EUCHARISTIEVIERING
‘Vrij voor God en voor elkaar’

Vakantie betekent je vrij maken, tijd voor geest en hart, tijd nemen om te leven en om lief te hebben, en voor ons westerlingen in het bijzonder tijd voor waardevolle zaken die geen geld opbrengen.

Vakantie is een tijd van zoeken naar ruimte, naar zuivere lucht en water, naar levensvreugde en vriendschap.

Laten wij onze bewondering om het mysterie van de schepping, van de natuur, van het leven uitzingen.

 

http://vieringen.blogspot.be/2010/06/bezinning-15-juni.html

Zolang er mensen zijn op aarde, zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader. Wij danken U voor al wat leeft.

Zolang de mensen woorden spreken, zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken, wij danken U in Jezus’ naam.

Gij voedt de vogels in de bomen, Gij kleedt de bloemen o het veld.
O Heer, Gij zijt mijn onderkomen, en al mijn dagen zijn geteld.

Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven, Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt Uw zoon aan ons gegeven, zijn lichaam is het levend brood.

Daarom moet alles U aanbidden, uw liefde heeft het voortgebracht.
Vader, Gij zelf zijt in ons midden. O Heer, wij zijn van uw geslacht.

Jij die bent: “Ik zal er zijn voor jou’, Jij die zin is van ons leven, word zichtbaar hier en nu, groei in ons, kom in ons tot leven. Wij heten Jou alvast welkom in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

God,
Gij gunt ons een boordevol leven. We zien het overal om ons heen, de schepping, de natuur,
het kunnen met en voor mekaar zijn.
Gij gunt ons ook de tijd het te grijpen, in het bijzonder tijdens de vakantiedagen.
Wij vragen U, geef ons aandacht voor het echte wonder van het leven. Maak ons werkelijk vrij, leer ons echt menselijk te leven samen met onze medemensen zoals uw Zoon Jezus Christus het ons heeft voorgeleefd.

Twee monniken hadden in een heel oud boek gelezen dat er op aarde een plaats was, waar hemel en aarde elkaar raakten.
Steeds meer verlangden zij naar die plaats. Tenslotte besloten zij hun kloostercel te verlaten en net zo lang op reis te gaan totdat ze die plaats gevonden hadden.
Samen trokken ze de wereld door, leden ontbering en ontkwamen soms op het nippertje aan grote gevaren. Maar zonder morren trokken ze steeds verder, het grote doel in het oog houdend.
Want, hadden zij in het oude boek niet gelezen: bij die plaats is er een deur, daar hoef je maar aan te kloppen, en dan kom je in een ruimte waar je God zelf ontmoet.
Heel lang duurde hun reis en steeds moeilijker werd de weg. Maar eindelijk vonden zij wat zij zo lang gezocht hadden.
Onstuimig klopten hun harten toen ze bij de deur stonden. Het wonder gebeurde. De deur ging open. Toen ze binnentraden in de ruimte waar God was, zagen zij dat het hun eigen kloostercel was.
Toen begrepen ze dat de hemel en de aarde elkaar ontmoeten, daar waar mensen wonen en werken en dat God hen levensnabij is.

Onderweg ben ik zigeuner, onderweg ben ik een kind
van de rusteloze wegen, op vier wielen welgezind.
Op vier wielen wil ik vluchten, weg uit het nauwe vaderland,
naar het bergland naar de rotsen naar den bos- en de waterkant.

Onderweg daar zit je veilig onder uw blikken autodak.
Je mag jodelen en zingen in uwe rammelende rommelbak.
Onderweg leer je vergeten, gisteren ligt ver achter u
en voor morgen nog geen zorgen, onderweg is ’t altijd nu.

Je passeert langs kathedralen en je duizelt keer op keer
van die stoutmoedige dromen van die bouwers van weleer.
En zo leer je blind vertrouwen en vorderen ondanks brute pech
wuif veel liever dan te vloeken naar de kinders langs de weg.

En je loopt door de paleizen met uw hoofd vol romantiek
maar uit krotten en ruïnes klinkt er klagelijk muziek.
Deelt uw brood met lotgenoten, zoveel zwervers grauw van vel
langs de gloeiend hete wegen, in steden vol kommer en kwel.

Onderweg op markten en pleinen vind je volk mild en gastvrij
en dat schenkt u met handen en voeten zoete vruchten allerlei
en zo vind j’ ook uw geliefde, met nog jaren voor de boeg
van uw teder zacht beminde, daarvan krijg je nooit genoeg.

Onderweg ben je nomade, soepel plooiend speels van geest.
Je geeft u over aan de genade, je wordt vrij en onbevreesd
want je botst met tegenstrevers, elkendeen zegt zijne zeg,
leer geduldig incasseren van tegenliggers onderweg.

Los van vastgeroest’ ideeën, onderweg pluk je den dag
pelgrim ben je heel je leven, vorderen doe je liefst zigzag.
Haast u haast u uiterst langzaam, want het einddoel is bekend
daar valt weinig van te zeggen, niet bepaald een happy-end.

Ooit als kind ben ik vertrokken, zonder route kaart of plan
onderweg al heel mijn leven, wat is daar de zin toch van?
Onderweg stel je geen vragen, voor hoelang nog en waarom
onderweg ben je zigeuner, je reist voort en ziet niet om.

Antwoord mij toch als ik roep,
God mijn God die voor mij pleit;

geef mij ruimte waar ik klem zit,
wees genadig, luister naar mijn bidden.

Mensen, hoe lang duurt het nog
dat jullie God, mijn glorie, bespotten

en jullie lege beelden koesteren
en jullie leugengod nalopen?

Weet wel: de Heer doet wonderen voor zijn vrome:
de Heer verhoort mij als ik Hem roep.

Huiver, en zondig niet:
overleg in jullie hart als je op bed ligt en wees stil.

Breng volgens voorschrift je offer,
en stel je vertrouwen in de Heer.

Maar de massa blijft zeggen:
‘Wie zal ons het geluk laten zien ?’

Heer, laat het licht van uw gelaat over ons opgaan.
U geeft mijn hart meer vreugde
dan overvloed aan most en koren hun geven kan.

In vrede ga ik liggen en slaap terstond,
U alleen, Heer, laat mij leven,
ongestoord, vol vertrouwen.

Uit vuur en ijzer zuur en zout, zo wijd als licht zo eeuwen oud,
uit alles wordt een mens gebouwd en steeds opnieuw geboren.
Om ijzer in vuur te zijn, om zout en zoet en zuur te zijn,
om mens voor een mens te zijn, wordt alleman geboren.

Om water voor de zee te zijn, om anderman een woord te zijn,
om niemand weet hoe groot en klein, gezocht gekend verloren.
Om avond en morgenland, om hier te zijn en overkant
om hand in een and’re hand, om niet te zijn verloren.

Om oud en wijd als licht te zijn, om lippen water dorst te zijn,
om alles en om niets te zijn, gaat iemand tot een ander.
Naar verte die niemand weet, door vuur dat mensen samensmeedt,
om leven in lief en leed, gaan mensen tot elkander.

Luister! Een zaaier ging het land op om te zaaien. Bij het zaaien viel er een deel op het pad, en de vogels kwamen het opeten. Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepe grond had. Toen de zon opkwam, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het. Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het, en het leverde geen vrucht op. De rest viel in goede aarde; het kwam op, groeide uit, en het leverde vrucht op; de opbrengst was dertig-, zestig-, ja honderdvoudig. Jezus zie: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.

Jezus zei tegen zijn leerlingen : ‘Jullie begrijpen deze gelijkenis niet ? Hoe zal je dan alle andere gelijkenissen vatten?

De zaaier zaait het woord. Dit zijn de mensen op het pad waar het woord wordt gezaaid: als ze het horen, komt meteen de satan en pakt het woord weg dat in hen gezaaid was.

Dit zijn de mensen die op de rotsgrond worden gezaaid. Als die het woord horen, nemen ze het meteen met vreugde aan; ze zijn niet echt geworteld, maar mensen van het ogenblik. Zo gauw er dan vanwege het woord onderdrukking ontstaat of vervolging, komen ze meteen ten val.

Weer anderen zijn zij die tussen de distels gezaaid worden; dat zijn de mensen die het woord gehoord hebben, maar dan komen de zorgen om het bestaan, de begoocheling van de rijkdom, en nog andere begeerten het woord verstikken; het blijft zonder vrucht.

En dit zijn de mensen die in goede aarde gezaaid zijn: zij horen het woord en nemen het op en dragen dertig- , zestig-, ja honderdvoudig vrucht.

God,
Gij die de zevende dag rustte van al het werk dat Gij scheppend tot stand heb gebracht, wij vragen U dat wij mogen genieten van de komende vakantie, dat we afstand kunnen nemen van het alsmaar moeten; wees bevrijdend met ons bezig.
Laten wij bidden…
Allen: Laudate Dominum, laudate Dominum, omnes gentes. Alleluia!

God,
Wij bidden U voor alle mensen die zich verheugen op de komende vakantie, die even weg willen uit het alledaagse ritme; dat ze genieten en tot rust komen; dat ze weer volstromen met nieuwe energie.
Laten we bidden…
Allen: Laudate Dominum, laudate Dominum, omnes gentes. Alleluia!

God,
Wij bidden U voor alle mensen die niet op vakantie gaan, maar thuis blijven; dat ze tijd vrijmaken voor de dingen die ze graag willen, maar waar ze normaal gesproken niet aan toe komen.
Laten wij bidden…
Allen: Laudate Dominum, laudate Dominum, omnes gentes. Alleluia!

God,
bevrijd ons van gewenning en sleur; maak ons telkens weer nieuw zodat ons leven zijn diepte en kleur behoudt zoals dat bij Jezus het geval was.
Laten wij bidden…
Allen: Laudate Dominum, laudate Dominum, omnes gentes. Alleluia!

God,
Wij bidden U voor al wie onderweg is: uit eigen beweging of ertoe gedwongen door omstandigheden buiten hun wil om.
Dat zij ergens op deze planeet een plek mogen vinden om thuis te zijn.
Dat ook onze gastvrijheid daartoe mag bijdragen.
Laten wij bidden…
Allen: Laudate Dominum, laudate Dominum, omnes gentes. Alleluia!

Onze Vader, die in de hemelen zijt,
Uw naam worde geheiligd.
Uw rijk kome.
Uw wil geschiede op aarde als in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren.
En breng ons niet in beproeving,
maar verlos ons van het kwade.
Amen.

Vrede en alle goeds is jullie toegewenst,
vrede, diep in je hart,
vrede, voor wie je mag ontmoeten langs je weg.
Moge Jezus ons vervullen met Gods vrede.
Die vrede van de Heer, zij altijd met u.
Allen: En ook met u.

Geven wij elkaar een hartelijk teken van Gods vrede.

Soms wil je wel eens weg, weg van alles,
weg van alles wat vervelend is, je opeist en je dwars zit.
Je wilt weg … alleen zijn, je eigen weg gaan.

En je gaat, laat iedereen staan en je gaat aan alles voorbij.
Totdat je op de kruispunten der wegen mensen ontmoet
die je groeten, je aanspreken en vragen stellen.

Je wilt vooruit, alleen zijn en je vlucht van de kruispunten der wegen totdat je elders weerom mensen ontmoet, nu eens je vrienden, dan weer je ouders, mensen die je nooit voorbijgaan, altijd attentievol met je meegaan en je vragen om samen met hen over de kruispunten der wegen het leven in te gaan als mens met de mensen begaan.

God,
Wij bidden U
dat vakantie voor ons mag zijn:
een boodschapper van fijne dingen,
een stem die blijvend roept,
een geur die onbevangen ruikt,
een smaak met een geliefd aroma;
maar bovenal hoop, geloof en liefde dat nimmer verflauwt.
zoals uw Zoon Jezus Christus het ons heeft voorgeleefd.

Om samen zorgend mens te zijn, een band over elke scheidingslijn.
Om zus of broer voor elk te zijn, een mens met open handen.
Kom hoor rond je eigen ik om open oor voor elk te zijn
een oor dat echt luist’ren wil uit liefde voor de ander.

Om dienstbaar voor elkaar te zijn, bewogen door elkanders pijn.
Om feest en licht en vuur te zijn en voor elkaar te danken.
Kom kijk rond je eigen ik om open oog voor elk te zijn.
een oog dat steeds kijken wil uit liefde voor de ander.

Om liefdevol en fijn te zijn, gebroken brood, een beker wijn.
Om niet alleen van mij te zijn een wereld van verlangen.
Kom leef voor je medemens om open hart voor elk te zijn
een hart dat zich geven wil uit liefde voor de ander.