Sint-Paulus, de Antwerpse dominicanenkerk, een openbaring.

Verrassende wandschilderijen
en een raadselachtig opschrift

De inscriptie op de middelste zuil van de noordbeuk

De inscriptie, die vormelijk eerder 16de-eeuws is, luidt: “Lan 1644. Frère Paul Lelievre E Aydit Afaire Cest Eglize Chi”; wat zich in hertaling laat lezen als: “L’an 1644, frère Paul Le Lièvre / a aidé à faire cette église-ci”. Maar ondanks de misleidende schrijfwijze kan, de datum, gezien de bouwgeschiedenis, niet anders zijn dan ‘1544’. Blijkbaar wou broeder Le Lièvre, tegen de regels van zijn orde in, zijn naam vereeuwigen. Omdat hij nog niet wist wanneer zijn steen zou geplaatst worden, laat hij het laatste cijfer van het jaartal open. Wanneer de steen in 1544 omhoog gehesen wordt, zetten de (ongeletterde?) bouwvakkers hem ondersteboven! De broeder of wie dan ook voegt er dan het exacte cijfer ‘4’ aan toe, maar doet niet de moeite dit eveneens ondersteboven te beitelen, waardoor dit het enige karakter is dat vanaf de begane grond leesbaar is! Of hoe de grote geschiedenis met kleinmenselijke trekjes wordt opgebouwd. De zwarte invulling, die des te meer de aandacht trekt, is pas later aangebracht.

Grisaillewandschilderingen

Toen men bij de restauratiewerken van 1996-1997 de biechtstoelen verwijderde, trof men op de muur van de zuidbeuk twee grisaillewandschilderingen aan die een sierlijke maniëristische epitaaflijst vormen. Zij zijn gedateerd “1570” en “1577”. Spijtig, maar het kan niet anders: de vrolijke engel, het vogeltje en de vogelkop zijn nu weer achter de lambrisering verborgen.

Vermoedelijk dateert uit diezelfde periode de merkwaardige grisaillewandschildering op de westwand van de zuidbeuk: Christus als mystieke wijnpers. In feite gaat het om een combinatie van enkele gegevens uit het lijdensverhaal, onder andere de Geseling en de Ecce Homo. In een renaissancetempeltje staat de naakte Christus tegen een kolom, met gekruiste handen. De rietstengel houdt Hij als scepter in de rechter-, en de roede(?) in de linkerhand. Uit zijn hart gutst een bloedstraal in een kelk (de kelk van het lijden): een verwijzing dat de Eucharistie, die met het “bloed van Christus”, een bron van genade is, die uit Jezus’ kruiswonden voortvloeit. De voorstelling gaat integraal terug op een in 1509 gedateerde gravure van Albrecht Dürer.

Calvarie

Het houten Christuscorpus, afkomstig van de Calvarie op het Falconplein (waarschijnlijk Cornelis De Smedt, 1790) en de witmarmeren beelden van O.-L.-Vrouw en Johannes de Evangelist, afkomstig van het afgebroken koordoksaal (Peter I Verbruggen, 1654-1655) vormen samen een calvariegroep.

Schilderij “de Werken van Barmhartigheid”
(naar Frans II Francken)

Dit immense doek (255 cm h x 493 cm b) vertoont qua compositie en figuratie een frappante gelijkenis met het kleinere, pittoreske werk van Frans II Francken in de Sint-Andrieskerk (ca. 1600). Uiterlijk in 1748 hangt dit schilderij tegen de westwand van de kerk, naast de ingang van de Veemarkt/Zwartzustersstraat. Het hing boven het gestoelte van de naburige zwartzusters, die zich vooral inzetten voor de arme zieken. Het schilderij wil de toeschouwer stimuleren tot daadwerkelijke naastenliefde en dus tot een gulle gift. Toch zijn het niet de zusters die hier in beeld komen, maar de aalmoezeniers, die namens de burgerlijke en kerkelijke gemeenschap instaan voor de caritas en dus voor alle (zeven) goede werken. Gekleed in de waardigheid van hun ambt, met tabbaard en specifieke hoed, treden ze hier op als meesters van de Heilige-Geesttafel in de parochies.

De idee van de naastenliefde heeft een diepgelovige basis: “Wie in de liefde blijft, blijft in God” (1 Joh. 4:16). Dit wordt nog radicaler beleefd vanuit de vereenzelviging van Jezus met de minderbedeelden: “Al wat jij aan de minsten van Mij hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan” (Mt. 25:40.45). Dit wordt door Jezus zelf concreet ingevuld door de ‘werken van barmhartigheid’:

                           “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven.
                            Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven.
                            Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
                            Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed.
                            Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht.
                            Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.” (Mt. 25:34-36)

  • De ‘hongerige spijzen’ wordt op de voorgrond verbeeld door de gangbare broodbedeling, in die tijd een van de belangrijkste acties om hulpbehoevenden te ondersteunen. Vooral alleenstaande vrouwen met kinderen, bejaarden en gehandicapten konden daar terecht. Een galante aalmoezenier bedeelt brood, terwijl een tweede, van oudere leeftijd, de hand op een pot broodpenningen houdt, om ze voorlopig te behoeden voor diefstal en ze weldra uit te reiken. Die penningen kan men dan omruilen voor een brood. De knecht van de aalmoezeniers, in de linkerbenedenhoek, staat in voor de ordehandhaving bij de bedeling en moet eventueel met een stok bedelaars-zonder-toelating weren. De kreupele man in een karretje, midden op de voorgrond, die zich met behulp van handkrukken beweegt, draagt op de linkermouw een bedelteken. Zo te zien aan de pelgrimsinsignes op zijn hoed is de man met baard een geboren bedevaarder… of een pilarenbijter.
  • Rechts worden de dorstigen gelaafd. Een knecht komt met een kom water aanlopen om een rondborstige dame, die van dorst in zwijm is gevallen, weer bij bewustzijn te brengen. Kruiken gaan rond; een man geniet er met volle teugen van. Vooraan ligt een ton wijn of water.

Op het middenplan links worden drie andere goede werken opgevoerd in toneelhuisjes:

  • In een renaissanceruimte deelt een aalmoezenier kleding uit aan een halfnaakte. Een andere halfnaakte bedelaar zit geduldig zijn beurt af te wachten en een derde komt aangelopen.
  • In een renaissancistisch tempietto brengt een priester een bezoek aan een doodzieke om de laatste sacramenten toe te dienen. De echtgenote op de trede bidt mee.
  • In een bakstenen huis biedt een aalmoezenier onderdak aan twee reizigers, herkenbaar als pelgrims. De brandende schoorsteen geeft aan dat de vreemdelingen een warm onthaal wacht.
  • Rechts op het middenplan brengt een geestelijke een bezoek aan gevangenen die opgesloten zijn in een bakstenen ronde toren en doorheen een tralievenster komen kijken.
  • Het laatste goede werk ‘de doden begraven’ staat weliswaar niet in de Bijbel, maar werd in tijden van pest door de Kerk toegevoegd, wat de getallensymboliek ten goede kwam. Een begrafenisstoet is op weg naar een kerkhof op het achterplan om de overledene een laatste rustplaats te gunnen. Een tiental geestelijken of kerkbedienaren in rochet loopt vóór de kist, gedragen door vier broeders alexianen. Dan volgen eerbiedig een burgerman (met de hoed af) en zijn vrouw.

Het silhouet van de torens op de achtergrond heeft al tot menige speculatie geleid, maar de stad is zeker Antwerpen niet.