Sleutel tot de Sint-Jacobskerk te Antwerpen.

De Heilig-Sacraments-
of Venerabel-kapel

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabelkapel

Bij grote gotische kerken is de zuidkant, de zonnekant bij uitstek, de aangewezen ruimte om de devoties rond Jezus’ stralende liefde in onder te brengen: de devotie van het Heilig Kruis, van de Zoete Naam Jezus, later in de 19de eeuw die van het Heilig Hart en als belangrijkste die van het Heilig Sacrament. Hiermee bedoelt men concreet het hostiebrood dat in de eucharistie­viering op gezag van Jezus geconsacreerd wordt tot ‘Zijn Lichaam’. Dit tastbare teken van Jezus’ aanwezigheid, ja, dit geestelijk voedsel van de Eucharistie wordt beschouwd als het voornaamste onder de 7 sacramenten, vandaar genoemd ‘het Allerheiligste (Sacrament)’ of vanuit het Latijn: het ‘Venerabele’, d.i. het eerbiedwaardig Sacrament.

De oorspronkelijke kapelruimte van 1507 wordt tot tweemaal toe beschilderd in 1541 en nogmaals met loofwerk en vergulde cibories ca.1594. De uitgesproken voorliefde van de Contrareformatie voor het sacrament van de eucharistie alsook voor de figuur van Maria resulteert in de Zuidelijke Nederlanden in een eigen ruime zij­kapel voor elk van deze devoties. In 1664-‘65 worden hiervoor in de Sint-Jacobskerk twee be­staande ruimten samengeslagen: het Sacramentskoor van 1507 én de Sint-Alfonsuskapel van de familie Carillo, in 1626 opgetrokken als eerste kapel aan de zuidelijke koor­omgang. Samen met een nog onbebouwd perceel resulteert deze ingreep in de huidige Venerabel­kapel.

Het altaar

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: “Het Laatste Avondmaal” (Cornelis Van Daele, 1590)

Het oorspronkelijke retabeltriptiek

Het oude retabelschilderij op paneel, in maniëristische stijl, van kapelheer Cornelis van Dale (1590), dateert uit de katholieke herstelperiode van na 1585. ‘Het Laatste Avondmaal’, wanneer Jezus tijdens het Joodse paasmaal brood nam, brak en uitdeelde met de woorden: “neem en eet, dit is Mijn lichaam, gegeven voor jullie”, geeft de essentie van de liefde weer die bereid is zichzelf op te offeren en geldt als de instelling van de eucharistie. Op het offerlam van het joodse paasmaal in de schotel op tafel ent zich de nieuwe christelijke betekenis: het staat voor Jezus, het nieuwe Paaslam. Geen moment in de geschiedenis wordt zo vaak dagelijks ritueel herhaald als dit breken van het brood.

Johannes ligt – trouw aan de echter foutief vertaalde Bijbeltekst – aan Jezus’ borst. Het betreft een foutieve middeleeuwse interpretatie van de antieke gewoonte om – letterlijk – aan tafel aan te liggen en iemand de ereplaats te geven aan de borstzíjde, in tegenstelling tot de rugzijde. Vandaar dat de schilder Petrus nog steeds de ereplaats aan Jezus’ rechterzijde wist te gunnen. Ook Judas is herkenbaar. Hij staat apart opgesteld, met rossig haar en baard, en de geldbeurs in de hand. Hij, de penningmeester van de apostelen, heeft zijn meester en vriend reeds verraden, bezweken als hij is voor de macht van het geld dat hem door de joden beloofd was: (de) 30 zilverlingen.

Op de oorspronkelijke luiken, die bij de oprichting van het huidige barokke portiek­altaar iets verder naast het Habsburger-glasraam werden opgehangen, wordt de band gelegd met oud­testamen­tische vooraf­beeldingen. Duidt Mozes met de 2 stenen wetstafelen op het Oude Verbond tussen God en zijn uitverkoren volk Israël, dan vervangt Jezus op het centrale paneel dit eerste, wettische verbond door een nieuw verbond van liefde, dat de katholieken opnieuw beleven in het Sacrament van de Eucharistie. Staat Mozes’ broer Aäron met wierookvat (links) voor de joodse eredienst jegens God, dan wordt die nu in de katholieke liturgie vervuld tegenover diens mensgeworden Zoon Jezus Christus, blijvend aanwezig in het tastbare teken van het Sacrament van de Eucharistie, dat hier ook met wierook vereerd wordt. Abraham als leger­aanvoerder en de priester Melchisedech met offerbrood en wijnkan (rechts) voorafbeelden het leven­gevende offerbrood van Jezus, (de hosties van) de Communie.

Twee van deze oudtestamentische figuren komen tevens voor als beeldjes die het vergulde, bronzen tabernakel flankeren: Melchisedech (iconografisch rechts), met 2 toonbroden en een kan op de grond en Aäron, met een walmende wierookpot. Dit ‘coffrefort’ waarin de hosties worden bewaard, is het werk van Jan‑Piet Verschuylen, (1844).

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabel-altaar: Petrus
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabel altaarbekroning: God de Vader

Het barokke altaar

Het marmeren altaar, werk van Peter I Verbruggen en Lodewijk Willemssens (1670), is opgebouwd als één monumentale omlijsting voor het oude retabel­schilderij, thematisch aangekleed met graanhalmen, waaruit graantjes worden gepikt, en in de druiven geprikt. De sculpturen van Sint‑Petrus (iconografisch rechts) en Sint‑Paulus (andere zijde) hebben de flankerende rol van de oorspronkelijk zijpanelen overgenomen. Merkt u de speelse papegaai op een van beide schroefzuilen op?

Geheel in de top zit een pelikaan. Volgens een populaire doch foutieve overlevering zou deze vogel bij gebrek aan voedsel voor zijn jongen, zich de borst openprikken om zijn eigen in­gewanden als voedsel aan te bieden. Deze zelfopoffering om anderen het leven te gunnen staat symbool voor Christus die in de liefde tot het uiterste is gegaan en zijn leven heeft gegeven.

In de altaarbekroning zit God de Vader, als Heer van het heelal de scepter in de hand en rustend op de globe. Zijn wijds zegenend gebaar richt zich naar zijn Zoon Jezus bij het Laatste Avondmaal (op het schilderij), die zijn zending aan God te danken heeft, en – net boven het altaarschilderij – onomwonden kan zeggen: “Ick ben de wegh, de waerheit ende t’ leven” “Joa. c.14 // v.9” (lees: ‘capitulum’, ‘versus’) (bedoeld: Joh. 14:6a).

In de eucharistieviering wordt dit gebaar van Jezus getrouw herhaald met brood en wijn. De gebruiksvoorwerpen van de mis worden gebezigd door schattige misdienaar-engeltjes op de predella en op de voetstukken van het retabel van links naar rechts:

  • De altaarcarillon, een soort klokschaal waaronder 3 kleine belletjes hangen, wordt ge­hanteerd uit eerbied bij de consecratie.
  • Een engel houdt het wierookvat omhoog en blaast met bolle wangen het vuur van de houtskool aan: zelfs de rookwalm binnen de pot is weergegeven. Het scheepje op de grond is voorzien van een lepeltje om de korrels mee op te scheppen.
  • Druiven worden geperst tot wijn en opgevangen in een barokke kelk, met ge­vleugeld engelen­hoofdje op de cuppa. De priester­stool onderaan wijst op het priesterlijk gezag waar­mee deze wijn geconsacreerd wordt tot het zgn. ‘Bloed van Christus’. De engel links houdt in de rechterhand een bussel graanhalmen waar enkele graantjes uit gepikt zijn. Merkwaardig dat er geen pateen werd afgebeeld!

Als respectieve pendanten hiervan:

  • Water en wijn worden levendiger en barokker voorgesteld door de aanvoer in een recipiënt. Met beide handen perst een putto druiven tot wijn, opgevangen in een barokke ampul terwijl een fontein met in het bekken boven 2 dolfijnen, water spuit dat in een identieke ampul opgevangen wordt. (Maar riskeert de barokke liefde voor overvloed hier i.p.v. ‘water bij de wijn te doen’ niet de wijn geheel te doen verwateren?)
  • Het misboek of missaal, met een slot, met vaste bladwijzers, en een manipel erover­heen, d.i. een handdoek die echter alle praktisch nut verloren heeft ten voordele van het decoratieve. Deze manier van voorstellen stemt overeen met de liturgie van de toenmalige ‘tridentijnse’ mis wanneer de priester voor de homilie de kazuifel aflegde en de manipel over het missaal legde. (Let op de vingers van de linker­hand onder het boek.)
  • Het lavabobekken met kan en handdoek voor de handwassing of ‘lavabo’ van de priester.
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabel-altaar: Paulus
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabelkapel: Communiebank detail

De communiebank

De eerbied voor Jezus in het sacrament van de Eucharistie wordt door het Concilie van Trente ondersteund door het invoeren van een nieuw kerkmeubel: de communie­bank, een kniel­bank om Jezus in de hostie met meer eerbied te ontvangen.

Bij dit weergaloze meesterwerk van Willem Kerrickx en Hendrik Verbruggen (1696) is de kwaliteit van de barokbeeldhouwkunst ten top gedreven. De materie en het gewicht verdwijnen hier a.h.w. ten voordele van de eigenlijke figuratieve voor­stelling. De sappige druiven­trossen, de volumineuze maïskolven, het zachte Lam, de rieten mand met hosties, het papieren boek en de brandende toorts: alles lijkt zo natuur­getrouw. De maïskolven lijken recht van het veld te komen: her en der hebben vogels er blijk­baar al gretig van gesnoept. Schattige misdienaar-engeltjes komen met de gepaste gestes Christus aanbidden, waarlijk aanwezig in de gedaante van brood en wijn (middenpaneel), en erkennen Hem als het ware Lam van God (rechts daarvan). “Ecce panis a[ngelorum]” “Ecce agnus dei domine non dignus sum”. Let op het deurtje aan de rechterzijde met op elke (draaibare) deurvleugel de helft van een open boek. Links licht een engel met een brandende toorts bij, rechts wijst een engel aan waar men moet lezen, alleen de tekst mankeert. Op de zuiltjes staat een heiligenmedaillon in basreliëf.

Het iconografische programma van de biechtstoel is geheel afgestemd op de devotie in deze kapel. Er wordt nl. voorgehouden dat hier zonden kunnen vergeven worden omdat het ‘Lam Gods’ de zonden van de wereld wegneemt. En dat ‘Lam van God’ kan je in deze kapel aanbidden in ‘het Heilig Sacrament’, getoond in een monstrans.

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabelkapel: Communiebank detail

Het Habsburgerraam

Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabelkapel: Habsburgerraam (Jan de Labaer, 1626)
Sint-Jacobskerk, Antwerpen: Venerabelkapel: Schema Habsburgerraam

Het glasraam met zijn schitterend groene landschap is een uitzonderlijk barok meesterwerk van Jan de Labaer uit ‘s Hertogenbosch (1626). Als een stripverhaal geeft het in meerdere fasen het verhaal van Rudolf van Habsburg weer die zijn paard bereidwillig afstaat aan een priester om met des te meer spoed de Heilige Communie te kunnen brengen aan een stervende.

(A) Links boven: De pastoor (1), gealarmeerd door het bericht omtrent een stervende parochiaan, gaat hem berechten en brengt hem de communie als laatste vertroosting. Vanuit de kerk, in de linker bovenhoek, draagt de priester de hostie in een ciborie. Hij wordt begeleid door de koster (2), gekleed in rocket, met een berechtingslantaarn en -bel.

(B) Onderaan: De priester, wiens doorgang bemoeilijkt wordt door drassig gebied (afgebeeld!), ontmoet onderweg Rudolf, graaf van Habsburg (1273‑1313) (3) en diens gezel Regulus van Kyburg (4) tijdens hun jachtpartij. Uit eerbied voor Jezus in het Heilig Sacrament en uit meeleven voor de stervende biedt Rudolf de priester en de koster de paarden aan om de tocht naar de stervende te versnellen.

(C) Rechts midden, op dezelfde hoogte van links: de priester en de koster te paard, gevolgd door de graaf en zijn gezel te voet, naderen de woonst van de stervende die berecht wil worden, in de rechter bovenhoek.

(D) Bovenaan midden: het gezelschap, 2 te paard en 2 te voet, op de terugweg naar de kerk.

(E) Bij de dorpskerk, binnen de kerkhofmuur het gezelschap. Pastoor en koster hebben het paard bereden dat Rudolf hen voorgoed heeft geschonken.

(F) Midden: een kluizenares (5) bij een waterput voorspelt Rudolf van Habsburg de keizerskroon: ‘God beloont immers wie zo nederig eer betuigt aan ‘Jezus in het H. Sacrament’, ‘de koning van de hemel’. Een tiental jaren later, in 1273, wordt de voorspelling bewaarheid wanneer Rudolf I, stamvader van de Habsburgers, tot keizer wordt gekroond.

Het verhaal wil ons stichten in de eerbied tegenover Jezus in het Heilig Sacrament. Het geeft tevens de bijzondere devotie weer van de Broederschap van de Veertiendaagse Berechting.

Om de twee weken ging een priester, plechtig vergezeld door leden van deze broederschap, de communie bezorgen bij de zieken thuis. Voor de stervenden is dit a.h.w. voedsel voor de reis naar de eeuwigheid: vandaar genoemd ‘Voedsel voor onderweg‘ (het Viaticum’), ook wel ‘de heilige Teerspijze’. In het kader van de Contrareformatie met haar accent op de zintuiglijk waar­neem­ba­re sacramenten én in het kader van de pralerige barok, groeide deze communie­bedeling uit tot een miniprocessie.

Onderaan zijn de schenkers afgebeeld: Juan de Cachiopin en zijn echtgenote Magdalena de Lange. Meer dan waarschijnlijk is het priestergezicht een portret.