Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

De schilderijen in de pandgang

De Zeeslag van Lepanto
(Jan Peeters, 1665-1672)

Wanneer de Ottomaanse vloot onder leiding van Ali Pasha Europa bedreigt, sluiten paus Pius V, Spanje, Venetië, Genua en Malta (de Maltezer Ridderorde) een ‘Heilige Alliantie’ ter verdediging van het christendom. In een van de grootste zeeslagen uit de geschiedenis overwinnen de geallieerde vloten, onder het opperbevel van Don Juan van Oostenrijk, bij Lepanto (het huidige Návpaktos) op 7 oktober 1571 de onoverwinnelijk geachte, grotere islamitische vloot. De dominicanenpaus Pius V schrijft de overwinning van de Westerse Alliantie toe aan het rozenkransgebed. De dominicanen, die als legeraalmoezeniers bij de zeeslag aanwezig zijn, ontpoppen zich dan ook als dé promotors van het rozenkransgebed. Om de strijd tegen het kwade in het algemeen aan te kunnen, wapent men zich immers best met het gebed.

Naar aanleiding van de eerste eeuwfeestherdenking van de zeeslag, bestelt de, eveneens jubilerende, Broederschap van de Heilige Rozenkrans voor haar kapel een reeks van vier taferelen van De zeeslag bij Lepanto, alle gesigneerd en gedateerd door de schilder.

1. De voorbereiding:
het smeekgebed en de inscheping (1671)

Links, in de doorkijk van een renaissancistische kerk, zit een vrouwelijke heilige in het kloosterhabijt van de dominicanessen, smekend geknield voor het Heilig Sacrament, de rozenkrans te bidden ter ondersteuning van de goede afloop van de beslissende zeeslag. Dit gebeurt op vraag van de dominicaner Paus Pius V. Het gaat om de derdeordelinge Catharina van Siena, die doorgaat als het prototype van dominicaanse heiligheid, in het bijzonder van de contemplatieve zusters. Waar op de volgende taferelen de mannelijke ordeleden in beeld komen, treedt hier de vrouwelijke orde op de voorgrond, met een knipoog naar het Antwerpse dominicanessenklooster in de naburige Predikerinnenstraat, toegewijd aan Sint-Catharina van Siena. Maar de eerste reden van haar aanwezigheid is dat Pius V een visioen zou hebben gehad waarin Catharina deze ‘kruistocht’ heeft aangeraden. Op de achtergrond heeft het Griekse Lepanto het uitzicht gekregen van een Zuid-Nederlandse stad met trapgevels en gotische kerken. Op de kaden schepen de christelijke troepen in.

2. De zeeslag (1671)

De strijd woedt nog in volle hevigheid, maar het is duidelijk dat de christenen aan de winnende hand zijn. De Osmaanse vloot is herkenbaar aan de rode vlag met witte maansikkel. Centraal ramt het vlaggenschip van Spanje, met een beeltenis van O.-L.-Vrouw in het witte vaandel, het Ottomaanse vlaggenschip. Triomfantelijk steekt een matroos het afgehouwen hoofd van Ali Pasha omhoog op een staak. Aan boord van schepen en sloepen geven dominicanen, gewapend met kruisbeeld en rozenkrans, geestelijke bijstand; één bestuurt zelfs het Spaanse vlaggenschip. Boven het krijgsgewoel verschijnt O.-L.-Vrouw met Kind, om aan te tonen wie de strijd om het heil wint.

3. De overwinning (1665)

Na zijn overwinning zet Don Juan van Oostenrijk voet aan wal. Zonder dralen organiseren de dominicanen, bij wijze van publieke dankbetuiging, een processie ter ere van O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans. Links onderaan: aan land worden enkele ‘Turken’ hardhandig gevankelijk weggevoerd. Twee wulpse jonge vrouwen en een derde worden opgeleid: de hoeren of de harem van Ali Pasha? Soldaten vuren vreugdesalvo’s af.

4. Paus Pius V in dankgebed (1672)

Lang vóór er een bode Rome bereikt, wordt Pius V op de dag zelf van de zeeslag door een wonderlijke ingeving op de hoogte gebracht van de goede afloop, uitgebeeld op de achtergrond. De beide vloten staan nog in slagorde tegenover elkaar, terwijl de strijd tussen een aantal schepen zich centraal afspeelt. Op de voorgrond zit paus Pius V de rozenkrans te bidden. Hiermee dankt hij Maria voor de overwinning, die hij toeschrijft aan de kracht van het ononderbroken rozenkransgebed. Hij stelt het feest in van O.-L.-Vrouw van Victorie, al snel genoemd ‘O.-L.-Vrouw van de Heilige Rozenkrans’. De afwezigheid van een aureool bij de paus geeft aan dat dit schilderij nog net tot stand is gekomen vooraleer hij later in datzelfde jaar 1672 zalig wordt verklaard. Het wapen van de paus, telg van de familie Ghislieri, versiert de kapel.

Zoals op het eerste tafereel een dominicanes biddend smeekt om de overwinning, zo dankt op dit laatste tafereel een dominicaan, paus Pius V, voor de overwinning. M.a.w. het eerste en het laatste tafereel vormen een inclusie, die ook in de compositie beklemtoond wordt door de biddende figuur te plaatsen voor een altaar in een kapel, de eerste uiterst links, de laatste uiterst rechts, zodat het hele relaas van de roemrijke zeeslag door het rozenkransgebed omkaderd is.

De Aanbidding van de Herders
(atelierrepliek van Abraham Bloemaert, 17de eeuw)

Jozef kijkt de toeschouwer aan en wijst ons ook naar het kind. Maria, aangeduid door een renaissancistisch aureool, ‘ontwikkelt’ trots en met een tedere blik het Kindje onder grote belangstelling van de herders. De herder vooraan heeft een herdersstaf waarmee men de schapen bij de poot tegenhoudt. De tweede herder, met strohoed, leunt op een wandelstok. De jongste herder, achteraan draagt, over de schouder een kluutschop, waarmee men een kluit gooit om het weglopende schaap tegen te houden. Bij de offergaven liggen een bij de poten gebonden haan en een hen. De herdershond staart ons recht in de ogen.

De Antwerpse bisschop Reginaldus Cools o.p.
(anoniem, 17de eeuw)

Het 17de-eeuwse doek is een staatsieportret zoals dat door belangrijke kerkelijke instellingen werd besteld of aan hen ten geschenke werd gegeven om het gezag van de bisschop te benadrukken.

Daniël Cools (° 1618), wordt eerst vaandrig in het Spaanse leger en vervolgens secretaris van een advocaat. Na een avontuurlijk leven sluit hij in 1645 aan bij de dominicanen en krijgt de kloosternaam Reginaldus. In Spanje is hij de geestelijke begeleider van de koningin en een intieme vriend van koning Filips IV, die hem als gezant stuurt naar het hof van Lodewijk XIV. Nadat hij bijna dertig jaar bisschop was in Roermond, wordt hij nog in 1700 aangesteld tot tiende bisschop van Antwerpen. Bij zijn inhuldiging gaat hij vanuit het dominicanenklooster in processie naar de kathedraal. Omdat de edelmetalen staf die men geleend heeft van de abt van de Pieter Potabdij te zwaar blijkt voor de oude man, neemt hij de houten staf van de graftombe van Ophovius. Omdat die zo vermemeld is, valt de krul er onderweg vanaf, wat Cools niet tegenhoudt om met de staf verder te gaan. De Antwerpenaren zegden onder elkaar: “Vroeger hadden we houten bisschoppen met een gouden staf, nu hebben we een gouden bisschop met een houten staf”. Hij sterft in 1706.

Het beeld van Maria met Kind dat een rozenkrans aanreikt, illustreert de rozenkransdevotie. Onder het wapenschild leest men zijn wapenspreuk “non nobis” (we doen het niet voor onszelf).

Christus op bezoek bij Marta en Maria
(Abraham Janssen Van Nuyssen, 1627)

Jezus is te gast in het huis van Marta en Maria (Lc. 10:38-42). Hij zit hier buiten op de koer, met een prachtig vergezicht (van Jan Wildens) op een Franse tuin met een grote vijver. Maria lijkt wel een aristocratische dame: met een opvallend bleke huidskleur, en rijkelijk en sierlijk gekleed. Zij luistert, met een open boek op de schoot, aandachtig naar Jezus. Marta, in de schaduw, maar toch ook van zichzelf donkerder van tint, is eenvoudig gekleed als keukenmeisje. Op meesterlijke wijze worden elementen uit een genretafereel hier aangewend om het verhaal te vertellen. De groenten op een keukenbank (met lade) achter haar suggereren dat zij druk in de weer is om de maaltijd te bereiden. Zij neemt het niet dat Maria al het werk aan haar overlaat. Daarom komt ze zich bij Jezus over haar zus beklagen. Verontwaardigd wijst ze naar een dode haas en gevogelte in een mand, zo van: ‘kijk eens wat er nog moet gebeuren!’. Maar het vervolg is gekend. Jezus geeft Maria geen standje, maar Marta krijgt te horen dat zij zich teveel inlaat met materiële dingen, terwijl haar zus geprezen wordt om haar verlangen naar geestelijke aangelegenheden, naar Gods woord.

Het promotiebord van Cornelius Jozef Peltiers
(anoniem, 18de eeuw)

Een engel fungeert als schildhouder. Zowel voor zijn wapenschild als voor zijn wapenspreuk wil Peltiers een allusie maken op zijn eigen naam, indachtig de betekenis van bontwerker of -handelaar (van ‘pelle-tier’). Op het bovenste veld loopt een hermelijn (mét vel of pels), terwijl het onderste veld volledig bestaat uit een hermelijnenpels. Geheel onderaan staat zijn wapenspreuk: “PELLEM PRO PELLE” (een huid voor een huid), een citaat uit de Vulgaat, uit het boek Job (2:4). Wanneer Job heel zijn huishouden verliest, blijft hij God trouw. De duivel beweert dat deze bereidheid om alles te verliezen enkel gemotiveerd is om zijn eigen vel (‘heelhuids’) te redden. In een tweede beproeving wordt Job aangetast in zijn gezondheid en wordt zijn huid van kop tot teen bedekt met kwaadaardige zweren.

Vanuit de beide afbeeldingen in het wapenschild is Peltiers’ leuze gemakkelijker te vatten: ‘mijn vel voor een pels’, vanuit het standpunt van de hermelijn bovenaan: ‘mijn offerbereidheid voor een hoger doel’, het hoogwaardige product van de hermelijnen pels onderaan.

“F: CORNELIUS IOS: PELTIERS S: ORD:
PRAED: IN ALMA UNIV: LOV: S:TH: LICENTIATUS DIE 26 JAN: 1773.”

De Maagschap van Maria
(Marten Pepijn, einde 16de – begin 17de eeuw), paneel

‘De Maagschap van Maria’ is beter gekend als ‘de maagschap van de Heilige Anna’. Het gaat om een typisch middeleeuws thema dat liever de brede familieverwantschap beklemtoont in een tijd waarin het individuele gezin nog niet op de voorgrond trad. De meeste genoemde familieleden van Maria zijn echter enkel gebaseerd op apocriefe tradities.

Daar bouwde de middeleeuwse legendevorming maar al te graag verder op, wat resulteerde in een uitgebreide stamboom. Anna huwde achtereenvolgens met Joachim, Cleofas en Salomas. Uit die huwelijken werd telkens één dochter geboren: Maria, Maria Cleofas en Maria Salomas. Omdat men er nauwelijks nog aan uitgeraakt wie bij wie hoort, noemt men ook elke andere chaotische situatie ‘een echte hannekesnest’! Vanwege het apocriefe karakter van het thema wordt de voorstelling door het Concilie van Trente (1545-1563) verboden, maar blijkbaar is de kracht van de traditie ook hier nog te groot om aan dat ‘koele’ kerkelijke voorschrift gevolg te geven.

Maria houdt het Kind op de schoot, dat de armpjes uitstrekt naar oma Anna, die Hem een appel aanreikt. In een natuurlijk affectief gebaar houdt Jezus de linkerhand rond oma’s duim. Elisabeth ondersteunt haar zoontje Johannes de Doper. Haar echtgenoot Zacharias, leest samen met de jongere Sint-Jozef, een boek. De bekroning met de jubelende engelen in de hemel is toegevoegd wanneer men het oorspronkelijke middenpaneel van een triptiek aanpaste voor een portiekaltaar.

De schilder is met zijn echtgenote begraven in de Sint-Pauluskerk.

Het interieur van de Sint-Walburgiskerk
(Antoon Günther Gheringh, 1661).

Als erfgename van de voormalige parochiekerk kwam de Sint-Pauluskerk in het bezit van dit schilderij, een van de weinige kerkinterieurs van de afgebroken kerk. Op het 19 treden hoge koor staat het toenmalige hoofdaltaar met het drieluik van De Kruisoprichting (P.P. Rubens, 1609-‘1610). Als opvolger van de voormalige Sint-Walburgisparochie, komt Rubens’ De Kruisoprichting van het hoofdaltaar toe aan de Sint-Pauluskerk, maar onder meer bij gebrek aan plaats wordt de reuzentriptiek als pendant van De Kruisafneming in de O.-L.-Vrouwekerk opgesteld.

De terugkeer van de Ark van het Verbond
(omgeving Balthasar Paul Ommeganck,
einde 18de – begin 19de eeuw), paneel.

De Ark van het Verbond was het heiligste voorwerp van de joodse godsdienst, want in deze kist werden de twee stenen tafelen bewaard waarop de Tien Geboden gegrift stonden: het Verbond tussen God en Zijn volk. Wanneer de Filistijnen de ark van de Joden buitmaken, breekt voor hen een periode van allerlei onheil aan (1 Sam. 5). Daarom besluiten ze zich van de ark te ontdoen. Het span koeien volgt als vanzelf het spoor naar het Joodse land.

Drie grisailles in bloemenkrans

Alle drie lijken bij elkaar te horen. De Opdracht in de tempel en Christus in de hof van olijven (Jan Baptist II Bosschaert, 1667-1746), maakten deel uit van de reeks De 15 Mysteries van de Rozenkrans die opgehangen was in de gelijknamige kapel binnen het klooster, de ‘regelkapel’. Mogelijk hoorde ook het doek Sint-Dominicus in bloemenkrans (Pieter III Casteels, 18de eeuw) daar thuis, net als het paneel De Madonna met Kind in bloemenkrans (anoniem, 17de eeuw).

Christus met spotmantel
(toegeschreven aan Otto Van Veen, rond 1620?)

Paneel met gebeeldhouwde lijst. Het dient als epitaafschilderij voor de honderdjarige Peeter Marcelis (†1652) en Anna Gossaert.