De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

Het sodaliteitsgebouw

Verzamelen rondom Maria

De paters van het professenhuis staan ook mee in voor de Mariacongregaties of sodaliteiten. Om manspersonen van allerlei rang, stand en leeftijd tot het ideaal van heiligheid te voeren, heeft de Sociëteit van Jezus verenigingen opgericht met als patrones Jezus’ moeder, Maria. Ingedeeld volgens leeftijd, levensstaat of voertaal komen de leden van deze sodaliteiten op zondagmorgen samen. De eerste sodaliteiten zijn opgericht onder de collegestudenten na de inname van de stad in 1585. Zij zijn het die de actie op het getouw zetten om Antwerpens patrones Maria weer een reuzengroot beeld te bezorgen op de gevel van het stadhuis: een werk van Philips De Vos. Een dergelijke, op een specifiek publiek afgestemde geloofsverdieping slaat bijzonder goed aan bij intellectuelen en kunstenaars en bij de burgerij. Dit apostolaatswerk kent een ongemene bloei zowel wat ledenaantal als werkzaamheden en invloed betreft. Het toenemend aantal leden (meer dan 3.000), verspreid over een tiental sodaliteiten, noopt hen van 1622 tot 1623 – voor eigen rekening – een afzonderlijke vleugel op te trekken: het sodaliteitsgebouw, bestaande uit twee ruime vergaderkapellen boven elkaar.

De beneden verdieping is bestemd voor volwassenen die zich groeperen, hetzij bij de Nederlandstalige Gehuwden, hetzij bij de meer geleerde Latinisten, waaronder Peter Paul Rubens, Balthasar Moretus en enkele geestelijken zoals kanunnik Aubertus Miraeus. Beide afdelingen staan onder het patronaat van Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap en mogen op hun altaar de voorstelling bewonderen van de hand van hun geestesgenoot Rubens, wiens actieve inbreng verder gaat in twee mandaten als bestuurslid. Later verzamelt hier ook de Franstalige afdeling van de Wallons, de buitenlanders die te Antwerpen verblijven, onder de titel van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen.

Het mystiek huwelijk van de gelukzalige Herman-Jozef met Onze-Lieve-Vrouw, Antoon van Dyck, 1630, (Kunsthistorisches Museum, Wien, foto Wikipedia)

De bovenkapel behoort toe aan de Nederlandstalige jongeren, die gemakkelijker trappen klimmen. Wie boven de 18 jaar is en ongehuwd is, hoort bij de Bejaerde Jongmans, onder de titel van Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte. Een van hun beroemdste leden is Antoon Van Dyck die in 1628 het altaarstuk Maria met Kind en Sint-Rosalia schildert, evenals Het mystiek huwelijk van de gelukzalige Herman-Jozef. Dat de bedragen die hij daarvoor aanrekent aan de lage kant zijn, kan erop wijzen dat hij meer is dan een papieren lid.

Opvallend is dat zo vele artiesten lid zijn van één van deze Mariacongregaties. Vandaar dat hun registratie hier, na de inschrijvingslijst van de Sint-Lucasgilde, de meest geciteerde biografische bron vormt voor de Antwerpse barok. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat deze vergaderruimten uitblonken in artistieke pracht.

De bovenkapel in het bijzonder moet schitterend geweest zijn, rijk aan materialen en kleuren. Een cyclus van liefst 27 schilderstukken als eerbetoon aan Maria sierde het plafond; negen traveeën met telkens een tafereel uit Maria’s leven, geflankeerd door symbolen en emblemata. Franse soldaten (vóór de Revolutie) stonden zo in bewondering dat ze deze kapel waardig vonden als eetzaal van hun koning. Al deze pracht gaat teloor bij de opheffing van de jezuïetenorde in 1773, zij het ten onrechte, vermits de sodaliteiten een zelfstandig statuut bezaten en altijd zelf hadden ingestaan voor de kosten van bouw, inrichting, opsmuk en onderhoud.

Kan in hun prestigieuze college de toekomstige leidinggevende klasse terecht, dan blijft de missie van de jezuïeten ook gericht op de vorming van de werkende jongeren. Met de steun van de leden van de Mariacongregaties richten zij zowel in de stad als op het omringende platteland in het verlengde van de zondagsscholen godsdienstonderricht in: de catechismuslessen. Daarvoor kunnen zij in de stad beschikken over dertien kapellen. Zo bereiken zij in 1609 liefst 3.200 kinderen. Een aparte sodaliteit, de Broederschap van Christelijke Lering, met als patroonheilige Carolus Borromeus, moet dit werk nog beter behartigen. Een veertigtal vrouwen van de burgerij en de adel houden zich met de meisjes bezig. Een bijzondere categorie zijn de geestelijke dochters: vrouwen uit de burgerij die streven naar christelijke deugdzaamheid, de gelofte van maagdelijkheid afleggen en doorgaans in het ouderlijke huis blijven wonen. Voor geestelijke leiding kunnen zij terecht bij een jezuïetenpater.

De leergierigheid van de kinderen bevordert men door wedstrijden met uitreiking van prentjes, medailles, rozenkransen en devotieboekjes. Dit groeit uit tot een prachtig catechismusfeest met Bijbelse en allegorische toneeltjes. Zo is bij de Vlaamse jezuïeten het feest van de Eerste Communie ontstaan (1656). De Antwerpse jezuïetenkerk telt soms op één jaar 1600 eerstecommunicanten. Om het catechese-onderricht te ondersteunen geven de Antwerpse jezuïeten catechismusboekjes uit. Dit initiatief leidt onder leiding van pater Willem de Pretere in 1623 tot de Mechelse catechismus.