Sleutel tot de Sint-Jacobskerk te Antwerpen.

Een koor voor collegiale kanunniken

Worden kerken gebouwd naar gelang de noodwendigheden van haar gebruikers, dan gebeurt in de geschiedenis van Sint-Jacob net het omgekeerde. Het kapittel wordt pas gesticht in 1656 na de voltooiing van het koor. Naast de sacristie van het koor komt er in 1684 de kapittelzaal bij. In 1705 verkrijgt het kapittel van Paus Clemens XI de eretitel ‘capitulum insigne’ (Vermaard Kapittel); een eer waarin ook de kerk mocht delen: ‘Parochiale en Vermaarde Collegiale Kerk’.

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: koorgestoelte van het hoogkoor
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: detail van het koorgestoelte

Het koorgestoelte

In het koor­gestoelte kunnen de meer dan 20 kanunniken dagelijks ‘s morgens en ‘s avonds plaatsnemen voor de lofprijzing van God. Dit ‘koorgebed’ of ‘officie’ (taak), in feite nog belangrijker dan de dagelijkse mis, gebeurt nog elke dag gezamenlijk in de kloosters terwijl de seculiere priesters dit enkele keren per dag individueel bidden uit hun brevier. Dat getijdengebed is geen persoonlijke devotie, maar een officiële opdracht die ze vervullen in naam van heel de kerkgemeenschap, De meeste mensen, toen ongeletterd, hebben daar geen tijd voor en mogen erop rekenen dat de clerus dat in hun plaats doet.

Gebeeldhouwd door oom en neef Artus I en II Quellinus in onderaanneming bij de gebroeders Herry (1658‑‘70) dateert dit meubel van na de oprichting van het kapittel. De speelse vinding­rijk­heid grenst aan het ongelofelijke. Een heuse dierentuin lijkt vertegen­woordigd, gaande van insecten zoals vlinders en een libel, vogels van allerlei pluimage, dieren die in het water spelen zoals een krokodil, dolfijnen en een zeehond, een meute honden, wilde dieren zoals een everzwijn en een beer, een aap. Je vraagt je af wat de betekenis is van taferelen zoals o.m. van een jachtscène waarbij een hinde a.h.w. haar huid uitschudt, van een paar honden waarbij de ene de andere in de bil bijt. De vogels snoepen vaak van het fruit, doch vele vallen ook een slang aan. De dolfijn is het embleem van die ene grote mecenas, maar de sleutel tot begrip van dit alles is nog niet gevonden, in de veronderstelling dat die heeft bestaan.

Onder de armleuningen en op de kapitelen onder de kroonlijsten huist een bonte menigte engelenkopjes met exuberant kapsel, telkens gevarieerd. Verrassend ook hoe soms uiterst gestileerde maskers en vele andere barokke siermotieven tevoorschijn komen. De wapen­schilden en opschriften herinneren o.m. aan de schenkers, zoals Hendrik Hillewerve of aan Mgr. Marius Ambrosius Capello o.p., de Antwerpse bisschop die in 1656 het Sint‑Jacobskapittel stichtte en aan paus Clemens XI die het met een eretitel bedacht.

De barokke koorlezenaar heeft naar middeleeuws gebruik een adelaarlegile. Zijn gerichtheid naar de zon staat symbool voor de vrome biddende mens die zich naar God richt, met inbegrip van de (geprebendeerde) kanunniken die hier tweemaal daags de getijden bidden. Op elk van beide cantorzetels is de fries ingenomen door 5 – telkens anders – musicerende engelen. In een (gesculpteerd) muziek­boek kan je zelfs de noten volgen.

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: detail van het koorgestoelte
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: detail van het koorgestoelte

Het koordoksaal

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: hoogdoksaal

Het eigenlijk doksaal dat de koorruimte van het schip van de kerk afsluit, komt er in 1669. Dit is 13 jaar na de oprichting van het kapittel opdat de kanunniken er rustiger en comfortabeler, lees: tocht-vrij, hun gebeden konden houden en zingen. De kunstenaar van dit kolossale meubel is Sebastiaan De Neve.

Een dergelijke wand, geaccentueerd door de bekronende balustrade van het balkon, heeft een horizontaal karakter. Toch zorgen het zwaar geprofileerde kraagwerk boven de dubbelzuilen, de nissen met borstbeeld boven beide altaarstukken en de kleuren­variatie van de marmeren onder­delen voor een minder gestroomlijnde indruk.

Noordzijde: het altaar van De zalige doodstrijd, met een schilderij van Erasmus Quellinus (1670). Een man op zijn sterfbed wordt ‘bediend’, d.i. hij krijgt het sacrament van de zieken toegediend en hiermee weet de stervende zich intens verbonden met de stervende Jezus op het kruis die hij a.h.w. in een visioen vóór zich ziet.

Zuidzijde: Sint-Jozefsaltaar met, merkwaardig genoeg, nu een Maria-tenhemel­opneming van Theodoor Boeyermans (1671).

De unieke aanwezigheid van het 17de‑eeuwse zwaar geprofileerde barokke koordoksaal met 2 zijaltaren en bekroond door een orgelinstrument met een symmetrisch opgebouwde orgelkast bepaalt momenteel grotendeels het eigen karakter van de Sint‑Jacob. Enerzijds schermt het doksaal de koorruimte af van de middenbeuk, waardoor het rechtstreekse perspectief op de begane grond verkort wordt. Anderzijds laat het een doorkijk toe, zowel boven met zicht op de bekroning van het hoofdaltaar en de koorapsis met glasramen, als op het gelijkvloers over de afsluitpoort, naar het hoofdaltaar. Zo suggereert het nog meer diepte achter de zichtbare afscherming en versterkt het ruimtelijk effect van het kerkinterieur.

Het koororgel

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: koororgel Jan-Baptist Forceville

Het orgelinstrument (1727) werd gebouwd door de befaamde Jan-Baptist Forceville. De mechanische tractuur werkt nog steeds. Omdat het nieuwe orgel niet het gehele doksaal in beslag mocht nemen – kwestie van koorzangers of instrumentalisten nog een plek te gunnen – heeft men het koor­gestoelte gedeeltelijk overkraagd. Michel I van der Voort heeft aan weerszijden decoratief beeldhouwwerk aangebracht (1728). De musicerende serafijnen met harp, basviool en fluit onderstrepen en stimuleren met dit instrument de vreugde van de lofprijzing van God o.m. in het dagelijkse getijdengebed van de kanunniken.

In Sint-Jacob circuleert ten laatste sinds 1977 ‘de lieve legende’ dat de 9-jarige Wolfgang Amadeus Mozart in 1765 op dit koororgel heeft gespeeld. De wens die men hier voor waar aanneemt is gebaseerd op twee feiten die met elkaar vermengd worden: het bezoek van het gezin Mozart aan de kathedraal waar Amadeus wel degelijk het orgel bespeelt, én het bezoek van het gezin aan de Sint-Jacobskerk (met het graf van Rubens). Door de gepubliceerde correspondentie van de familie Mozart na te gaan, komt men tot het besluit dat er van enig orgelspel door Mozart in een andere Antwerpse kerk buiten de kathedraal geen sprake is!

Een eigen hoogaltaar

De blikvanger van het hoogkoor is het triomfantelijk hoofdaltaar, een gezamenlijk werk van Willem Kerrickx en Artus II Quellin die het beeld van Sint-Jacob voor zijn rekening nam  (1685).

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: hoogaltaar
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Het hoofdaltaar gegraveerd door P. Balth. Bouttats (1741) naar tekening van Joh. Cl. De Cock

De opdrachtgever

Het geheel ter waarde van 17.874 florijnen, wat, gesteld dat 1 florijn telt als dagloon voor een handarbeider, overeenkomt met bijna 45 jaarlonen, is de gift van één mecenas: Hendrik Hillewerve. Deze fortuinlijke kunsthandelaar wordt in 1652 aangesteld tot financieel adviseur van de Koninklijke Munt. Nadat zijn vrouw en beide kinderen vroegtijdig gestorven zijn, beslist hij om priester te worden. Die wijding ontvangt hij in 1661. Iemand van zijn niveau, sociaal en intellectueel, werd onmiddellijk kanunnik; anders gezegd: hij verkreeg een kanunniken­prebende, nl. van het pas opgerichte kapittel van Sint-Jacob.

In 1675 in de adel verheven, koos hij als spreuk “Tranquillis in undis” (Rustig in de golven) en daaraan gerelateerd als wapen, een zilveren dolfijn. Deze stoïcijnse gedachte om in alle stormen van het leven de kalmte te bewaren was voor Hendrik geenszins een loze leuze, hij die op familiaal vlak al zoveel had moeten doorstaan.

In 1680 koopt hij het Rubenshuis aan als privé-woning en richt in de halve rotonde van de kunstkamer een privékapel in; de communiebank staat er nog. Blijkbaar lag het kapittel hem aan het hart want hij schonk ook bijdragen voor het koorgestoelte en het doksaal. Verder bekostigde hij de beide biechtstoelen in de noordelijke kooromgang met de patroonheiligen van zichzelf, zijn echtgenote, zijn broer en schoonzus. Bij zijn dood in 1694 wordt hij begraven aan de voet van het hoofdaltaar, waar zijn echtgenote eveneens wordt bijgezet. De grafsteen werd vernieuwd in 1845.

Een betreurenswaardige anekdote is dat bij herstellingswerken aan het hoofdaltaar in 1845 de 27-jarige beeldhouwer Lodewijk Coryn ten val komt en dit ongeval niet overleeft. Zijn epitaaf met portretmedaillon in de Sint-Annakapel, Keizerstraat, gaat in op de details: “terwyl hy in Ste. Jacobskerk te Antwerpen aen het hernieuwen van den hoogen autaer werkte, brak de stellaedje die hem droeg, hy viel zyn hoofd te pletteren op de steenen en stierf den eygen dag”.

De iconografie

Het hoofdthema is de apotheose van Sint-Jacobus in de hemel, waarbij de apostel in meerdere hoedanig­heden wordt voorgesteld aan de hand van al zijn attributen.

Lag bij het vroegere hoofdaltaar van Maarten de Vos het accent nog volledig op het martelaarschap, dan komt dat nu zelfs niet meer aan bod; wél de hemelse beloning ervoor. In de barokke Contrareformatie doet de vreugde van de hemelse triomf de pijn van de marteldood al snel vergeten. Het zwaard als marteltuig is vervangen door de trofeeën van het martelaarschap: palmtak en lauwerkrans, hem boven het hoofd gehouden door 3 zwevende engelen. Verder komt het motief van de lauwerkrans met twee gekruiste palmtakken als decoratief motief veelvuldig voor op beide middelste zuilen (= de binnenste vooraan), alsook een enkele maal verguld op het voetstuk van het retabelbeeld, boven de predella.

Typisch voor de Contrareformatie is het accent op de kerkelijke hiërarchie vanuit de apostolische successie. Typisch voor de barok is dan weer de voorkeur voor wapperende en rijke brokaten stoffen. Beide vinden elkaar in het bisschopsgewaad. Daarom dat Jacobus als apostel-missionaris op het Iberische schiereiland ook hier bij voorkeur voorgesteld wordt in de hoedanig­heid van eerste (aarts-)bisschop van Spanje, met reuze kromstaf, borstkruis, en bisschoppe­lijk gewaad (albe, priesterstola, koorkap). De mijter wordt gedragen door een engeltje rechts. Dat hij hier, ver van Spanje, ook zo wordt voorgesteld, blijft toch wel verrassend uitzonderlijk. Een andere apostel met evenveel recht bekleed met bisschoppelijke waardigheid, zul je zelden zó als bisschop voorgesteld zien. De pontificale outfit komt nu eenmaal beter tegemoet aan het triomfantelijk karakter van de thuiskomst in de hemel, die tenslotte in de Apocalyps aangezien wordt als een liturgisch feest.

Zijn patronaat van de pelgrims is van secundair belang geworden, maar blijft in beeld door enkele reisobjecten Oorspronkelijk lag de reisstaf met kalebas meer op de achtergrond, bij de hoed. Engeltjes als dwergknechten houden het schoudermanteltje en de breed omrande reishoed in de hand; op beide kledingstukken prijken meerdere sint-jacobs­schelpen. Die tref je ook als decoratief element overvloedig aan op de buitenste schroefzuilen, tussen andere zeevruchten en zeedieren zoals een krab en … vele dolfijnen. Een speelse noot vanwege de opdrachtgever die – dankzij de gelijksoortigheid – de kans zag om zijn persoonlijk embleem te verweven met dat van Jacobus.

Begeleid door meerdere cherubijnen stijgt Jacobus ten hemel, met het aangezicht God tegemoet. Want wie, zoals de apostel, tijdens zijn leven op aarde naar God heeft verlangd, zal Hem eens en voorgoed ook ‘zien van aangezicht tot aangezicht’: wie zoekt die vindt.

Een dergelijke verheerlijking van de heiligen in de hemelse glorie is een typisch motief voor de Contra­reformatie die de vernieuwde heiligenverering sterk accentueert.

God troont in de hemel onder een ‘marmeren’ (= bedrieglijk houten) baldakijn in de vorm van een – hoe kan het ook anders hier – enorme, opengewerkte sint-jacobsschelp. Tot aan het bombardement op het einde van de Tweede Wereldoorlog was deze witte houten baldakijn­sculptuur bedekt met een groot zwart doek (de nagels staan nog aan de achterzijde in het hout), waardoor een beter contrast wordt verkregen.

God wordt weergegeven als ‘heilige Drievuldigheid’, d.w.z. in zijn drievoudige manier om in contact te komen met de mensen:

  • als Schepper van al wat leeft en beweegt: God ‘de Vader’;
  • historisch, als mens onder de mensen: ‘Jezus Christus’;
  • als inspirerende kracht: de ‘Heilige Geest’.

Symbolisch wordt dit nog eens samengevat in de vergulde driehoek geheel in de top waarin het alziende ‘oog van God’ prijkt. Inderdaad, als je in christelijk perspectief het échte portret van God wil kennen, dan moet je de drie ‘persoonsvormen’ van God samennemen.

  • God de Vader rust op de globe van de door Hem geschapen wereld. De lange baard wijst op de tijd, zeg maar eeuwigheid: symbool van levenservaring, wijsheid. Als Heer van alle leven houdt Hij in de hand een zware scepter.
  • Jezus zit aan de rechterhand van de Vader. Als verrezen Heer die de dood definitief overwonnen heeft en ons zo ‘de poorten van de hemel’ ontsloten heeft, houdt Hij het kruis zegevierend in de arm. Zijn ontbloot bovenlichaam met zijdewonde wijst op zijn verheerlijkt lichaam na de verrijzenis.
  • De Heilige Geest is – traditioneel – afgebeeld als duif, getrouw de evangelies en vervolgens spitsvondig geïnterpreteerd door de kerkvaders. De duif, het enige gekende dier zonder zwarte gal, leek hen het best geschikt om het optimisme en het enthousiasme van Gods Geest – zonder enig tikkeltje zwartgalligheid – weer te geven.

Deze hemelse thuiskomst wordt omkaderd door een gevarieerde decoratie, zoals de bloemen op de achterste zuilen. Alluderen de zeedieren en -vruchten op de buitenste schroefzuilen eerder op Jacobus’ aardse overtocht naar Spanje, dan staan de lauwerkransen en de palmtakken van het martelaarschap op de binnenste zuilen voor zijn tocht naar de hemelse eeuwigheid. Als je met open armen ontvangen wordt, dan moet er toch vreugde zijn, niet?