De Antwerpse jezuïetenkerk, een openbaring.

De voorgevel

Ontwerp voor de gevel van Il Gesù te Rome, Jacopo da Vignola, 1570, maar veel logger uitgevoerd door Giacomo della Porta, ca 1575.
Onderdelen van de gevel

In de lijn van …

De indrukwekkende gevel is rechtstreeks geïnspireerd door die van de 40 jaar oudere moederkerk van de orde te Rome: de Gesù of Jezuskerk, opgetrokken door Giacomo della Porta ca. 1575. Een renaissance of barokke kerkgevel wil zich volwaardig tonen, zonder belemmering van een toren. Aldus is de gevel qua volume en structuur al veel meer een weerspiegeling van het bouwwerk dat erachter verscholen zit. De combinatie van een hoog schip met lagere zijbeuken wordt opgevangen door grote voluten. Typerend is ook de voorliefde voor de klassieke zuilenordes. In feite is deze Antwerpse hypermoderne kerk van toen enkel een nieuwe versie van een ouder model. Ook de barok evolueert langzaam.

Geledingen

geleding (A) beantwoordt aan een verdieping binnen de gevelbekroning, een driehoekig fronton, wordt niet echt als een geleding beschouwd. Van de Antwerpse jezuïetenkerk steekt de basis van de onderste geleding – waaronder drie trappen – grotendeels onder het huidige pleinniveau.
travee (B) 1 en 7: traptoren | 2 en 6: zijbeuk | 3–4–5: middenbeuk
kroonlijst (D) steeds geprofileerd; hier eveneens verkropt, dit is gedeeltelijk uitstekend of inspringend
voluut (E) (Lat. volutum: het gerolde) spiraalvormige krul
portalen (F) centraal hoofdportaal; kleinere zijportalen

Aandacht! Aandacht! · Heb je me gezien?

Bij een barokgebouw is vooral de gevel van tel. Deze moet de aandacht van de voorbijgangers trekken. Rome mag dan al bekend staan voor zijn talloze barokgevels, hier is het effect sterker en grandiozer omdat alle beschikbare middelen worden aangewend zoals de geweldige afmetingen,

Het evenwicht tussen de verticale en horizontale beweging, de dynamische vormgeving, de afwisseling in bouwmaterialen en de weelderige decoratie.

De geweldige afmetingen

Wie achter het scherm van de gevel gaat kijken in de Grote Goddaert of de Minderbroedersrui doorziet al gauw het geheim van deze façadepolitiek: de gevel is liefst 8 m hoger dan de nok van het dak (behoeft). De nieuwe functie van de voorgevel als medium van publiekswerking overstijgt ver de gewone constructieve functie van het dak.

Houd goed voor ogen waar het centrale raam van de middenbeuk zich situeert binnen het geheel van het gevelveld: met erboven de buste van Ignatius, en daarboven nog eens het fronton. Eens binnen in de kerk dringt het misschien wel tot je door wat voor een enorm scherm deze gevel wel vormt. De voorgevel is immers nog 8 m hoger dan het grote raam boven het orgel in de middenbeuk terwijl bij de zichtbare breedte van het interieur nog de beide traptorens moeten toegevoegd worden!

De gevel past in een perfect vierkant: 32.20m zonder het kruis (foto W.S.)

Het evenwicht tussen de verticale en horizontale beweging

De afmetingen waren aanvankelijk wonderwel gelijk in hoogte (zonder het kruis) als in breedte: 33,20 m (alias 117 voet) zodat de gevel in een perfect vierkant ingeschreven staat! Een beter evenwicht was niet denkbaar, maar vier van de zeven treden zijn onder het opgehoogde plein verdwenen.

De verticale beweging wordt allereerst verkregen door de opbouw van de gevel: vertrekkend van het kruis op de top in het midden, loopt de beweging zachtjes verder over de schuine zijden van het fronton om dan via de immense voluten versneld naar beneden te glijden en langs de vrijstaande Ionische zuilen op de buitenhoeken van de hoge zijbeuken steil neerwaarts te komen. Aan deze gewone verticale beweging wordt een extra opwaarts élan toe gevoegd. De beide parallelle traptorens met prieelbekroning vangen de verticale beweging van de voluten op en tillen ze opnieuw even de hoogte in om dan steil te landen op de benedenverdieping. Om de gevel van de begane grond te tillen loopt over de gehele lengte een plint, die voor elk van de drie poorten onderbroken wordt door een trap die bestaat uit een zevental treden. Esthetisch gezien was dit voetstuk een startblok voor de verticale elegantie. De plint zit nu grotendeels verscholen onder het plaveisel van het opgehoogde pleinniveau zodat nog slechts drie treden zichtbaar zijn.

  • In het gevelveld wordt deze opwaartse beweging geaccentueerd door de identieke positionering van zuilen en pilasters op alle geledingen: de vrijstaande zuilen in het midden, de pilasters aan de zijkanten en – behalve in de 2de geleding – nogmaals vrijstaande zuilen op de uithoeken. Vooral de zuilen die geheel in het midden boven elkaar geplaatst zijn, zorgen voor een sterk opwaarts effect. Ook de identieke positionering van de nissen met beelden op elke geleding van de derde en vijfde travee draagt ertoe bij.
  • Een subtieler element van verticaliteit is de zogenaamde klassieke ordening van zuilen en pilasters, in:
    • de 1ste geleding: de zware Dorische stijl
    • de 2de geleding: de elegantere Ionische stijl met voluten
    • de 3de geleding: de nog meer decoratief uitgewerkte Korinthische stijl.
  • Tenslotte accentueren vergulde decoratieve elementen nogmaals de verticaliteit van het geheel. Vuurpotten en kandelabers op de respectieve onder en boven uiteinden van de voluten flankeren het vergulde kruis in de top, terwijl het prieel van de beide traptorens bekroond wordt door een grote vergulde pijnappel.

De horizontale dimensie wordt allereerst bewerkstelligd door de ongeveer gelijke hoogte van de geledingen.

  • Een duidelijke horizontale scheidingslijn tussen de verscheidene geledingen wordt gevormd door sterk geprofileerde kroonlijsten, op de tweede en derde geleding geaccentueerd door de doorlopende afwisseling van postamenten, spiegels en balustraden. In de 1ste geleding betreft het over de hele gevel een plint, die eertijds hoger moet geweest zijn.
  • Een fries verlevendigt telkens deze lijn:
    • tussen 1ste–2de geleding: een band met afwisselend metopen en trigliefen
    • 2de–3de geleding: een band van gestileerde planten motieven
    • 3de geleding–fronton: een band met negen liggende cartouches.

De dynamische vormgeving

Hiervoor zorgen onder meer de enorme voluten, de klassieke ordening van de zuilen en pilasters, de verkropte kroonlijst onder de 2de geleding en het dito rondbogige timpaan, alsook de meer naar achter geplaatste traptorens en hun bekroning in een prieel.

De afwisseling in bouwmaterialen.

Het warme gevoel dat de gevel uitademt is grotendeels te danken aan de crèmekleurige zandsteen van de dragende stenen en de meeste sculpturale motieven. In tegenstelling tot de monochrome barokgevels te Rome krijg je hier een contrastwerking door de grijze arduinsteen, aangewend voor de constructieve, meer aflijnende elementen als zuilen en pilasters, kroonlijsten, architraven en voluten, plint en treden.

De weelderige decoratie

Het Renaissance stadhuis van Antwerpen, - Domus Senatoria Urbis Antwerpiae, Joan Blaeu, 1649) (Wikipedia) - De renaissance-architectuur is duidelijk gestructureerd en heeft een horizontale dominantie. Bouwwerken uit de barok hebben een decoratief overwicht, zijn dynamisch en streven naar een horizontaal/verticaal evenwicht.

De sterk geprofileerde architectonische vormentaal van de barok draagt op zichzelf reeds bij tot de decoratie:

  • zuilen en pilasters, balusters, alsook cartouches
  • specifiek decoratieve elementen zijn schelpen, guirlandes, hoornen van overvloed, fruitkorven en maskers
  • ook de figuren van heiligen en engelen geven reliëf
  • het geheel wordt vrolijk bekroond door vergulde objecten zoals de vuurpotten en kandelabers op de voluten, die het kruis op de top van de midden beuk flankeren, of de grote pijnappel op het prieel van de traptorens. Verguld zijn ook de opschriften op het gevelveld. Dat op het centrale zwarte wapenschild springt het sterkst in het oog.

Als je deze gevel vergelijkt met de statige renaissancegevel van het Antwerpse stadhuis dan valt voor de barokstijl op: de concentratie op de voorgevel, de dynamische vormgeving met een sterkere verticaliteit en de alomtegenwoordige decoratie. De sociaal-maatschappelijke rol is bij beide gebouwen identiek: opvallen, indruk maken, prestige en identiteit uitdrukken. De grootsheid en de exuberante decoratie van het kerkgebouw weerspiegelen voorzeker het enorme zelf bewustzijn van de Katholieke Kerk in de Contrareformatie.

Aandacht! Aandacht!
Een boodschap van algemeen nut

De barokke gevel eist de aandacht niet voor zichzelf op. Hij verkondigt een boodschap van een hoger niveau. Belangrijk om weten vooraleer je de kerk betreedt: hoe lees je die gevelboodschap?

In de kerk – en ook in dé Kerk – is het om Jezus te doen. Hij – de Redder, de Heiland, de Zaligmaker – wordt gesymboliseerd door het grote vergulde kruis in de top. Dat Jezus uit liefde bereid was zich te geven tot in de dood op het kruis werd in enkele ontwerptekeningen van Rubens nog benadrukt door levensgrote engelen op het fronton. Uiterst links en rechts houdt een engel een werktuig van Jezus’ lijden in de hand: de rechtse de drie nagels van Zijn kruisiging, de linkse de lans waarmee Zijn hart doorboord werd om de dood vast te stellen. Een derde engel zou het kruis in de geveltop ondersteunen. Het bleef evenwel bij een ontwerp.

Die Jezus staat eenmaal volplastisch gebeeldhouwd (door Hans van Mildert) als Kind staande op de knie van Zijn moeder. Hij zegent de wereld, te beginnen met de voorbijgangers op het kerkplein. De blik van de tronende Madonna volgt deze zegen. Omdat Jezus en Maria niet zomaar een ‘moeder en kind’ zijn, wordt hun waardigheid beklemtoond door een sierlijk afgezoomd baldakijn met zijdelings een afhangend gordijn, dat door een engel wordt opgehouden. In de 17de eeuw werd gefluisterd dat deze Madonna van de jezuïeten over de daken heen tot in het stadhuis kon kijken.

Jezus’ evangelie is universeel en wordt generatie op generatie doorgegeven via alle beschikbare media. De eersten die daartoe hebben bijgedragen zijn de vier evangelisten. Hun levensgrote beelden in een nis vormden oorspronkelijk een X-formatie ten opzichte van het centrale Christusmonogram.

Oorspronkelijk flankeerden de hoofdverantwoordelijke van de Twaalf, Petrus, en die andere grote apostel Paulus, eveneens in een nis, de naam van Jezus op het centrale wapenschild. Beide apostelen worden immers vaak in één adem genoemd zoals bv. In de naburige Sint-Pieter- en Sint-Pauwelstraat. De Rooms-Katholieke Kerk is de apostolische kerk bij uitstek, zoals het in de geloofsbelijdenis wordt geformuleerd, dat wil zeggen dat haar bestaan en werking geworteld zijn in de zending van de 12 apostelen en in de apostolische opvolging van de pausen. De gehechtheid en de missie van Jezus’ apostelen, de eerste gezellen van Jezus, vormen trouwens een belangrijk uitgangspunt voor de spiritualiteit van de ordestichter Ignatius.

De zes levensgrote gevelbeelden waren dan wel onder het Frans Revolutionair Bewind afgeworpen, de bijbehorende symbolen in reliëf bleven in de gevel. Alleen vielen de beide evangelistensymbolen op het gelijkvloers gemakkelijker ten prooi aan vernielzucht. De 19de-eeuwse restaurateurs interpreteren die beschadigde gevleugelde koppen van Marcus’ leeuw en Lucas’ rund echter als engelenhoofdjes. En omdat die niet bij de evangelisten Marcus en Lucas horen, zet men de nieuwe beelden van de evangelisten naast het centrale medaillon op de 1ste verdieping en komen bijgevolg de beide apostelen naast het hoofdportaal te staan. Het resultaat van deze verwarring laat zich zien tot op de dag van vandaag. Een 17de-eeuwse gravure toont echter met zekerheid de apostelen Petrus en Paulus op de 1ste verdieping. Ze zijn duidelijk herkenbaar aan hun respectieve attribuut: de sleutels en het zwaard, net als de evangelisten Marcus en Lucas op de gelijkvloerse verdieping herkenbaar zijn aan hun schrijvende houding. De 19de-eeuwse restaurateurs hadden hun vergissing zeker kunnen vermijden door de gekende gravure nauwkeurig te bestuderen.

De vier evangelisten kan je identificeren aan hun persoonlijk attribuut onderaan hun voetstuk. Behalve Marcus houden ze ook elk een schrijfmiddel in de hand. Hun huidige opstelling is als volgt:

  • linksboven, Johannes die opwaarts kijkt ten teken van een nog sterkere hemelse inspiratie, met adelaar
  • rechtsboven, Lucas met stier
  • rechtsonder, Marcus die als redenaar omhoog wijst, met leeuw
  • linksonder, Matteüs met engel

Voor de buste van Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïeten, moeten we terug hoog opkijken. In feite wilden de jezuïeten deze kerk – als allereerste ter wereld – aan hem toewijden. In de Rooms-Katholieke visie is een kerk allereerst bedoeld als huis van God, dat wil zeggen als een ruimte waar men in gemeenschap God viert die zich vooral openbaarde in Zijn Zoon Jezus. Daarnaast kent men aan bedehuizen graag een patroonheilige toe, een heilzaam iemand die aangezien wordt als een model en als beschermfiguur; kwestie van Gods bijstand meer tastbaar te maken. Voor het patronaat van een kerk komen echter alleen door de Kerk officieel heiligverklaarde mensen in aanmerking. Een dergelijke heiligverklaring gebeurt in fasen; zo moet je eerst zalig verklaard worden. Op het moment van de kerkwijding in 1621 is Ignatius echter nog niet heiligverklaard en dus moeten de jezuïeten hun toevlucht zoeken bij een officiële heilige. De keuze valt al gauw op Jezus’ moeder Maria, die in de spiritualiteit van Ignatius een erg belangrijke rol vervult. Daarom dat in het gevelfronton de Madonna met Kind zetelt, terwijl daaronder de buste prijkt van Ignatius, oorspronkelijk uitgevoerd in wit (hoofd) en zwart (toog) marmer. Toch mankeert het hem niet aan eerbetoon: twee monumentale engelen lauweren hem zoals eertijds gebeurde bij een Romeinse triomfator. Net één jaar later wordt hij heiligverklaard en sindsdien staat de kerk bekend als de Sint-Ignatius kerk (mondeling afgekort tot ‘Sint-Ignatius’), de allereerste ter wereld overigens. Je kan je afvragen in hoeverre de beeldvoorstelling van de gevel zou beïnvloed geweest zijn indien Ignatius vroeger heiligverklaard was: zonder Maria en Kind?

Dat er op de cartouche onder Ignatius’ borstbeeld een ‘B’ van Beatus (zalig) prijkt, heeft niets van doen met zijn officiële status toen van ‘zalige’ (Lat. beatus), dat een jaartje later bij de heiligverklaring al mag vervangen worden door de hogere status van ‘heilige’ (Lat. sanctus). Net zoals andere orden over hun ordestichter spraken, spraken de jezuïeten tot aan het Tweede Vaticaans Concilie onder elkaar over hun stichter als ‘onze gelukzalige vader (Ignatius)’. ‘Gelukzalige’ (Lat. beatus) betekent ‘in de hemel bij God’ en dus ‘het vereren waard’. Maar omdat de jezuïeten zich hier op de kerkgevel richten naar het brede publiek, valt ‘noster’ (onze) weg en blijft ‘BP.IGNs’ (Beatus Pater IGNatius).

Het blazoen van de jezuïetenorde op de voorgevel (foto WS)

Hoe dan ook, dankzij Ignatius is de jezuïetenorde er en die heeft haar blazoen pal in het midden van het gevelveld, wat nog meer opvalt door het contrast van de vergulde letters met de zwarte achtergrond. Volgens de oorspronkelijke Griekse lezing gaat het om de eerste drie letters van de naam Jezus (IHSOS), volgens de in West-Europa meer courante Latijnse versie gaat het om de initialen van de belijdenis dat Jezus de redder van alle mensen is: Jesus Hominum Salvator. Dat Jezus de mensheid enkel heeft kunnen redden uit de macht van het kwaad en de dood, door zich op te offeren tot de dood aan het kruis – en te verrijzen – wordt geïllustreerd door de combinatie van Zijn naam met enkele van Zijn passietuigen: het kruis boven op de dwarsbalk van de ‘H’, en onderaan de drie nagelen voor Zijn wonden: twee voor de polsen en één voor de gekruiste voeten. Met dit embleem wil de jezuïetenorde, alias het Gezelschap van Jezus of Societas Jesu haar eigenheid en haar toewijding aan Jezus uitdrukken. Overal ter wereld kan je barokke jezuïetenkerken gemakkelijk aan dit embleem herkennen, niet zonder enig gevoel van zelfwaarde overigens … Te Antwerpen wordt niemand minder dan dé artiest van het moment, Peter Paul Rubens, gevraagd het ontwerp te maken. Als geen ander weet hij dit kenteken speels in de kijker te plaatsen met zwevende engelen die het schild op triomfantelijke wijze omstuwen.

Op de zwikken van het hoofdportaal bazuinen twee herautengelen uit: hier is het te doen, hier valt iets te beleven. Zij nodigen je uit en brengen je in de (juiste) stemming om dit huis van God in blijdschap binnen te gaan voor een ontmoeting met Zijn Zoon Jezus. Die ontmoeting beleef je vooral in de eucharistieviering, en daar verwijzen de liturgische gebruiksvoorwerpen op de metopen van de fries van de eerste geleding naar.

  • De belangrijkste daarvan, door Jezus op het Laatste Avondmaal zelf benut, staan vlak boven de toegangspoort: de kelk (1 & 2), de beker voor de wijn, en de pateen (2), de schaal voor het brood.

Andere voorwerpen voor de heilige Mis zijn:

  • De ampullen (3), de kannetjes voor de wijn en het water die in de kelk gegoten worden. De wijn wordt immers niet puur gedronken: water bij de wijn doen is de gangbare gewoonte in warmere gebieden. Later werd dit gebruik uit het dagelijkse leven geïnterpreteerd als een symbool van de goddelijkheid en de menselijkheid van Jezus Christus gemengd in Zijn ene persoon. Of als een verwijzing naar Zijn Lijden, wanneer Hij water en bloed zweet bij zijn doodsstrijd in de Hof van Olijven (Lc. 22:44). En vloeiden er na Zijn kruisdood uit Zijn doorstoken zijde ook geen water en bloed (Joh. 19:34)?
  • Een wierookvat (7) en een wierookscheepje (20). In de katholieke traditie betrekt men bij de rituelen graag de natuurelementen. De evocerende kracht van deze oersymbolen blijft aanspreken, zelfs in een eerder minimaal gebruik. Het vuur doet de aroma’s van gestolde boomsappen in sacrale rookwalmen opstijgen. Een indringende act die Gods transcendentie zintuiglijk voelbaar wil maken.
  • (8) Een wijwater emmer en kwispel. Met wijwater maakt de gelovige een kruisteken bij het betreden van de kerk, maar bij het begin van een plechtige eucharistieviering besprenkelt de priester met een kwispel de gelovigen met wijwater. Het gewijde water herinnert aan het doopsel waardoor de gelovige gezuiverd en geroepen wordt om als kind van God te leven.
  • (11) Een godslamp. Om de aandacht van de gelovige te trekken op Gods blijvende aanwezigheid brandt een olielichtje in een rood glas dag en nacht bij het heilige, geconsacreerde brood, bewaard in het tabernakel.
  • Als devotioneel decor zijn er kandelaars (5), kaarsen (5 & 9) en bloemenvaasjes (6 & 16).
  • De liturgische teksten in het missaal of misboek (15).

Dat de gelovigen heel de eucharistieviering als een feestelijk gebeuren beleven, wordt in beeld gebracht door de muziekinstrumenten op dezelfde doorlopende fries. Zo tref je allerlei blaas- (13 & 17) en strijkinstrumenten (10 & 17) aan, net als een positief orgel (12).

Merk op dat de ene helft van de gevel haast het spiegelbeeld is van de andere. Alleen zijn er aan de noordelijke zijkant enkele metopen meer (nrs. 18–21).

Een open geschiedenisboek

Ken je de geschiedenis van deze kerk niet van buiten? Dan organiseren we een examen met open boek buiten op het kerkplein. De gevel vertelt je in grote lijnen over het wel en wee van de kerk met vergulde data, hetzij in getallen, hetzij intellectueel-ludiek verwerkt in jaaropschriften of chronogrammen [Grieks: tijd-(op)schrift]. Deze laatste zijn in de barok erg populair, zij het nauwelijks te vatten door het gewone volk. Alle Romeinse letters die tevens een cijferwaarde hebben worden in hoofdletter weergegeven:

M 1000 · D 500 · C 100 · L 50 · X 10 · V 5 · I 1

De som vormt het jaartal. In het Latijnse alfabet wordt ook de letter U als een V geschreven.

Ontcijfer mee de geschiedenis van dit monument

  • In de bekroning van het hoofdportaal prijkt de toewijding van de kerk (1), die plaats vond bij de kerkwijding door bisschop Johannes Malderus op 12 september 1621. De tekst luidt – correct:
ChrIsto Deo, VIrgInI DeIparæ,
b. IgnatIo LoIoLae
soCIetatIs aVthorI SenatUs
popULUsqUe antVerpIensIs
pUbLICo et prIVato aere
ponere VoLVIt
Voor de goddelijke Christus, de goddelijke Maagd,
de zalige Ignatius van Loyola,
stichter van de Sociëteit, heeft het stadsbestuur
en het volk van Antwerpen
met openbare en private gelden
[dit] willen bouwen.

Wie goed rekent, komt echter bij de huidige toestand van dit opschrift uit op 1622, een fout te wijten aan een verstrooide restaurateur. De eerste I van aVihorI moet namelijk een t zijn: ‘aUthorI’ (dit is de verbasterde maar courante vorm van auctor: stichter, denk aan ‘auteur’).

Boven de zijramen van de tweede geleding wordt deze datum herhaald, zowel in Latijnse: MDCXXI (2) als in Arabische cijfers: 1621 (3).

  • Niet gedateerd op de gloednieuwe gevel zijn de luisterrijke feesten in 1622 ter gelegenheid van de heiligverklaring van de ordestichter Ignatius en van de grote missionaris Franciscus Xaverius. Het wordt een ongelooflijk schouwspel met door muziek opgeluisterde dankmissen, optochten en toneelopvoeringen. In een exuberante, vier uur durende stoet stappen zowel de ambachten en gilden als de rijk gekostumeerde leerlingen van het college op, vóór de praalwagen van Xaverius. Onderweg in feestelijk versierde straten wordt straattoneel opgevoerd. Klokkegelui en kanonsalvo’s versterken de emoties. ’s Avonds is er theatraal vuurwerk, gevel verlichting met kaarsen en een lichtshow met grote beschilderde transparanten die – in een overvloei systeem avant la lettre – afwisselend vanaf de beide traptorens getoond worden!
  • De luxueuze decoratie van de kerk, de verlichting van alle kerktorens in de stad en van de jezuïeten residenties, alles moet bijdragen tot meerdere eer van God en zijn jezuïeten heiligen. Maar feestjes (en) bouwen kost geld. In 1625 overschrijden de schulden zelfs de piek van een half miljoen florijnen (1 florijn = een dagloon van een meester-metser). Niettegenstaande de gunstige conjunctuur van het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) bleven de vrijgevigheid van weldoeners, geldinzamelingsacties en subsidies van de overheid ontoereikend. Ondanks het bevel tot matiging van pater-generaal gaat pater-bouwheer Jacobus Tirinus ongestoord verder: hij voegt aan de kerk de twee zijkapellen toe (1621–1625) en vat de uitbreidingswerken van het professenhuis aan. Hij wordt dan ook vervangen door Jan de Tollenaere. Mede door een tijdelijke opschorting van de statuten van het professenhuis – onbekend gehouden voor het publiek – slaagt men er op drie jaar tijd in de geweldige schuldenlast af te lossen.
  • De Antwerpse jezuïeten blijven echter niet van tegen spoed gespaard. 18 juli 1718 is een zwarte bladzijde in het dagboek van de kerk. Een blikseminslag vernielt het hele schip. Vele kunstwerken, waaronder de 39 plafondschilderijen van Rubens, gaan in de vlammen op. In een dichtbundel van honderden verzen geraakt Godefridus Bouvaert, oud-leerling van de jezuïeten, maar niet uitverteld over deze rampzalige brand.

O! Juli, droef geheug! uwen achttiende dag,
Voor ’t oog, gehoor en hart, was’t een te bitt’ren slag!

  • Na amper 1 jaar, 3 maanden en 19 dagen gesloten geweest te zijn, kan de kerk op 6 november 1719 opnieuw gewijd worden, zo meldt dezelfde auteur fier in zijn nieuwe dichtbundel, parafraserend op Apocalyps 21: 4-5.

Voorts God zal al ’t getraan van hunne ogen vagen,
en daar en zal geen dood meer zijn, noch bitter klagen,
noch droefheid, noch getier, noch jammer, noch geschrei,
de eerste dingen zijn nu andermaal voorbij.
En die* zat op de troon, heeft tegen mij gesproken:
‘Zie, Ik maak alles nieuw van ’t geen er was gebroken.’

Het goede nieuws over deze heropstanding wil men ook op zinnebeeldige wijze duidelijk maken op het timpaanveld van het hoofdportaal (4): uit een graftombe stijgt de naam van Maria op. Net zoals zij uit de slaap tot nieuw (en eeuwig) leven is opgewekt, zo verrees – aldus het begeleidende chronogram – deze kerk die aan Maria toegewijd is uit haar as: ‘MarIae DICata eX CInere restItUor’ (1719). Een staaltje van het symbolisch-associatief denken dat toen fel beoefend werd in de pedagogie van de jezuïeten. Op beide deurvleugels samen (5) kun je nogmaals het jaartal van restauratie ‘anno’ ‘1719’ lezen, maar dan moet je wel wat geduld aan de dag leggen om dit speelse barokke sierschrift met spiegelbeeld te ‘ontcijferen’. Na nog twee jaar binnenrestauratie onder leiding van Jan Pieter I van Baurscheit is de kerk volledig uit het puin herrezen, zij het in een soberdere gedaante.

  • 1773, het jaar van de opheffing van de jezuïetenorde, vind je niet op de gevel – niemand treedt graag naar buiten met zijn droefenis. De machtige orde is voor een toenemend aantal katholieke naties ongewenst omwille van haar dogmatisch houvast (in tegenstelling tot de toenemende Verlichting), haar brede invloed en ook sociale weerstand in Zuid-Amerika (zoals verfilmd in The Mission). Ze wordt verdreven uit Portugal, Frankrijk en Spanje. Onder zware politieke druk besluit paus Clemens XIV uiteindelijk tot de – haast onbegrijpelijke – opheffing van de orde op 21 juli 1773. De Sociëteit telt dan 39 provincies met 23.000 leden. In het vooruitzicht van nieuwe inkomsten voor de staatskas doet de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia dit pauselijk besluit onmiddellijk uitvoeren; de jezuïeten goederen worden aangeslagen en het merendeel wordt te gelde gemaakt.

De collegegebouwen huisvesten ten tijde van de Oostenrijkers het Koninklijk College en de Militaire Academie, vanaf 1794 tot 1927 een militair hospitaal. De drie buitenverblijven worden verkocht aan particulieren. Blijven de collegegebouwen goed bewaard, dan is het statige professenhuis een triester lot beschoren. Samen met het sodaliteitsgebouw komt het in private handen. Alle verkoopbare materialen worden uitgebroken, enkel de buitengevels aan het kerkplein blijven gespaard. Het westelijk perceel met het sodaliteitsgebouw krijgt de meest uiteenlopende bestemmingen: vergaderplaats van de revolutionaire jacobijnenclub: de Société des Amis des Droits de l’Homme, muziek- en toneelzaal, feest- en danszaal bekend in het uitgaansleven, bazaar. In 1866 organiseert de Algemene Werkmansbond er een meeting voor algemeen stemrecht! Uiteindelijk wordt het pand in 1879 aangekocht voor de stedelijke bibliotheek. Voor de antiklerikalen een triomf: C’est aujourd’hui la chapelle silencieuse du Livre, propice à l’étude et aux méditations. De nieuwe hoofdingang krijgt een barokke poort, afkomstig van de voormalige kapel in het stadhuis. In 1883 krijgt Hendrik Conscience nog tijdens zijn leven van het stadsbestuur een standbeeld op het naar hem genoemde plein.

Alle roerende goederen worden in depots ondergebracht en gecatalogeerd. Ook de inboedel van de sodaliteiten wordt aangeslagen, niettegenstaande hun rechtmatig protest omdat zij een zelfstandig statuut hebben, los van de orde. Het wordt een grote uitverkoop van kerkornamenten en -linnen, zilverwerk, altaren, (500!) schilderijen, meubilair, keukengerei. De handschriften en een aantal boeken gaan naar de (latere) Koninklijke Bibliotheek, de schoolboeken naar de nieuwe staatsscholen. Wel wil de regering dat de Acta Sanctorum, het werk van de Bollandisten, verder gezet wordt. Daartoe mogen enkele ex-jezuïeten beschikken over 8.000 boekdelen en 453 manuscripten van hun voorgangers. Sinds de 19de eeuw loopt het project van de Bollandisten, de oudste wetenschappelijke instelling van het land, verder in de residentie Collège Saint-Michel te Brussel.

  • Wat nu met de kerk? Een eerste plan om ze te heropenen als parochiekerk voor Onze-Lieve-Vrouw-Noord gaat niet door. Ondertussen leert de Antwerpse bisschop Jacobus Wellens in Milaan een initiatief tot volksonderricht kennen, eertijds gesticht door aartsbisschop Carolus Borromeus († 1584). En zo start hij te Antwerpen met de Stichting voor onderwijs van bejaarden in de christelijke lering. Arme mensen ontvangen bij het bijwonen van een les een brood of één stuiver: voeding en opvoeding hand in hand. De werking gebeurt onder patronaat van de heilige Carolus Borromeus en krijgt in 1779 haar zetel in de voormalige jezuïetenkerk. In haar nieuwe bestemming van catecheselokaal voor volwassenen krijgt de kerk zelf ook Carolus Borromeus als nieuwe patroonheilige (feestdag 4 november). De bisschop van Antwerpen vraagt aan de regering een aantal schilderijen terug voor de opnieuw functionerende kerk, hij verkrijgt slechts enkele onbeduidende werken.
  • Doet de kerk onder het Oostenrijks Bewind nog even dienst als ziekenzaal, onder het Frans revolutionair bewind krijgt ze achtereenvolgens meerdere bestemmingen:
    • 1794: Opslagplaats voor opgeëiste kerkelijke goederen.
    • 1797: Tempel van de Wet voor het sluiten van burgerlijke huwelijken en de eredienst van la Déesse de la Raison. Vanwaar krijgen de Franse Revolutionairen de idee om een eredienst op te starten voor de goddelijke Rede? Zij geloven in God als Opperwezen. Maar zij zien in Hem enkel en alleen het ingenieuze Verstand dat alles tot stand heeft gebracht. De Liefde van God ‘de Vader’ waar de christenen zo door begeesterd zijn, is voor hen prietpraat. De Franse filosofen vergelijken God met een horlogemaker (Dieu le Horloger) die, eens zijn product, de schepping, afgeleverd, geen verdere interesse meer betoont, laat staan contact onderhoudt met zijn cliënt. Een relatie met God opbouwen via het gebed is voor hen zinloos tijdverlies. Kloosters voor de contemplatieve orden en kerken voor biddende gelovigen zijn aldus in hun ogen overbodig. Zij beperken zich tot een korte ceremoniële eerbetuiging aan het Goddelijke Verstand.
    • 1800: Tribunal criminel.
  • In 1801 wordt het bisdom Antwerpen opgeheven en voor het grootste deel toegevoegd aan het aartsbisdom Mechelen. Na het Concordaat van 1802 tussen de Heilige Stoel en Napoleon gaat de kerk opnieuw open voor de katholieke eredienst en doet ze zelfs even dienst als hoofdkerk vermits de Onze-Lieve-Vrouwekerk nog onbruikbaar is. Ook de catechismuslessen voor volwassenen worden opnieuw gegeven. Een jaar later, op 6 juni 1803, wordt ze met behoud van de naam Sint-Carolus Borromeus aangeduid als parochiekerk van een zelfstandige parochie. Willem Van Bomberghen wordt de eerste pastoor. Hierop alludeert het Latijnse jaarschrift op de basis van de tweede geleding (noordzijde) (6):
SanCte CaroLe BorroMaee
tIbI
fIDeLes
Heilige Carolus Borromeus,
aan u, [opgedragen]
door de gelovigen
  • In 1815 doet de kerk opnieuw dienst als militair gasthuis voor Engelse soldaten, gewond bij de Slag van Waterloo. Gedurende twee maanden gaat de eredienst door in de grote sacristie.
  • Tijdens het Hollands bewind (1815–1830) wil de Calvinistische koning Willem de kerk overdragen aan de protestantse christenen. Prompt organiseren de trouwe katholieke parochianen een grootscheepse geldinzameling zodat de kerkfabriek in 1817 de kerk voor 14.000 gulden van de staat weet over te kopen. Met het haast even grote overschot kan men herstellingen voorzien aan voorgevel, dak en toren. Zo is de kerkfabriek nu, uitzonderlijk, eigenaar van het gebouw.
  • Onmiddellijk na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 geeft kerkmeester J. Baesten ostentatief zijn ontslag als afkeuring van de uitgesproken Oranjegezindheid van pastoor Antonius Van den Broeck.
  • In 1860 schenkt een particulier een deel van het voormalige professenhuis aan de parochie: het wordt de huidige pastorie.
  • Op de basis van de 2de geleding (zuidzijde) (7) wordt gerefereerd naar 1865, het jaar waarin de restauratie, begonnen in 1849 onder leiding van F. Berckmans, voltooid werd:
sanCtI CaroLI
prIstInUs DeCor
reDDItUs
[ter ere] van de heilige Carolus
is de vroegere luister
hersteld
  • Sinds 1939 staat de kerk op de lijst van de beschermde monumenten, wat de last voor de kerkfabriek voortaan ruim verlicht.
  • In de jaren 1960 is de voorgevel zo in verval dat schuttingen geplaatst worden tegen vallende stenen. De laatste restauratiewerken aan de gevel worden uitgevoerd door architect Joseph-Louis Stynen in 1978–1980.

In 2009 ontsnapt de kerk aan een brandramp die dreigde te ontstaan door een oververhitting van spots en smeulend isolatiemateriaal in de galerijvloeren. Restauratie van het interieur dringt zich op.