De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

De voorgeschiedenis

De eerste jezuïeten te Antwerpen (1562–1614)

Er was eens … een student in Parijs die het moeilijk had om zijn studies te betalen. Een gedreven man, van lage adel, uit Spaans-Baskenland. Zijn naam: Iñigo de Loyola (1491–1556). Driemaal bezoekt hij de Nederlanden (1529, 1530 en 1531) om er bij zijn kapitaalkrachtige landgenoten geld te bedelen. Aan zijn verblijf in de handelsmetropool Antwerpen, op de hoek van de Lange Nieuwstraat en de huidige Eikenstraat, herinnerde eertijds een borstbeeld met chronogram op de hoekgevel. Nu hangt er enkel een bescheiden plaatje tegen de oude kerkhofmuur bij de zuidingang van de Sint-Jacobskerk. Onder de gelatiniseerde naam ‘Ignatius’ wordt hij later wereldberoemd als stichter van de Sociëteit van Jezus, beter bekend als de jezuïetenorde, door paus Paulus III erkend in 1540.

Wanneer jaren later de Spaanse kolonie te Antwerpen een kapelaan verlangt die hun moedertaal spreekt, kan zij hiervoor terecht bij de jonge, actieve orde van Spaanse origine. Zo komt de eerste jezuïet zich hier in 1562 vestigen, weldra gevolgd door nog enkele buitenlandse paters, voor het pastoraal van de belangrijke Spaanse en Portugese bevolkingsgroepen. Vijf jaar later zijn ze ook als legeraalmoezenier actief bij het garnizoen van Alva dat in de gloednieuwe citadel gelegerd is. Voorlopig huren de paters een pand op de Meir. Zo wordt Antwerpen na Leuven (1542) en Brugge (1560) de derde stichting van de Sociëteit in de Nederlandstalige regio.

Graag willen ze hun actieterrein uitbreiden met een college voor middelbaar onderwijs. Dankzij de milde steun van talrijke weldoeners kopen zij in 1574 – voor 34.000 florijnen – het vermaarde Huis van Aken, een laatgotisch pand rondom een rechthoekige koer. Het is een van de grootste en prachtigste patriciërswoningen van de stad, door de metaal handelaar Erasmus Schetz uit Aken gebouwd aan de Korte Nieuwstraat en de (thans verdwenen) Spuistraat (ter hoogte van de huidige Campus Carolus van Lessius Antwerpen). Zie je in de zuidoostelijke hoek van het huidige kerkplein de smalle deur en ramen en de hoger opgetrokken dak hoek? Dat is er nog een restant van.

De onkosten voor de aanpassingswerken en de bouw van een eenbeukige kapel in de tuin – nogmaals 10.000 florijnen – worden integraal gedragen door de welgestelde Spanjaard F. Frias. Weldra telt het college een 300-tal leerlingen.

Doordat de wreedaardige Spaanse Furie in 1576 aan hun huis voorbijgaat, wordt het imago van de jezuïeten als Spaanse priesters nog versterkt. En dat moeten ze bekopen. Antwerpen kiest immers, begrijpelijkerwijze, voor een anti-Spaans revolutionair bestuur en dat krijgt weldra een uitgesproken calvinistische signatuur. De katholieke geestelijken die niet instemmen met een eed van trouw aan de Republiek, moeten de stad verlaten, zo de jezuïeten in 1578. Dat de ‘kolonels’ van de revolutionaire burgerwacht hun intrek nemen in één van hun collegelokalen, kan aangezien worden als een politiek-symbolische zet; te meer daar het meubilair gedeeltelijk opgeëist wordt voor de residentie van Willem van Oranje in de Citadel. Voortaan houden de calvinisten hun prediking in de jezuïetenkapel die ze ‘zuiveren’ van al wat rooms(-katholiek) is.

In 1585 keert het tij. De stad is door het beleg van Alexander Farnese nog maar net terug in de handen van het wettige Spaanse gezag of de volgende dag nemen de jezuïeten opnieuw bezit van hun eigendom en op de derde dag celebreren ze een jubelmis in aanwezigheid van de gouverneur. Het college kan zijn deuren heropenen.