De natuur in Bos en Wei

Wie is de gelukkige?

Wie kan zich laten aanspreken door de kleurenrijkdom van een bloemenperk of van het herfstige lover, de ondergaande zon aan de horizon, het geruis van de golven, het gewriemel van insecten, de transparante vleugels van een libel, de geur en kleur van bloemen en gras? Wie tekent de nerven van een blad na, het patroon van twijgen en takken van een boom of de staart van een pauw? De schoonheid ook van het tsjilpen van de vogels?

Vogel wipt.
Tak kraakt.
Lucht betrekt.

Bijna niets om naar te kijken
en juist dat bekijk ik.

Het museum van de zomer, Yang Poëzie Reeks, 1974

De stilte der natuur heeft veel geluiden
en is toch vol van rust voor ziel en zinnen
die druppelt zacht en ongemerkt naar binnen
tot in ons hart een zilv’ren toon gaat luiden
gelijk met haar. Als we dan weer beginnen
te denke’ aan wereld-dinge’ en ze te duiden
merken we dat een kracht, als die van kruiden,
in ons gekomen is en ons kalm doet minnen.

Er zijn nu veel, die dit geluid nooit horen;
zij missen het aandachtige en het tere
als wie als kind geen moeder heeft gehad.

Maar de tijd die komt zal mensen weer leren
gelukkig te zijn onder haar akkoorden
en drijven uit hun bloed de koorts der stad.

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
en geen mens is waardig uw naam te noemen.

Wees geprezen, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral door mijnheer broeder zon,
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt met grote pracht;
van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder, kostbaar en mooi.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.

Wees geprezen, mijn Heer, door wie vergiffenis schenken,
omwille van uw liefde
en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.
Wee hen die in doodzonde sterven;
gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.

Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote nederigheid.

(Geschriften van Franciscus, 2006)