aan de westzijde van het kerkplein laat daar, recht tegenover het kerkportaal, geen straat of doorgang toe. Wie op het kerkplein aankomt, ontwaart de imposante kerkgevel ofwel langzaam vanuit de Wijngaardstraat, ofwel eensklaps in een quasi-kikvors perspectief vanuit het zogenaamde Jezuïetengat, dit is de doorgang met een tongewelf die op de benedenverdieping uitgespaard is tussen het sodaliteitsgebouw en het professenhuis. Dit ‘gat’ geeft uit op de Jezuïetenrui. Een dergelijke zijdelingse benadering is typisch voor de barok. Voorbeelden hiervan zijn er te over in de urbanisatie van het barokke Rome met talloze pleinen die door kerkgevels gedomineerd worden. Alom bekend is het Sint-Pietersplein (Gian Lorenzo Bernini, 656–1657) waar een obelisk je wel dwingt in sierlijke slalom zijdelings op te gaan naar het symbool van de Katholieke Kerk.