Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

Geen kloosterkerk zonder koor

‘het (groot) Visioen van Sint-Dominicus’ Rubens, ca. 1618-’20.

Geschiedenis

Op het vroegere hoofdaltaar reeds prijkte ‘het (groot) Visioen van Sint-Dominicus’ van Rubens, stilistisch te dateren ca. 1618-’20. Dominicus zou een visioen hebben gehad waarin hij zichzelf en zijn vriend Franciscus van Assisi de zondige wereld zag behoeden tegen de toorn van Jezus. Overeenkomstig de drie grootste zonden waar de mens aan ten prooi valt – hoogmoed, wellust en hebzucht – schiet Christus evenzoveel bliksems af. Daarop tracht Maria Hem te bedaren. Ze stelt Hem twee getrouwe dienaars voor die de wereld kunnen bekeren: Sint-Dominicus en Sint-Franciscus. Door dit altaarstuk werd de aandacht van de dominicanen in het koorgestoelte blijvend op hun zending gevestigd, namelijk in het spoor van hun ordestichter de goddelijke genade van de Zaligmaker te bemiddelen voor de mensheid.

Hert marmeren portiekaltaar

De dominicaan en oud-prior Marius Ambrosius Capello, bisschop van Antwerpen, wil zijn klooster een onvergetelijk geschenk nalaten: het marmeren portiekaltaar, hoog verheven op het hoogkoor. De toenmalige kostprijs van 80.000 gulden komt momenteel overeen met liefst ca. 3,8 miljoen €. Het gevaarte, ontworpen door Ambrosius’ huiskapelaan Frans Van Sterbeeck, wordt uitgevoerd door vader en zoon Peter Verbruggen, en gewijd door de mecenas-bisschop in 1670.

Gigantische marmeren zuilen, met een doorsnede van ca. 63,5 cm en een gewicht van ca. 4500 kg, torsen een immens, gebroken fronton, aangezet door twee krolschelpen.

In de centrale nis wordt de apostel Paulus geëerd met zijn titel ‘doctor gentium’, de leraar der volken. Met zwaard en boek in de hand geeft hij te kennen dat hij bereid is de marteldood te sterven voor de prediking van het woord van God: Jezus’ evangelie. De twee open boeken naast hem alluderen mogelijk op de boeken van het O.T., die hij niet langer beschouwt als Gods laatste woord, doch enkel als aanzet voor het N.T. Met een haast bezwerend handgebaar kijkt hij streng naar zijn toehoorders. Bovenop het nisfronton komen vier engeltjes aangevlogen om hem de attributen van de hemelse beloning voor het martelaarschap aan te bieden: een lauwerkrans en een palmtak.

Het devies van de dominicanen, dat doorloopt op beide krolschelpen – ‘IN FIDE ET VERITATE’ (in geloof en in waarheid) – wordt erboven uitgebeeld door twee gepersonifieerde deugden. Eerst, links, het christelijk geloof, SP90a04 met het kruis, waarbij de kelk met geconsacreerde hosties, in de andere hand van deze allegorische figuur, duidt op de specifieke katholieke leer. Rechts wordt de waarheid SP90a05 gesymboliseerd door de ene, universele zon, een open boek van de belezenheid en een triomfantelijke palmtak. Het kruis dat gevat in een reusachtige, glorieuze stralenkrans, het geheel bekroont, is het vierkante kruis van de dominicanenorde.

De witmarmeren bustes van de vier westerse kerkvaders verlevendigen de zwartmarmeren altaarbasis, want zij staan symbool voor het theologische denkwerk dat geloof en rede wil verbinden. Van links naar rechts: de boeteling Hiëronymus met de bazuin van het Laatste Oordeel; Ambrosius van Milaan met de bijenkorf van de (honingzoete) welsprekendheid; centraal paus Gregorius met de zinnebeeldige duif van de Heilige Geest, die inspireert bij het dicteren; Augustinus met het vlammend hart. Zij delen ‘de eer der altaren’ met uiterst rechts Sint-Thomas van Aquino, de beroemde dominicanentheoloog en sinds 1567 ‘kerkleraar’.

De opdrachtgever kan het niet nalaten om, zij het op relatief bescheiden wijze, zichzelf op dit monument te laten vereeuwigen en enkele biografische gegevens te laten verwerken die duiden op zijn religieuze opgang: als christen gedoopte, als religieus met de drie geloften, als gewijde bisschop.

Haast onooglijke details op Gregorius’ koormantel alluderen op Capello’s doopnaam, want de twee taferelen in ‘borduurwerk’ hebben betrekking op de heilige Marius, een Pers die in de derde of vierde eeuw naar Rome komt. Hij bekommert zich om de gevangen christenen, zoals de voorname Quirinus. Marius kijkt doorheen de tralies van de gevangenis naar binnen (linkertafereel). Nadien zoekt Marius contact met de christenen, afgaande op hun psalmgezang. Uit angst voor de politie openen die slechts behoedzaam de deur voor hem (rechtertafereel). Hetzelfde ‘geborduurde medaillon’ komt voor op de koormantel die de witmarmeren bisschop Capello draagt op zijn praalgraf in de O.-L.-Vrouwekathedraal (Artus II Quellinus, na 1676).

Omdat Capello bij zijn intrede de kloosternaam Ambrosius gekregen heeft, naar de dominicaner zalige Ambrosius Sansedonius, geldt tevens Ambrosius van Milaan als zijn naamheilige. Een dankbare aanleiding om in het gelaat van de kerkvader het portret van Capello te vereeuwigen.

Tussen het Sint-Paulusbeeld en het altaarschilderij is het wapenschild van bisschop Capello prominent aanwezig.

Gestimuleerd door het voorbeeld van de naburige jezuïeten (de huidige Sint-Carolus Borromeuskerk), voorzien de dominicanen ook hun barokke portiekaltaar van een systeem om het altaarstuk beurtelings af te wisselen, weliswaar met slechts twee schilderijen. Die werden dan aan weerszijden van een lange verticale as, ruggelings tegen elkaar, opgehangen. Naast de vermelde Rubens kon men De marteldood van Sint-Paulus bewonderen van Theodoor Boeyermans (ca. 1670). In 1794 worden beide stukken door de Franse bezetter opgeëist en weggevoerd naar Parijs. In 1811 geeft Napoleon ze verder aan regionale musea. Dit is voor de Fransen na de Slag bij Waterloo een mooi alibi om ze niet te beschouwen als een onderdeel van de verzameling schilderijen die het Louvre moet restitueren. Dat verklaart waarom Rubens’ Sint-Dominicus nu de blikvanger is van het Musée des Beaux Arts te Lyon, en Boeyermans’ Sint-Paulus bewaard wordt in Aix-en-Provence, nu in de Ste Marie Madeleine.

Ter vervanging schildert Cornelius Cels in 1807 De Kruisafneming voor het hoofdaltaar, die echter academisch koel lineair blijft. Misschien kan het wisselmechanisme weer worden geïnstalleerd om er een tweede schilderij, een meer hedendaagse creatie, in mee op te nemen? Maar dan moet ook het nieuwe schilderij 555 cm h x 372 cm b meten!

De marteldood van Sint-Paulus, Theodoor Boeyermans, ca. 1670

Voor het tweede schilderij De marteldood van Sint-Paulus liet Theodoor Boeyermans zich ca. 1670 volledig inspireren door Rubens, die dit thema behandeld had voor het Rood Klooster bij Brussel. Halvelings geknield op een heuvel wacht Paulus, de ogen hemelwaarts gericht, de fatale houw af die zijn hoofd zal doen rollen. Op Paulus’ verzoek komt Plautilla hem blinddoeken, aldus de Legenda Aurea van de dominicaan De Voragine. De toeschouwers op de heuvelflank, soldaten en christenen, vormen mee de barokke diagonale (opwaartse) as die oploopt naar de plek van de terechtstelling. Engeltjes brengen reeds de laurierkroon en de palmtak van Paulus’ hemelse overwinning aan. SP90a09

Het witmarmeren antependium (Jan Baptist de Cuyper, 1845) dient voor een uitzonderlijke voorstelling van de eucharistische Christus: Jezus reëel aanwezig in de Eucharistie.

In de 17de eeuw krijgt glasschilder Abraham Van Diepenbeeck de opdracht om het levensverhaal van de patroonheilige Paulus in de tien ramen aan weerskanten in het koor uit te beelden.

De huidige vier glasramen achter het hoofdaltaar (H. Leenen, 1967) herinneren aan de populaire heiligen uit de vorige parochiekerk van Sint-Walburgis: Sint-Eligius, Sint-Catharina van Alexandrië, Sint-Amandus en Sint-Walburgis.

Sint-Paulus - glasramen hoogkoor

Het Koorgestoelte
(Jean de Jupploye?, ca. 1632-1638) 

Het belangrijkste meubel waarvan de dominicanen dagelijks regelmatig gebruik maakten, is het koorgestoelte. Het biedt plaats aan liefst tweeënzeventig kloosterlingen om de lofprijzing van God te verzorgen. Het ‘koorgebed’ gebeurt enkele keren per dag. Dit ‘getijdengebed’ is voor de broeders een persoonlijke devotie, maar voor de gewijde paters een officiële opdracht, die ze vervullen in naam van heel de kerkgemeenschap, vandaar ook dat ze ‘officie’ (taak) wordt genoemd. De dominicanen bidden in de regel viermaal daags het koorgebed: ’s morgens (lauden en woorddienst), ’s middags, ’s avonds (vespers) en de dagsluiting (completen). Het gestoelte, oorspronkelijk opgesteld in een U, vormt aan de noord- en aan de zuidkant van het koor een indrukwekkende meubelwand die de kloosterlingen beschut tegen de koude.

Sint-Paulus - koorgestoelte Noord
Sint-Paulus - koorgestoelte Zuid

Het gestoelte bestaat uit twee rijen waarvan de tweede hoger is dan de eerste. De onderste heeft enkel een zit- en staanplaats, terwijl bij de bovenste rij een hoog rugbeschot en een zwaar uitgewerkte kroonlijst draagt. De bovenste rij wordt beschouwd als de ereplaats en is bestemd voor de oudste kloosterlingen, de onderste voor de novicen.

De functionele opdracht voor 72 bescheiden zitbanken is voor opdrachtgevers en beeldsnijders de kans een immens kerkmeubel te scheppen. De structurele rechtlijnigheid van het vroegbarokke gestoelte wordt in evenwicht gehouden door een rijkdom aan decoratieve motieven. Door de veelvuldige geprofileerde onderdelen per tussenschot wordt het perspectivische lijnenspel verveelvoudigd, wat aan beide ensembles een subliem ritmisch effect verleent. De barokke poot van de zitbank heeft de typische vorm van een stevige dierenpoot. In het handvat van de zitplaats zit vaak een masker verwerkt. De armleuning voor de staanplaats vertoont een verdikking aan het uiteinde, waaronder een driedimensionaal engelenhoofd schuilt. Net zoals bij de engelen in de friezen van de rugbeschotten zijn de kapsels van de tientallen engelen uiterst gevarieerd. Een bron van inspiratie voor een exuberante hairstyling?

Ook al vertonen de pilasterzuilen een identieke structuur, toch hebben ze een eigen vormgeving. Dit is het duidelijkst in de opwaartse spiraalvorm en in het kapiteel. De verticale stuwing van de barokke schroefpilasters wordt zowel geaccentueerd door de afwisselende licht- en schaduw-vlakken als door de plant die zoals een klimop opwaarts groeit. Dit alles wordt dan weer verlevendigd door spelende dieren: vogels die van bessen en vruchten snoepen, een wilde ever en een huiszwijn, verzot op eikels, een aapje en een eenhoorn.

De iconografie zet de lofzang van de dominicanen voor God kracht bij. Op de zuilen en pilasters die de zitplaatsen flankeren zingt de flora mee terwijl tal van kleine engelen en dieren her en der musiceren met onder meer een tamboerijn, een fluit en een viool.

De drang naar geestigheid komt tot uiting in de vele tientallen maskerachtige tronies die verwerkt zijn op de scheidingswanden, handvatten, kapitelen, friezen en cartouches. Talloos ook zijn de figuratieve voorstellingen. De vogels smullen graag van fruit dat aan twijgen en wingerds groeit en vaak (bek)vechten de dieren onder soortgenoten, met slangen of monsters. In de friezen staat men soms eensklaps oog in oog met merkwaardige taferelen, zoals een uil met vier jongen, (aan)biddende putti, een zegende Christus of God de Vader in Romeinse kledij, een musicerende engel die twee zingende collegae begeleidt.

De wapenschilden in de rugbeschotten behoren toe aan personen en instanties die de kosten van een stoel op zich genomen hebben, onder meer de Stad Antwerpen en het Markgraafschap Antwerpen.

Bij het koorgestoelte horen een koorlezenaar en twee cantorzetels. De barokke koorlezenaar heeft naar oud middeleeuws gebruik een adelaar met de boekensteun op de rug. Zijn gerichtheid naar de zon staat symbool voor de vrome biddende mens die zich naar God richt, met inbegrip van de dominicanen, die hier minstens driemaal daags de getijden bidden. De cantorzetels dienen voor de twee voorzangers, waarop de beide koren alternerend antwoorden, (psalm) vers per vers.

Na de afbraak van het koordoksaal in 1833 worden de twee korte rijen zetels met de rug tegen het doksaal, samen acht stoelen, verkocht. Zij staan nu opgesteld in het hotel Adare Manor (Limerick, Ierland). De leemte wordt ca. 1856 opgevangen door de zogenaamde leeuwenpoorten. In 1869 willen de kerkmeesters aan beide zijden vier zitplaatsen meer in het koorgestoelte. Opdat de minderwaardige kwaliteit van de nieuwe pilasterzuilen niet zou opvallen, heeft men die over het gehele gestoelte verspreid.

Na de aanleg van de Sint-Paulusstraat (1855) en de bouw van de toegangspoort (1859-1862) creëert men een nieuwe, mooie entree in de kerk zelf. De beide binnenpoorten van het koor krijgen zo ca. 1865 een te grootse omlijsting, typisch voor de 19de eeuw. De basis en de bekroning in houtsnijwerk zijn van Jean-Baptiste van Rooy en Gerard Van der Linden, net als de acht dragende leeuwen. Voor de omlijsting van de vier gepolychromeerde reliekbustes van dominicanenheiligen (begin 18de eeuw) herbruikt men zuilen en pilasters van het barokke koorgestoelte.

De makelaar van de poort aan de noordkant zet een boodschap in beeld voor wie vanuit de sacristie voorbijkomt bij de aanvang van de mis. Een engel met het vingertje op de mond maant aan tot stilte terwijl een tweede waarschuwt om het wierookvat iets hoger op te trekken opdat het niet tegen de treden van de trap zou aanstoten.

Boven de poorten prijken in reliëf de twee belangrijkste taferelen uit het leven van de patroonheilige.

Aan de noordzijde: De bekering van Sint-Paulus. Onderweg naar Damascus wordt Paulus geraakt door het verblindende licht dat Jezus hem vanuit de hemel toewerpt. Omdat Paulus als Joodse vervolger de medewerking van de Romeinen geniet, wordt hij als Romeins officier voorgesteld. Zo kreeg zijn ‘val ter aarde’ in de traditie een dramatischer karakter door hem van een paard te laten vallen. Een soldaat tracht het op hol geslagen paard van Paulus te bedwingen.

Aan de zuidzijde: De marteldood van Sint-Paulus. Op een terechtstellingsplaats knielt Paulus neer in afwachting dat het zwaard van de beul ook hem zal onthoofden. Een Romeinse priester wijst naar het afgodsbeeld (van de keizer?) op de achtergrond, in een laatste poging om Paulus te overtuigen om daarvoor te buigen. Paulus heeft er geen oren naar en richt de blik hemelwaarts. Vanuit de hemel komt een engel aangevlogen die de martelaar ter vertroosting reeds de schitterende martelaarskroon komt aanbieden. Net zoals op het oorspronkelijke altaarschilderij van Theodoor Boeyermans staat de trouwe vrouw Plautilla op het punt om Paulus op zijn eigen verzoek te blinddoeken.

De grootse verdieping daarboven bestaat uit een neobarokke omlijsting rond een doek: aan de noordzijde, halflijfs, Sint-Dominicus, aan de zuidzijde Sint-Paulus.

Verdere stoffering van het koor:
Gedachtenismonumenten, heiligenbeelden
en het voormalige koordoksaal

De gedachtenismonumenten

Doordat de Staatsen in 1629 zijn bisschopsstad ’s-Hertogenbosch definitief veroverd hadden, moest Michael Ophovius de wijk nemen. In het Antwerpse dominicanenklooster vindt de verdrevene zelf onderdak en in de kerk een plek voor zijn grafmonument, zoals dat een bisschop in die dagen betaamt. Twee jaar vóór zijn dood in 1639, is het voltooid. Het monument in Avesnesteen, met het beeld van de geknielde bisschop, wordt toegeschreven aan Hans van Mildert.

Met hun grafmonument op het hoogkoor blijven bisschoppen levensgroot ‘figureren’ in het koorgebed. Met hun gevouwen handen geven ze niet zozeer de richting van het hoofdaltaar in het oosten aan, ze slaan ook een brug tussen het bidden van de kloosterlingen in het gestoelte en de eeuwige aanbidding in het hiernamaals. De gelaatsweergave van Ophovius roept diens portret (in gewoon habijt) door P.P. Rubens op, dat in vele versies verspreid is, waaronder één in de hal van de schatkamer. Het thema van de aanbidding werd later, (ca. 1670?) meer aanschouwelijk gemaakt door het beeld van Maria met Kind (Claudius de Cock). In de bekroning wijst een wenende albasten putto, met omgekeerde toorts en zandloper, de voet op een doodshoofd, de bezoeker op de vergankelijkheid: memento mori!

Op het gedachtenismonument van Jan Frans Capello en Maria Boxhorn, soms toegeschreven aan Peter II Verbruggen, heeft de opdrachtgever, bisschop Marius Ambrosius Capello, meer zichzelf geëerd. De bisschop zit geknield voor een bidstoel. De naamheilige van zijn kloosternaam ‘Ambrosius’, de zalige dominicaan Ambrosius Sansedonius (1220 – 1287), spoort zijn beschermeling aan om in een boek te lezen. Het is merkwaardig gecombineerd met het epitaafbeeld van de Verrezen Christus, hoog tegen de wand.

Het grafmonument aan de zuidkant, toegeschreven aan Andries Colyns de Nole, houdt de gedachtenis in ere van Hendrik de Varick, schout en tevens markgraaf van Antwerpen († 1630), en van zijn echtgenote Anna Damant († 1641). Let op de sporen van de schout: zij rollen echt! Beide figuren dragen om de hals de grote molensteenkraag en een soortgelijke manchet met pijpjes siert de randen van hun hemdsmouwen.

Omdat in de 19de eeuw begraven in de steden en in de kerken niet meer toegestaan was, is het grafmonument van Jacobus de Vries en Maria van Elsacker (Jean-Baptist de Boeck en Jean-Baptist van Wint, 1868) een cenotaaf, of een praalgraf. Het beeldt niet de overledenen uit, maar hun (rozenkrans)devotie, nl. ‘O.-L.-Vrouw reikt het gebedssnoer aan de heilige Dominicus’. Opdrachtgever is hun zoon Jacobus Antonius de Vries, lid van de kerkfabriek. Hij schenkt iets later ook de preekstoel.

De dominicaner heiligenbeelden (1631-1700)

De acht levensgrote beelden van dominicanenheiligen in witte steen die tussen de ramen van het koor een epitaaf bekronen, fungeren voor de dominicanen in het koorgestoelte daar tegenover als een voorbeeld. De beeldenreeks vordert maar traag: de eerste werken dateren van 1631-’37, het laatste beeld vervoegt de reeks pas in 1700!

Hoe verleidelijk het ook moge zijn om vanwege het aantal heiligen een diepere religieuze verklaring te ‘vinden’ in de acht zaligheden, toch ligt een dergelijke Bijbelse inspiratie niet aan de basis van deze beeldenreeks. Ten eerste is het aantal epitaafbeelden hier destijds bepaald door het beschikbare aantal wandvelden tussen de ramen en bovendien zijn er geen specifieke aanwijzingen om een van de acht evangelische zaligsprekingen specifiek te personifiëren in een dominicanenheilige.

Aan Noordzijde

Sint-Dominicus (Andries Colyn de Nole) (1631-37)
Sint-Dominicus (Andries Colyn de Nole) (1631-37)

Rechts van het hoofdaltaar staat de ordestichter op de ereplaats.

Sint-Petrus van Verona, alias Sint-Petrus de Martelaar (Jan-Pieter I van Baurscheit, 1700)

Omdat de populaire predikant (Verona ca. 1205-1252) door twee huurmoordenaars om het leven werd gebracht, staat hij hier, het hoofd door een kromzwaard doorkliefd en zijn borst door een zwaard doorstoken. Uit deze laatste wonde gutsen zware bloeddruppels. Stervend schrijft hij met zijn eigen bloed op de grond het woord ‘Credo’ (‘Ik geloof…’, de aanzet van de katholieke geloofsbelijdenis; hier gesuggereerd door een soort bord, (momenteel) echter onbeschreven.

Thomas van Aquino (Andries Colyns de Nole, 1635-1636)
Thomas van Aquino (Andries Colyns de Nole, 1635-1636)
De grote geleerde (1225-1274) werd door Pius V uitgeroepen tot “engelachtige leraar”. Hij heeft ontzaglijk veel geschriften nagelaten, waaronder de Summa Theologica; vandaar pen en inktkoker als zijn attributen. Verder is hij in de kunst herkenbaar aan de ketting op zijn borst met daaraan de zon van de wijsbegeerte, een verwijzing naar het overwinnende licht van de goddelijke waarheid. Omdat het officie van Sacramentsdag en de hymne Lauda Sion op zijn naam staan, draagt hij ook een zonnemonstrans. Volgens de legende omgorden twee engelen hem met de ‘kuisheidsgordel’ die de seksuele wellust in de lenden dooft. Met hun opschrift verwijzen de putti aan weerszijden op de console ernaar: “cingulum” en “castitatis”. Rond dit zogenaamde ‘koordje van Thomas’ was er in de Sint-Pauluskerk ook een broederschap gevestigd.
Sint-Hyacinthus (Artus I Quellinus, ca. 1650?)

(Kamień in Silezië 1185 – Krakau 1257). Hij predikt in Noord- en Oost-Europa, en wordt daarom ook ‘de apostel van Polen’ genoemd. Wanneer de Tartaren de stad Kiev innemen, kan Hyacinthus op het laatste nippertje uit de kathedraal de geconsacreerde hosties in een ciborie, hier een monstrans, redden. Hyacinthus neemt, aldus de legende, eveneens een loodzwaar Mariabeeld mee dat bij wonder vederlicht wordt.

Aan Zuidzijde

Sint-Catharina van Siena (Peter I Verbruggen, 1646, ontwerp van Andries Colyns de Nole)
Sint-Catharina van Siena (Peter I Verbruggen, 1646, ontwerp van Andries Colyns de Nole)

Deze derdeordelinge en mystica (1347 – 1380) had zich in een visioen met Jezus verloofd en ten teken daarvan een ring ontvangen. Zij draagt bovendien de stigmata, de 5 wonden van Christus. In die intense vereniging met Jezus wisselde ze haar kroon uit voor Zijn doornenkroon. Glimlachend kijkt ze dan ook naar het kruis in haar handen.

Sint-Antoninus Pierozzi van Firenze (Peter I Verbruggen, ca. 1650)

Antoninus, aartsbisschop van Firenze († 1459). De weegschaal mag dan al zijn specialiteit van het kerkelijk recht symboliseren, hier gaat het om de legendarische ‘Deo gratias’-weegschaal. De gift in natura van een boer was zo armzalig, maar dat hield Antoninus niet tegen om te bedanken, alleen: het papier waarop Antoninus’ gebruikelijk antwoord “Deo gratias” (God zij dank) stond, woog zwaarder door.

Sint-Vincentius Ferrer (Peter I Verbruggen, 1643, naar ontwerp van Andries Colyns de Nole)s
Sint-Vincentius Ferrer (Peter I Verbruggen, 1643, naar ontwerp van Andries Colyns de Nole)s
Als een van de bekendste predikers van zijn tijd, die hele volksmassa’s op de been krijgt, houdt deze Spanjaard (1350-1419) de linkerhand op in een retorisch gebaar. Hij hield zijn toehoorders het Laatste Oordeel voor ogen, vandaar misschien het ‘memento mori’ van het doodshoofd in de hoornen van overvloed, die het voetstuk flankeren.
Sint-Raymundus van Peñafort (Peter I Verbruggen, 1660)

Deze Catalaan (ca. 1175 – 1275) was de opsteller van het eerste kerkelijk wetboek, of codex. Als geleerde professor en patroon van de juristen leest hij (met open mond) voor uit een boek. Bovendien was hij een populaire biechtvader.

Het koordoksaal, tekening van Lodewijk Serrure (ca. 1833), litho Jan Jozef Linnig, 1846

Het voormalige koordoksaal
(Peter I Verbruggen, 1654-1655)

Een doksaal dat de koorruimte van het schip afsloot, zorgde ervoor dat de paters er rustiger en comfortabeler, lees: tochtvrij, de getijden konden bidden. Samen met de twee marmeren zijaltaren werd het geheel In 1654-1655 opgetrokken door beeldhouwer Peter I Verbruggen, naar ontwerp van beeldsnijder Servais Cardon. Tegelijkertijd diende het kolossale meubel als drager van het reuzegroot, wit gemarmerde houten triomfkruis op een wereldbol, dat het kerkinterieur beheerste. De gekruisigde Christus werd geflankeerd door Zijn treurende moeder en Johannes de Evangelist. Beide marmeren beelden staan nu achteraan in de noordbeuk. Verder bestond de marmeren beeldengroep uit vijf treurende engelkindjes, van bijna 1 m hoog, die verdrietig uitnodigden om naar de Gekruisigde Heiland op te kijken. Vier ervan staan nu rondom het vieringaltaar. Tegen de wereldbol aan zat de gevleugelde Chronos, gewapend met de zeis, met een pijl de tijd aan te wijzen op de urenriem.

Boven de poort van het koor prijkte het zgn. Portret van Soriano, een type devotieschilderij van Sint-Dominicus ten voeten uit, genoemd naar het gelijknamige klooster, als ‘ex voto’ van de negentienjarige Barbara Spers, stichteres van het zijaltaar, nu in de zuidkapel. Op het Sint-Dominicusaltaar, links, aan de noordkant, prijkte het doek Onze-Lieve-Vrouw heelt Dominicus’ wonden van zelfkastijding door Gaspar de Crayer, op het Heilig-Kruisaltaar de Pieta door dezelfde schilder of door Huybrecht Dirix.

Om een vrijer zicht te krijgen op het hoogaltaar van de nieuwe parochiekerk wordt het koordoksaal in 1833 afgebroken. Het koororgel van Jean-Baptiste Forceville was al via via verkocht aan de O.-L.-Vrouwekerk van Broechem.