Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

De calvarietuin:
op bede-vaart ‘achter de hoek’

De Calvarie van de Sint-Pauluskerk, een van de meest pittoreske hoekjes van Antwerpen - ingekleurde litho, uitgegeven door Granello in Antwerpen, 19de eeuw. © Museum Plantijn-Moretus/Prentenkabinet Antwerpen
Sint-Paulus - De Calvarie vandaag

De dominicanen en de ‘Jeruzalemvaart’

De bedevaart naar het Heilig Land is voor menige christen een levensdoel. In de 17de eeuw nemen de Antwerpse dominicanen het voortouw in het promoten van deze bedevaart. In de schoot van de Rozenkransbroederschap richten zij het Genootschap der Jeruzalemvaarders op. De laatste bezoekers van het Heilig Land op het einde van de eeuw zijn de gebroeders van Ketwigh, beiden dominicaan te Antwerpen. Omdat het Heilig Land onbereikbaar wordt door de oprukkende Ottomanen in de Balkan, vat Dominicus (Domien) van Ketwigh het plan op om het kerkhof naast de kerk, met behoud van zijn begraaffunctie, om te vormen tot een meditatieve beeldentuin à la Jeruzalem. Deze barokke creatie is dus bedoeld als een soort spirituele erzatz. Door Jezus’ lijden, sterven en verrijzenis levensgroot uitgebeeld te zien, kan de bezoeker deze geloofsmysteries sterker voor de geest halen en dieper beleven. Nog vóór 1699 maakt Willem I Kerricx de ontwerptekening voor de ‘berg’, maar de realisatie van het hele project neemt bijna een halve eeuw in beslag. Tot in 1741 doet men hiervoor een beroep op verscheidene Antwerpse barokbeeldhouwers, onder wie Jan Claudius De Cock, Willem I Kerricx en Willem-Ignatius Kerricx, Jan Pieter I van Baurscheit, Michiel I van der Voort en Alexander Van Papenhoven.

De dominerende calvarieberg mag dan al zijn naam lenen aan de hele tuin van dit voormalige kerkhof, in feite is het ook een Verrijzenistuin, aangezien Jezus’ heropstanding ‘in levende lijve’ in beeld wordt gebracht door Zijn ontmoeting met Maria Magdalena in de tuin! Bovendien voorzeggen de profeten Jezus’ lijden én Zijn heropstanding. Al wie ook maar betrokken is bij Jezus’ liefdeoffer in de kruisdood en Zijn overwinning op de dood, hetzij als directe getuige, als profeet of als voorbeeldige devotievrome, heeft hier een plaats gekregen. Door de thematische opstelling van de beelden en door de levendige dialoog van enkele beeldengroepen heeft het merkwaardig ensemble iets van een openluchttheater.

Vier dominicanen, zelf Jeruzalembedevaarders, gewapend met de rozenkrans, begeleiden de bezoekers. Om het reisdoel van hun genootschap te illustreren, houden ze een schild met het christelijke wapen van Jeruzalem vast, terwijl de palmtak wijst op het pelgrimsgebruik om, eens aan land, met dit ‘bewijs’ triomfantelijk hun thuisstad te betreden.

Aan het begin van de weg nodigen twee zaligverklaarde dominicanen de bezoeker uit om mee op tocht te gaan aan de hand van de tekst op de rand van hun schild. Links staat Jordanus van Saksen (D1), in opvolging van Dominicus de tweede magister-generaal van de orde, die echter tijdens zijn terugkeer van het Heilig Land in 1237 bij een schipbreuk omkomt. Hij beveelt het bezoek aan met een psalmvers: “AENBIDT OP SYNEN HYLIGHEN BERGH . Ps: 98.” (Ps. 99:9). Rechts staat de Portugees Gundisalvus van Amaranthe (1187-1259) (D2), die na een meer dan tien jaar durend verblijf in Palestina kluizenaar en vervolgens dominicaan wordt. Op het schild van Gundisalvus staat: “SYN GRAF SAL GLORIEUS WESEN ISA : II” (Jes. 11:10).

Bovenaan de berg, op het terras onder het kruis, staan twee paters te prediken, namelijk de medeoprichters van het Genootschap der Jeruzalemvaarders: Domien Vanden Boom (D3), links, en de kreupele Jaak Pussens (D4), rechts.

Grondplan van de calvarietuin

Dominicanen   Apostelen
D1 Jordaan van Saksen A1 Petrus
D2 Gundisalvus van Amaranthe A2 Paulus
D3 Domien Vanden Boom
D4 Jaak Pussens Evangelisten
    Ev1 Matteüs
Engelen Ev2 Johannes
E1 doornenkroon Ev3 Lucas
E2 afbeelding vijf wonden Ev4 Marcus
E3 spons en naambord ‘INRI’
E4 naadloos kleed en dobbelstenen Kleine profeten (Latijnse opschriften)
E5 kruis p1 Hosea (Ozeas)
E6 ladder p2 Joël (Ioel)
E7 lijkwade p3 Amos (Amos)
E8 gesel en touwen p4 Obadja (Abdias)
E9 zweetdoek (van Veronica) p5 Jona (Jonas)
E10 geselkolom en doornenkroon, (nagels, roede, dobbelstenen) p6 Habakuk (Habacuc)
p7 Micha (Michaea)
Droeve Mysteries, Graf en Verrijzenis   p8 Nahum (Nahum)
DM1 de Doodstrijd p9 Haggai (Aggaeus)
DM2 de Geseling p10 Maleachi (Malachias)
DM3 de Doornenkroning p11 Sefanja (Sophonias)
DM4 de Kruisdraging p12 Zacharia (Zacharias)
Heilig Graf (erboven Kruisdood en Piëta)
JC – MM: Jezus verschijnt aan Maria Magdalena Grote profeten
P1 Jesaja (Isaias)
Vereerders   P2 Ezechiël
V1 Keizerin Helena P3 Daniël
V2 Maria Egyptica P4 Jeremias
V3 Longinus
V4 Petrus en de kraaiende haan Oude Testament
V5 Pelagia Mo Mozes
V6 Hiëronymus Da  Koning David
V7 Eustochiume

Het Lijdensverhaal

Om te getuigen van Jezus’ gruwelijk lijdensverhaal houden engelen aan weerszijden van de weg de bezoeker de lijdenswerktuigen voor. De opstelling van deze hemelse ‘wapenknechten’ is geïnspireerd door Bernini’s Engelenbrug (1669), door Dominicus van Ketwigh bewonderd tijdens zijn verblijf te Rome van 1714 tot 1716. De verdeling van deze tuigen is als volgt: doornenkroon (E1); (een doek met) de 5 wonden (E2); het kruisopschrift ‘INRI’ en een spons (E3); het naadloze kleed (waar men om dobbelde) met de dobbelstenen (E4); het kruis (E5), de ladder (E6), de lijkwade (E7), de gesel en de koorden (E8), het (vermeende) Veronicadoek (E9), de geselkolom en de doornenkroon, handschoen, nagels, roede en dobbelstenen (E10). De engelen tonen hun droefheid, sip, soms huilend.

Jezus’ lijden zelf komt ook in beeld in de 4 medaillons (Willem Ignatius Kerricx, 1741) tegen de kerk. Samen met de Calvarie vormen ze de 5 Droeve Mysteries van de Rozenkrans. De bijzondere eigenaardigheid dat Maria er op elk tafereel bij staat, hoeft misschien minder te verwonderen, gezien de opdrachtgever sinds 1703, net als zijn broer Jan Baptist, een groot ijveraar was voor de dagelijkse rozenkransdevotie. Een gedicht begeleidt elk mysterie:

Eerste Mysterie, de Doodstrijd (DM1)

WIE SAL O LIEVEN GODT
MYN SIEL DE TRANEN GEVEN
ALS ICK U SIEN BEDROEFT
OM MYN BOOSAERDIGH LEVEN
ALS ICK U SIEN BENAUT
EN SWEETEN BLOEDIG SWEET
DAN ROEP ICK MET BEROU
MYN SONDEN SYN MYN LEET.*

(* leed, verdriet; zie verder bij Jesaja)

Tweede Mysterie, de Geseling (DM2)

O SOET ONNOSEL LAM
AEN EEN COLOM GEBONDEN
VERACKELT EN VERSCHEURT
EN DAT OM ONSE SONDEN.
ICH HOPE DAT UW BLOET
MYN SIEL BEWAEREN SAL
WANT ICK BEMIN U GODT
UIT LIEFDE BOVEN AL.

Derde Mysterie, de Doornenkroning (DM3)

 O VREEDE DORENS CROON
O FELLE DORENS STEKEN
TER LIEFDE VAN DEES CROON
SAL ICK MYN LEET NIET VREKEN
O JESU DAT DEES CROON
TOT LIEFDE MY VERWECKT
DAT BID ICK DOOR HET BLOET
DAT VAN DE DORENS LECKT.

Vierde Mysterie, de Kruisdraging (DM4)

 SAL ICK O JESUS SOET
NOCH IN MYN LYDEN CLAEGEN
ALS ICK U SONDER SCHULT
U CRUYS SIEN WILLIGH DRAEGEN
ACH DROEVE MOEDER GODTS
HOE GROOT WAS UWE SMERT
MAAK DAT EEN WAER BEROUW
VERPLET MYN SONDIGH HERT.

Petrus (V4), rechts van het graf in een spelonk, wordt gekweld door wroeging om zijn verloochening, verzinnebeeld door de kraaiende haan boven hem. De sleutels van het koninkrijk van de hemel heeft hij op de grond gelegd, en hij vraagt, geknield, nederig om vergeving.

Door Jezus’ kruisdood hoog op de steile berg uit te beelden, krijgt het kruis iets triomfantelijks. De doodshoofden aan de voet van het kruis verbeelden de naam van de plek: ‘Calvarie’, dit is ‘Schedelplaats’.

Traditiegetrouw flankeren Zijn moeder en Zijn geliefde leerling Johannes, respectievelijk (iconografisch) rechts en links van Hem het kruis. Maria (M) kijkt op naar haar enig Kind; Johannes (J) wijst ons Hem aan.

Omdat volgens de joodse traditie Adam bij de Calvarieberg net buiten Jeruzalem begraven ligt, was dit voor de christenen een welgekomen gegeven om het skelet van Adam (Ad) als symbool van de dood weer te geven onder de voet van het kruis, dat staat voor (de hoop op) het eeuwig leven. Diezelfde (oude) Adam, naakt en met de schop van zijn arbeid (Ad), kijkt hier als levende op naar de ‘nieuwe Adam’, zoals Jezus Messias wordt genoemd (Rom. 5:14-21; vooral 1 Kor. 15:22.45-49).

In de spelonk onder het kruis houdt Maria (M) haar gestorven Zoon (JC) op de schoot en beweent Hem: de Piëta. Het liefdeoffer van Jezus wordt symbolisch herhaald door de pelikaan die zijn borst doorprikt om zijn ingewanden als laatste redmiddel aan zijn jongen te geven om er zich mee te voeden en zo te overleven.

Jezus’ ontzielde lichaam (Willem I Kerricx) ligt ontroerend ‘levensecht’ opgebaard in de grot op het gelijkvloers: het Heilig Graf. De Romeinse (helmboswuivende) soldaat Longinus (V3), die Jezus’ hart doorstoken heeft, hoort eerder thuis bij de Calvarie, boven op de berg, maar verbeeldt hier eigenlijk de schildwacht bij het graf.

Ten slotte wordt Jezus’ verrijzenis ‘in levende lijve’ (door Michiel I van der Voort) in beeld gebracht in de scène van zijn ontmoeting (JC) met Maria Magdalena (MM) in de tuin – het evangelie van de dagmis van Pasen (Joh. 20:14-17). Van dat grote mysterie, dat Hij de dood overwonnen heeft, wordt zij de kroongetuige. Aanvankelijk denkt ze dat het de tuinman is, vandaar Zijn spade. Wanneer zij Hem herkent, wil ze Hem vanuit haar ongeloof betasten, maar ze krijgt te horen: “Raak Mij niet aan” (‘Noli me tangere’, de traditionele benaming voor dit tafereel). Uit ontzag doet ze een lichte kniebuiging en kruist ze de armen.

De vier evangelisten, die het relaas op schrift hebben vastgelegd, staan, herkenbaar aan hun gevleugelde symbool, met hun schrijfmateriaal zijdelings van de tuin. Johannes (Ev2) en Lucas (Ev3) zijn aan het schrijven; Matteüs (Ev1), kijkt hemelwaarts. Marcus (Ev4) houdt een schriftrol met daarop het aanvangvers van zijn evangelie.

De voornaamste twee apostelen (A), Petrus en Paulus, staan in de rechtse engelenrij. Ze zijn herkenbaar aan hun fysionomie en aan hun respectievelijke attributen – twee sleutels en een zwaard – en ze houden elk een schriftrol.

Bij Petrus (A1) leest men uit zijn eerste brief:

“CHRISTUS HEEFT VOOR ONS GELEDEN. I Petr. II. 21”
“DOOR DE VERRYSENISSE JESU CHRISTI. I Petr. III. 21”

Bij Paulus (A2) uit zijn brieven:

“CHRISTUS IS GESTORVEN ENDE VERRESEN. Rom. XIV,9”
“WIJ PREDIKEN DEN GECRUYSTEN CHRISTUS. I Cor. 1,23”

Verder treden alle profeten op, de ‘grote’ (P) en de ‘kleine’ (p), om Jezus’ liefdeoffer op Calvarie aan te kondigen met een van hun citaten, in het Nederlands nog wel.

Dat de dominicanen een bijzondere voorliefde koesterden voor Maria Magdalena (MM), blijkt uit haar aanwezigheid hier tot driemaal toe, waaronder de verschijning van de paasochtend. De reden is, dat Maria Magdalena, die verscheidene nieuwtestamentische figuren in zich verenigt en ook de rol van ‘Maria’, de zus van Lazarus en Marta vervult, in de Zuidelijke Nederlanden (tot het begin van de 19de eeuw) de patrones van de dominicaanse derde orde was. Dat patronaat houdt verband met de geschiedenis van de orde, die sinds 1295 tot aan de vernieling door de Franse Revolutie het bedevaartsoord Ste. Baume bedient. Nadat Maria Magdalena samen met Lazarus en Marta – aldus de legende – aan land was gegaan in Saintes-Maries-de-la-Mer, trok ze zich uit berouw voor haar zondig leven terug in ‘Sainte-Baume’ (‘baoumo’ is het Provençaals voor ‘grot’). Geflankeerd door haar broer en zus op het eerste platform van de ‘berg’, ligt zij als boetelinge in de grot over de uitersten te mediteren aan de hand van een doodshoofd (en oorspronkelijk ook van een kruis in de linkerhand). Misschien symboliseert de mysterieuze pauwachtige vogel haar ijdelheid. Haar voornaamste attribuut is het vaasje met kostbare balsem, waarmee zij in het huis van Simon de Farizeeër Jezus’ voeten begoot en dat eveneens verwijst naar haar voornemen om op paasmorgen Jezus’ dode lichaam te balsemen. In die grot leefde ze dertig jaar in gebed en eenzaamheid. Volgens de legende kreeg zij bijstand van de aartsengel Michael (E) die, gekleed als (helmboswuivende) Romeinse soldaat, gewapend met een kruisstaf en een vlammend zwaard, de draak (Dra) die er woonde, verdreef. Diezelfde afwerende kracht wordt toegeschreven aan haar zus Marta van Bethanië (Mta), die het kruis als wapen in de hand houdt. Haar broer Lazarus (L), die als bisschop zegent, houdt het zwaard van zijn onthoofding. Op weg naar het Heilig Land doet ook menige bedevaarder Sainte-Baume aan, onder meer pater Jaak Pussens in 1633.

Ten slotte wordt Maria Magdalena, tegen de traptoren, getrouw aan haar legende, door de engelen zeven maal per dag in verrukking boven de wolken geheven om er de hemelse muziek te aanhoren totdat ze definitief hemelt.

De profeten aan het woord

Een (joodse) ‘pro-feet’ is allereerst iemand die namens God de actuele waarheid onomwonden ‘voor-zegt’ aan het hele volk en die met onheil dreigt, maar ook een definitieve manifestatie van Gods heil in het verschiet stelt.

Omdat het Verbond van God met het Joodse volk door de christenen vooral wordt gezien als een eerste of ‘oude’ aanzet tot het Nieuwe Verbond in Christus, worden ook de profeten uit het ‘Oude Testament’ vanuit dat nieuwe geloofsperspectief gelezen. Doch in de vroegere christelijke traditie werd hun optreden vooral gezien als een voor-zeggen van het heil dat in Christus zal vervuld worden. Koppige tegendraadse predikers werden zo herleid tot scherpzinnige, eerbiedwaardige toekomst­voorspellers.

In de christelijke beeld­vorming moest bijgevolg de oorspronkelijk krachtige bewogenheid van deze volksinspirators wijken voor een minder dreigend gepeins van toekomst­voorzeggers. Ofwel is hun bedachtzame blik gericht op de banderol met hun respectieve citaat, zijn ze met gebogen hoofd in zichzelf gekeerd, kijken ze stuurs voor zich uit óf richten ze de blik hemelwaarts. De ontrolde schriftrol houden ze in beide handen, of in één hand terwijl ze er met de rechtervinger naar wijzen om er hun mondelinge predicatie mee te onderschrijven.

De lengte van hun Bijbelboek bepaalt de onderverdeling in ‘grote’ en ‘kleine’ profeten. Aan de drie ‘grote profeten’ hebben de christenen Daniël als vierde toegevoegd, waarschijn­lijk uit bekommernis voor een numerieke parallel met de vier evangelisten.

De grote profeten, behalve Jeremia, staan symbolisch bovenaan tegen de steunberen van de kerk, terwijl de twaalf kleine profeten op de begane grond optreden.

De volgorde van hun opstelling, te beginnen aan de ingang van de tuin, komt grotendeels overeen met die van hun boek in de Bijbel. Daarom kan men zich afvragen of de opstelling oorspronkelijk niet volledig Bijbels correct was.

De namen van al deze godsmannen staan in het voetstuk gegrift in het toen gangbare Latijn. Opvallend en uitzonderlijk is hun klederdracht. Bij de meesten reikt het gewaad slechts tot aan de knie, om deze unieke volplastische beeldenreeks van een al te stereotiepe indruk te vrijwaren en de godsmannen een dynamischer karakter te verlenen. Bovendien dragen sommigen een exotisch modieuze outfit. De boodschap van sommigen wordt getypeerd door een sprekend attribuut zoals de runderhoorns bij Hosea en de lantaarns bij Sefanja.

Als wijzen, werden de profeten als vanzelfsprekend met een middelbare of oudere leeftijd bedacht. Tengevolge van die (vermeende lange) levenservaring dragen de profeten haast per definitie een lange baard: de zware, volle ‘profetenbaard’. De meesten zijn, in het spoor van de apostelen, blootsvoets.

Als verkondiger is een profeet herkenbaar aan een open schriftrol, de antieke drager van teksten. Dit historisch getrouwe element materialiseert allereerst de boodschap van de profeet. Hiermee wil men de profeten onderscheiden van de apostelen, die doorgaans de schriftrol uit hun tijd moesten inruilen voor het modernere boek, het medium van de middeleeuwse christenen.

Het citaat komt vanzelfsprekend uit het boek van de profeet dat in de Bijbelverzameling is opgenomen. De overname van de citaten is niet altijd letterlijk die van de profeet in kwestie, omdat men bij voorkeur de passages van het Nieuwe Testament aanhaalt waarin de profeet geciteerd wordt, zij het soms met een heel lichte tekstafwijking. Omdat het Latijn als universele taal van de Katholieke Kerk minstens tot het einde van de 19de eeuw zijn weerslag vindt in de kerkelijke kunst, zijn de Bijbelcitaten doorgaans ontleend aan de Vulgaat. De barokke beeldentuin van de Antwerpse dominicanen vormt daar merkwaardig genoeg een belangrijke uitzondering op. De profeten ‘spreken’ hier de landstaal, het Nederlands. Zo bereiken ze al een ruimer publiek.

De 12 kleine profeten (p)

(p1) Hosea, ‘Ozeas’, (Michiel I van der Voort, ca. 1701-1709)

Hij houdt het hoofd gevleid op de rechterschouder, in de richting van de bezoeker aan de toegangspoort: eerst oogcontact van mens tot mens, dan pas komt de boodschap ter sprake! De vruchtbaarheidscultus van de Kanaänitische afgod Baäl, waartegen hij zo fulmineert, wordt door stieren gesymboliseerd. Doch naar het oordeel van de profeet zijn die beelden slechts goed om verwijderd en stukgeslagen te worden (8:4-6). Hierop alluderen de beide runderhoorns aan de voeten van de profeet; een ervan is in twee gebroken. Dat ondanks alles toch de Messiaanse bevrijding uit het dodenrijk blijft doorklinken, blijkt uit het citaat op de schriftrol: “O DOODT / ICK SAL SYN / UWE DOODT / Ozeas 13 V.14”.

(p2) Joël, ‘Joel’ (Michiel I Van der Voort, ca. 1701-1709)

Joël vergelijkt de dreigende komst van de Dag van de Heer met de inval van een vijandelijk leger, gepaard met vuur en vlam: “vuur heeft het groen in de steppe opgevreten”, “vuurgloed heeft alle bomen daarbuiten verschroeid” (1:19). Oorzaak en gevolg worden in beeld gebracht. Aan Joëls rechterzijde situeren zich de vlammen, terwijl een kale boomstronk met takken aan zijn linkerzijde staat. In de daaropvolgende verzen voert hij de dreiging ten top door de hemellichamen mee in te schakelen. Ernstig leest hij zijn citaat voor: “DE SONNE / EN DE MANE / SYN VERDU=/=YSTERT GH=/=EWEEST / IOEL 2. V 10”. Voor de christenen is dit een zonneklare allusie op de zonsverduistering op het moment van Jezus’ kruisdood, zoals vermeld in Lc. 23:45a.

(p3) Amos (Jan Claudius De Cock, gesigneerd)

Net als bij Joël alludeert de tekst op de zonsverduistering tijdens Jezus’ kruisdood: “DE SONNE SAL ONDER GAEN / IN DEN MIDDAGH. 8.V.9.”

(p4) Obadja, ‘Abdias’ (Alexander Van Papenhoven?)

Op zijn neerwaarts afgerolde schriftrol voorzegt hij: “ENDE GHY SYT SEER VERSMAEDELYCK. ABDIAS 2” (diep veracht zult gij zijn; Ob. 2). De spreker blijft ijzig kalm en kijkt recht voor zich uit.

(p5) Jona, ‘Jonas’ (Alexander Van Papenhoven, toegeschreven)

Indachtig zijn avontuur op en in zee passen hem geen verfijnde of lange gewaden en schoeisel. Het citaat betreft een autobiografische tekst van de profeet: “JONAS WAS IN DES VISCHS BUYCK DRY DAGHEN ENDE DRY NAG[ten]. / IONAS 2. V.1”. Dit drie dagen durend verblijf in de grote vis wordt traditioneel als een voorafbeelding gezien van de duur tussen Jezus’ sterven en Zijn verrijzenis.

(p6) Habakuk, ‘Habacuc’ (Jan Pieter I Van Baurscheit, gesigneerd)

De profeet moest de moes die hij gekookt had wegbrengen naar Daniël, die gevangen zat in de leeuwenkuil in Babel. Omdat hij bezwaar maakte, was hij door de engel “bij de haren van zijn kruin vastgegrepen” en snel naar Babel overgebracht; vandaar zijn kort gewaad tot net boven de knieën, terwijl de vaart door het luchtruim gesuggereerd wordt door zijn wapperende haarlokken. Hier proeft hij toch nog even graag uit de kookpot (Daniël 14:23-42).

Zijn citaat, een aanklacht tegen de ontrouw van Gods volk – “GY SYT VERVULT MET SCHANDEN VOOR GLORIE. II, 16” (en schande valt op uw glorie) – wordt hier toegepast op Jezus, gezien de schande (van de kruisdood) die Zijn glorie besmeurt.

(p7) Micha, ‘Michaea’ (Jan Claudius De Cock, gesigneerd)

Hij verwijst naar het verschrikkelijke lijden dat Jezus moet doorstaan om nieuw leven te kunnen geven: “DE PYNE HEEFT U BEVAN/GEN ALS EEN BAERENDE VROUW. 4.V.9.”.

(p8) Nahum (Jan Claudius De Cock, gesigneerd)

Ook hij legt de vinger op Jezus’ wonden: “UWE WONDE / IS DE ALDERQUAEDSTE. 3.V.19”. De referentie van zijn boek staat speels op de tweede, achterliggende schriftrol.

(p9) Haggai, ‘Aggaeus’ (Jan Pieter I Van Baurscheit, gesigneerd met monogram JPVB)

Het karaktervolle personage met stevige haardos richt de blik bedachtzaam hemelwaarts. “DEN HEERE HEEFT VERWECKT DEN GHEEST VAN JESU. AGGAEI. I° V.14” (De Heer heeft de geest van Jezus opgewekt; 1:14), een toespeling op Jezus’ verrijzenis. De geprononceerde plooienval geeft reliëf aan heel zijn figuur.

(p10) Maleachi, ‘Malachias’ (Jan Claudius De Cock, gesigneerd)

Met deze zinspeling op Jezus’ verrijzenis geeft hij vertroosting aan al wie in de duisternis zit: “ULIEDEN SAL OPGAEN DE SONNE DER RECHT­VEERDIG­HEIT. Malach: 4 V 2” (voor u gaat de zon van de gerechtigheid op; = Mal. 3:20).

(p11) Sefanja, ‘Sophonias’ (Jan Pieter I Van Baurscheit, gesigneerd met monogram JPVB)

Sefanja houdt een lantaarntje, dat net als een van de drie kleine lantaarns achter hem, een open deurtje heeft. In elk raampje staat een brandend kaarsje ingegrift: een inventieve manier om weer te geven hoe een en hetzelfde onzichtbare kaarsje langs alle kanten zichtbaar is! De onheilsprofeet laat er geen twijfel over bestaan dat op de “grote dag van de Heer” het kwade door God systematisch opgespoord én vergolden wordt: “In die tijd zal Ik Jeruzalem met lampen doorzoeken en zal Ik de mannen bestraffen”. Tegelijkertijd biedt hij op de schriftrol hoop aan: “VERBEYT MY IN DEN DACH MYNDER VERRYSENISSE. 3.V.8” (Wacht op Mij op de dag dat Ik opnieuw zal optreden).

(p12) Zacharia, ‘Zacharias’ (Jan Claudius De Cock, gesigneerd)

Hij draagt een kunstig versierde brieventas met sluitstuk, waarin verscheidene bladen steken. Door met de rechterwijsvinger de volgende passage aan te wijzen, nodigt hij de bezoeker uit om aan de voet van de Calvarieberg op te kijken naar de Gekruisigde op de top: “SY SULLEN OPSIEN TOT MY DIE SY DOORSTOKEN HEBBEN. Zach. 12. V.10”.

De grote profeten (P)

Op de console van elk van de drie grote profeten tegen de steunberen prijkt het wapen van het Jeruzalemgenootschap, met als kern het christelijke wapen van Jeruzalem: vier vierkante kruisjes rond een groter vierkant kruis, die samen alluderen op Jezus’ vijf kruiswonden. Ook de twee gekruiste palmtakken eronder verwijzen naar Jeruzalem, de eindbestemming van Jezus’ levensreis. Zijn blijde intrede daar, met de omstanders die hun juichende armbeweging met palmtakken kracht bijzetten, werd overigens het symbool van de intrede in het Hemels Jeruzalem.

(P1) Jesaja, ‘Isaias’ (Michiel I van der Voort)

Zijn tekst luidt: “ONSE DROEFHEDEN HEEFT HY GEDRAGEN. Isaie [C.?] 53 [V.?] 4.” ‘Droefheden’ of ‘smarten’ moet je lezen als: ‘onze zwakheden’ of ‘onze zonden’ en ‘Hy’ als Jezus (Mt. 8:17; Joh. 1:29). Het enige citaat van de profeet dat rechtstreeks in verband kan gebracht worden met het paar gekruiste, omgekeerde, brandende flambeeuwen onder de console luidt “uit liefde voor Sion kan ik niet zwijgen, … totdat zijn redding straalt als een brandende toorts” (Jes. 62:1). Alleszins neemt Jeremias het woord ‘vuur’ veelvuldig in de mond – bedreigend, zuiverend of heil voorspellend.

(P2) Ezechiël (Jan Claudius De Cock, toegeschreven)

Terwijl hij voor zich uit kijkt wijst hij met de rechtervinger naar een passage op de ontrolde schriftrol met als tekst: “ICK HEB U SIEN VERTREDEN IN UW BLOED. 16. [?] 6.” (ik zag hoe je daar lag te trappelen in je bloed). Aan de console prijkt een ontvleesde hand, doods­hoofden en beenderen. Samen met de twee bazuinen verbeelden deze macabere resten het visioen van Ezechiël van de tot leven opgewekte beenderen (Ez. 37).

(P3) Daniël (Alexander Van Papenhoven, toegeschreven)

De baardloze jongeman houdt de linkerwijsvinger hemelwaarts terwijl zijn blik gericht is naar het publiek onder hem. Onderaan de console verwijzen drie poezelige leeuwenkopjes met pootjes naar Daniëls verblijf in de leeuwenkuil (Dan. 6). Hoewel de oorspronkelijke schriftrol verdwenen is, is de tekst bekend: “CHRISTUS ZAL TER DOODT GEBRACHT WORDEN. 9, [?] 26.”, letterlijk is er sprake van de ‘gezalfde (vorst)’, een Messiaanse titel die in het Nieuwe Testament exclusief op Jezus wordt toegepast en bijgevolg ook hier.

(P4) Jeremia, ‘Jeremias’ (Alexander Van Papenhoven, toegeschreven)

Afgescheiden van zijn collega’s grote profeten, zit hij rechts op de eerste verdieping van de Calvarieberg in een spelonk. Dialogerend kijkt hij schuin naar rechts, de linkerhand gesticulerend opgestoken. Mogelijk is de voor een profeet uitzonderlijke aanwezigheid van een (rechtstaand, groot) boek te verklaren door het bijzonder ruime volume van zijn geschriften, nl. tweeënvijftig hoofdstukken, na die van Jesaja het omvangrijkste geschrift van profeten. Merkwaardig genoeg staat er enkel nog eens, ter identificatie, zijn naam – “JERE / MIAS” – maar misschien kon men oorspronkelijk ook hier een citaat uit zijn geschriften lezen.

Overige figuren

Vereerders van het Heilig Land

Ten slotte zijn er enkele figuren die in het Heilig Land vertoefd hebben om er hun devotie voor Christus sterker te beleven.

In de tuin links zit keizerin Helena (V1), die geknield het teruggevonden Heilig Kruis vereert.

Verder, niet toevallig tegen het graf aan, zit in een spelonk de boetelinge Maria Egyptica (V2), die zich na een bedevaart naar het Heilig Graf bekeerde en zich als boetelinge terugtrok in de woestijn. Zij is herkenbaar aan haar extra lange haren.

Pelagia (V5) heeft enerzijds aan haar voeten een snaarinstrument, een muziekpartituur en een toneelmasker als vanitasmotieven, en draagt anderzijds in de rechterhand het doodshoofd als symbool van de vergankelijkheid.

De halfnaakte kerkvader Hiëronymus (V6), die in de woestenij van Bethlehem de Bijbelvertaling die we kennen als de Vulgaat schrijft, is in gezelschap van zijn attribuut de leeuw.

De devote pelgrim Eustochiume (V7) verblijft eveneens in de streek van Jezus’ geboorteplaats.

Oudtestamentische figuren

Op de oostelijke tuinmuur zitten twee voorname oudtestamentische figuren. Mozes (Mo), ditmaal met sandalen geschoeid, houdt de twee stenen tafelen met de Tien Geboden en wijst met de vinger de tekst aan: “EGO SUM DOMINUS DEUS TUUS” Ex. 20:2” (Ik ben de Heer, uw God). Koning David (Da), gekroond en met een ster op het hoofd, looft God met begeleiding van een harp.

In de gang van het vagevuur, aan weerszijden van het Heilig Graf, luidt het opschrift: “Het is een heilig en zalig gedacht voor de overledenen te bidden opdat zij van de zonden ontbonden worden” (2 Makk. 12:49).

Het beeldhouwwerk per kunstenaar

De Cock, Jan Claudius: Amos, 1700-1734. Engel met geselkolom en doornenkroon, handschoen, nagels, roede en dobbelstenen, 1700-1734. Engel met kleed en dobbelstenen, 1700-1734. Engel met spons en INRI, 1700-1734. Longinus, 1700-1734. Lucas, 1700-1734. Malachias, 1700-1734. Marcus, 1727. Michæas, 1700-1734. Nahum, 1700- 1734. Pelagia, 1700-1734. Zacharias, 1700-1734.

De Cock, Jan Claudius, toegeschreven: Ezechiël, 1700-1734. Aartsengel Michaël met kruis en zwaard, 1700-1734. Boetende Maria Magdalena in krocht met doodshoofd en vaas, 1700-1734. Draak, gedood door Michaël, 1700-1734. Nood Gods Piëta, 1700-1734.

Kerricx, Willem I: Dode Christus (vóór of in 1707). Toegeschreven: Vagevuur, 1700-1707? of 1734.

Kerricx, Willem II Ignatius, toegeschreven: David, vóór 1734. Doornenkroning, 1741. Kruisdraging, 1741. Mozes, vóór 1734. Jezus’ doodstrijd, 1741. Jezus’ geseling, 1741.

Van Baurscheit I, Jan Pieter: Aggæus, 1700-1728. Petrus, 1700-1728. Habakuk, 1700-1728. Sofonias, 1700-1728. Toegeschreven: engel met geselkoord, 1700-1728. Engel met lijkwade, 1700-1728. Johannes, evangelist, 1700-1728.

Van der Voort I, Michiel: Gundisalvus van Amaranthe, 1701-1709. Engel met de 5 wonden op een doek, 1701-1709. Engel met doornenkroon, 1701-1709. Engel met Veronicadoek, 1701-1709. Johannes onder het kruis, 1701-1709. Naakte Adam met schop, 1701-1709. Noli Me tangere (Maria Magdalena en Christus), 1701-1709. Lazarus als bisschop, 1701-1709. Maria Magdalena, 1701-1709. Marta van Bethanië met kruis, 1701-1734. Matteüs, 1701-1709. Ozeas, 1701-1709. Joël, 1701-1709. Isaïas, 1701-1709. Petrus, 1701-1709. Paulus, 1701-1709. Eustochiume, 1701-1709. Toegeschreven: Domien Van den Boom, 1701-1709. Jaak Pussens, Pussenius, 1701-1709.

Van Papenhoven, Alexander: Jordaan van Saksen, 1709.  Toegeschreven: wenende engel met kruis, 1700-1734. Engel met ladder, 1700-1734. Abdias, 1700-1734. Daniël, 1700-1734. Jeremias, 1700-1734. Keizerin Helena, 1700-1734. Hiëronymus, 1700-1734. Maria naast het kruis, 1700-1734. Maria van Egypte, 1700-1734.

Onbekend: Pelikaan, 1700-1734.

Herkapt door Van Esbroeck, Leopold: Adams skelet onder het kruis, 1964-1969. Christus op kruis, 1964-1969. Fakkelhond, 1964-1969. Haan, 1964-1969. Soort pauw, 1964-1969. Pelikaan, 1964-1969. 2 putti, 1964-1969. Vagevuur, 1964-1969. Twee watermannen, 1964-1969.