Op reis in eigen stad

Een BERGWANDELING in Antwerpen

Even over en weer naar de Linkeroever,
met zicht op de stad, gebouwd op zeven heuvelen

Het hoogste niveauverschil dat je op het openbare domein in Antwerpen-centrum kan beleven zijn de roltrappen van de Sint-Annatunnel oftewel de Voetgangerstunnel. Het hoogteverschil dat je moet overbruggen tussen de bovengrondse en de ondergrondse begane grond bedraagt 31,57 m. Echt duizelingwekkend is dat nog niet want de trap maakt een bocht van 180° waardoor iedereen met hoogtevrees telkens enkel de helft daarvan moet doorstaan.
Hetzelfde hoogtegevoel maar dan in opwaartse zin, beleef je bij het terug ‘boven water komen’ op de Linkeroever.

Een overlevering die niet verder zou teruggaan dan einde 17de of de 18de eeuw wil dat Antwerpen, Rome achterna, op 7 heuvelen is gebouwd. Dat de verheven plekken van Antwerpen qua hoogte niet kunnen tippen aan de Romeinse, blijkt op het eerste zicht niet uit de benaming ‘bergen’. Wat voor het bergachtige Italië in Rome slechts ‘heuvelen’ zijn, werd in de Lage Landen tot ‘bergen’ bevorderd. Het aantal dagen van de week indachtig, wordt ‘7’ immers beschouwd als een volmaakt getal; reden waarom men ook de voornaamste oude Antwerpse families graag terugvoerde tot de ‘zeven schaken’.

Op de rechteroever lopen meerdere landruggen. Omdat de Schelde voor Antwerpen een bocht beschrijft en aldaar het hoge land aandoet is de stroming er tegen die landruggen gebotst die dan ook de loop van de Schelde mee bepaald hebben. De ‘bergen’ waarover sprake, liggen dan ook op de Rechteroever, tot vlak tegen de Schelde. (die oorspronkelijk via de Oosterschelde naar de Noordzee stroomde).

Als je hier van deze linker oever het befaamde redezicht van Antwerpen bewondert, merk je dat de huizenzee met inbegrip van alle monumenten op een zelfde niveau staat. En dat niveau wordt bepaald door een vlakke oever en daarachter door een haast even lage vlakte. Bergen? Waar dan wél!?
Vanuit onze aardrijkskundige kennis over ‘echte’ bergen zoals de Alpen, riskeren we de taal van onze voorouders mis te verstaan. Bergen zijn per definitie ‘hoog’. Maar alles is relatief … Met ‘berg’ bedoelt men hier in de Lage Landen hoogstens een helling; eerder het Franse ‘montée’ dan ‘la montagne’.
Zo de zegswijze ‘een hoge rug opzetten’ ook van toepassing zou zijn op het aardreliëf, dan zou die hier zwaar overtrokken zijn. In de vlakste gebieden van de ‘Lage Landen’ geldt elke hoogte van 3-4 meter al gauw als heuvel en elke hoogte van 8 meter als ‘berg’. Zo kregen ook de landruggen mét hun uitlopers tegen de Schelde, de benaming ‘berg’ toebedeeld. Een toppunt van een dergelijke buitensporige benaming waar de fantasie haast een fata morgana creëert, is ‘Klein Zwitserland’ een oude spoorwegberm in het naburige Mortsel, en dan nog:  enkel dankzij (ondertussen uitzonderlijke) winterse sneeuw.

Hoe bepalend die ‘bergen’ misschien ook zouden geweest zijn voor de Antwerpse ontstaansgeschiedenis en het stedelijke landschap, buiten een eventuele straatnaam valt er nauwelijks nog iets van te bespeuren. Enkele van de natuurlijke heuvels zijn door ’s mensen toedoen totaal verdwenen en zelfs als toponiem van de kaart geveegd. We hebben het dan over de Kattenberg en de Visberg. Anderen zijn door eeuwen bebouwing in enige mate genivelleerd. Nog maar zelden ervaart een wandelaar aan den lijve de inspanning die nodig is bij het beklimmen van zo’n ‘berg’ of de voorzichtigheid die geboden is bij het dalen.

Welke zijn nu die ‘bergen’?

  1. De meest noordelijke, de KATTENBERG, lag iets ten zuiden van de ‘Kattendijk’; maar zoek er best niet naar.
  2. Naar de STUIVENBERG in het oosten is de ganse wijk vernoemd, het centrale plein inbegrepen.
  3. De GULDENBERG leeft verder in de naam van een straat; eerder van een stompje straat.
  4. De BLOEDBERG vind je aan het Vleeshuis, dat ook een bloederig slachthuis was.
  5. De VISBERG is enkel nog te bespeuren ter hoogte van het Steen en van de Willem Ogierplaats.
  6. De KORAALBERG gaat met zijn 10 m door voor het hoogste punt van de oude stad.
  7. En tenslotte werd ook de BERG VAN BARMHARTIGHEID in dit rijtje opgenomen, zij het van een geheel ander kaliber.

Met deze leenbank wilde men plezierig eindigen, maar je proeft er ook een dosis zelfspot in. Ook ‘bergen’ moeten gerelativeerd worden, d.i. in relatie gebracht worden met hun omgeving, want ‘wie is groot, en wie is klein?’ aldus het cartoon-kuiken Calimero. Het hangt er maar van af wie naast je staat. En naast de Antwerpse bergen staat niets, er ligt alleen maar vlakte. En zoals gezegd, zijn sommige van die ‘bergen’ zelfs nog tegen de vlakte gegaan…

Naast de natuurlijke hoogtecurven zijn er in het landschap ook de door mensenhanden geconstrueerde ‘bergen’, gaande van grafheuvels of een afvalberg, over dijken en wegbermen naast treinsporen, autostrades, en hun bruggen. Soms sluit dit mensenwerk aan bij de natuur, zoals de uitbouw van de ‘Bloedberg’ om het Vleeshuis met zijn keldertoegang via de gracht waar te maken.

De twee bergen buiten de oude stadswallen die we op onze stadswandeling niet aandoen, zullen we volledigheidshalve nu al even uit de doeken doen. De eerste ervan mag je je inbeelden ten noorden van het MAS.

-1) De Kattenberg

De meest noordelijke is de Kattenberg bij de Schelde en de Slijkpoort. Deze berg mét de gelijknamige hooggelegen weg tegen de Schelde aan, liep oostwaarts het land in.
De Kattenberg verdween grotendeels, ca. 1600 voor de aanleg van het Sint-Laureisfort of -schans, iets ten noorden van de huidige Sint-Laureiskaai. Na 1815 is er van de oorspronkelijke Kattenberg(straat) geen sprake meer. Daarom werd hij in de reeks van de ‘zeven bergen’ vervangen door de populaire ‘Kauwenberg’ binnen de stadsmuren.
De berg leende later zijn naam aan de dijk, iets ten noorden: de Kattendijk.
Op zijn beurt gaf die dijk zijn naam door aan het havendok, meer bepaald aan het middenstuk van het Kattendijkdok dat in 1856-1860 werd gegraven. Zo leeft de berg van weleer nu enkel nog verder in de naam van het water.

En wat moeten we nu verstaan onder die ‘katten’? Zeker niet lieve poesjes, evenmin aan hun tegendeel: katten van … Spontaan denkt men ook aan ‘katjes’, de knoppen van katwilgen, maar die groeien juist niet op een ‘berg’, maar nabij een sloot.
De oudste vermelding ‘Cactelberghe’ (1276; lees: ‘Kattelberg’) houdt verband met de functie van gemeenschaps- of vrijweide, zowel op de berg, als op de dijk. Het rundvee oftewel het ‘kateil’ (‘cattle’ in het Engels) kon er vrij weiden.
Deze ‘Kattenberg’ is zeker niet de enige in het Antwerpse. Er is de Kattenberg in Borgerhout en tot midden 19de eeuw was er op Stuivenberg de molen ‘Kattenberg’. Nog andere districten en gemeenten kennen een dergelijk toponiem en/of straatnaam, zoals Ekeren-Centrum (Kattenberg-straat), en aan de Melkerij van Brasschaat.

Op de plattegrond van Bononiensis (1565) staan op de "Kattelberg" wel degelijk koeien te grazen!

-2) De Stuivenberg

De Stuivenberg is de enige berg buiten de oude stadsvesten die meetelt om tot ‘7’ te komen.
Een vrij uitgestrekt hoger gelegen duinengebied werd aan drie zijden omsloten door de vallei van de Schijn en Lobroek enerzijds en door de vallei van de Potvliet of de Vuilbeek anderzijds.
Terwijl de Lange Pothoekstraat op 3 m hoogte ligt, bedraagt de Onderwijsstraat daar tegenover als het hoogste punt van deze duinen nog ca. 8 m, een verhoging die vanuit Dambrugge meer waarneembaar was dan vanuit de stad.

Die verhevenheid bestond vooral uit zavel en stuifzand. Dat stuiven van het zand was enkel het gevolg van een menselijke ingreep. De omwonenden hadden er de begroeiing, de heide, van verwijderd. De zegswijze ‘Het zal er stuiven’ is niet plastisch genoeg voor de Antwerpse streektaal, maar zo ze zou gehanteerd worden dan had ze in deze volkswijk voorzeker een totaal andere connotatie!
De naam die hier reeds in de 14de eeuw voorkomt, treft men elders in de omgeving aan: zowel in meerdere Brabantse als in Vlaamse steden, zoals Brugge.
Ten tijde van het Frans Bewind luidde de vertaling: ‘Mont de la poussière qui vole’. Een vertaling om van te smullen!

Die verhevenheid was uiterst geschikt voor het bouwen van windmolens. Daar herinnert de Maaldersstraat aan, ook al lag dit windmolenpark avant la lettre meer noordwaarts. De meest nabije molen was ‘Sint-Elisabeth’, op de hoek van de Dambruggestraat en de Vliegenstraat, die toen toebehoorde aan het Sint-Elisabethziekenhuis dat hier gronden bezat (vandaar de Sint-Elisabethstraat (tussen de huidige Dambruggestraat en de Diepestraat). Op een kaart van 1582 vind je de molens op het Willibrordusvelt.

Beschermd door de overstroombare Schijn- en Lobroeklanden, werd de plek door de Spanjaarden geschikt bevonden om er in 1592 hun fort Pereyra te bouwen, beter bekend als “Fort Stuivenberg”. Dit fort, herbouwd in 1618, vergroot in 1702 lag ten noorden van de huidige Everaertsstraat, naar de Viséstraat toe. De naam van de voormalige Stuivenbergstraat (1846) houdt verband met het gelijknamige Fort en werd daarom ook ‘Chaussée du Fort’ genoemd. Ca. 1870 werd het fort uiteindelijk gesloopt en in 1873 gaat de straatnaam op in de Oranjestraat.

Bij de aanleg van de spoorweg Mechelen-Antwerpen in 1836 werd er zoveel zand weggehaald uit dit hoger gelegen gebied, dat de vruchtbare onderlaag vrij kwam te liggen, wat enkele tientallen jaren lang de commerciële uitbating van moestuinen mogelijk maakte.

De huidige Korte en Lange Stuivenbergstraat hebben niets te maken met het vroegere fort en de vroegere Stuivenbergstraat (de huidige Oranjestraat).
De Korte Stuivenbergstraat, geopend in 1875, krijgt vier jaar later, in 1879 haar naam, dit ter onderscheid met de reeds bestaande nieuwe Stuivenbergstraat (1869), die sindsdien dan ook de Lange Stuivenbergstraat heet.

Meer oostwaarts dan het voormalig fort ligt het huidige Stuivenbergplein. Onder Keizer Jozef II werd in 1786 beslist om een deel ervan te gebruiken als begraafplaats ter vervanging van het Groenkerkhof en van de kerkhoven van de noordelijke parochies binnen de stadsmuren. Omdat het volledig gewijde grond betrof, kon het voor een volwaardig ‘kerkhof’ doorgaan. Het bleef als zodanig in gebruik tot 1875. Dan werd het geleidelijk ontruimd ten voordele van de Kielbegraafplaats. Pas in 1906 wordt de vrijgekomen ruimte hernoemd tot ‘Stuivenbergplein’.