Op reis in eigen stad

Een BERGWANDELING in Antwerpen

Grote en Kleine Kauwenberg (aanvankelijk Koudenberg)

Sint-Gummarusgang aan de Grote Kauwenberg

Vanaf de derde stadsvergroting, begin 14de eeuw, tot na de vierde uitbreiding, een eeuw later, was er hier zoals aan de Prinsesstraat en aan de Kleine Kauwenberg een omwalling bestaande uit een aarden wal en een ondiepe gracht: een “paddengracht”. Toch is het toponiem ‘berg’ hier niet van die stadswal afgeleid, maar heeft het betrekking op de afzink van het hoger gelegen Kipdorp naar het lager gelegen Klapdorp (nu Paardenmarkt).
De naam ‘Coudenberch’ vinden we voor het eerst in 1391, zonder dat erbij gespecifieerd wordt of het over de Prinsesstraat, de Grote of de Kleine Kauwenberg gaat. Vanaf de 16de eeuw slaat de benaming ‘Paddengracht’ uitsluitend op het gedeelte tussen Kipdorp en Prinsstraat terwijl met ‘Grote’, respectievelijk ‘Kleine Kauwenberg’ het noordelijke deel aangeduid wordt.

De verklaring van het eerste lid van de naam, blijft echter een vraagteken.
Indachtig het Engelse ‘Cow’ voor koe, denkt men al gauw aan ‘Koeienberg’, een synoniem voor ‘Kattenberg’. Voorzeker een aardige suggestie van niemand minder dan stadsarchivaris Floris Prims, maar wel geheel uit de lucht genomen.
In de volksetymologie dacht men al te snel aan de kleinste kraaiensoort ‘kauw’, wat het Frans Bewind inspireerde tot ‘Montagne des Corneilles’.

Een andere snelle lezing van de eenmalige vermelding ‘Gauwenberg’ legde – onterecht – een verband met de concentratie van rabauwen en gauwdieven die zich hier inderdaad gevestigd hadden; maar vermits de naam oorspronkelijk niet met een ‘w’ werd geschreven, maar met een ‘d’, moet de verleidelijke poging tot verklaring als ‘berg van gauwdieven’ afgewezen worden.
Door een stedelijke ordonnantie van 1403 worden de prostituees aanbevolen zich te concentreren, hetzij op de “Guldenenberch” of ook op de “Coudenberch”. Daarom dat men de vermelding van ‘Goudenberg’ rond 1600 wel eens wilde lezen als een tweede ‘Guldenberg’, in de betekenis van hoerenberg. Maar die ‘G’ is hoogst waarschijnlijk niet meer dan een simpele verschrijving van de ‘C’.
Al lopen we misschien warm van de vorige smeuïge hypothesen, misschien ligt een ‘koele’ gedachte meer voor de hand en vinden we de verklaring eenvoudigweg in de koude Oosten- of Noord-Oostenwind, die, vooraleer wal en gracht aangelegd waren, vanuit het land kwam aangewaaid. In dat geval heeft ‘Kauw(en)’ te maken met de kwalificatie “koud” en mogen we in deze straatnaam een ondertoontje van onvervalst Antwerps dialect horen klinken: ‘Kauw’; zoals in “ik heb kaauw”.
Meerdere Brabantse steden kennen een Koudenberg, denk aan Sint-Jacob op den Koudenberg te Brussel, eveneens aan de koudere oostkant van de stad.

Er was alleen bebouwing aan de westzijde. Na voltooiing van de vestingwerken tussen Kipdorppoort en de Rode Poort (1410-1415) verdween de overbodig geworden omwalling aan de Kauwenberg en werd ook de oostzijde bebouwd.
De Kleine Kauwenberg wordt voor het eerst genoemd in 1561. Ca. 1580 vindt men er o.m. een Arenberghgang.
In de latere versie van het tendentieuze verhaal van de zeven heuvels van Antwerpen moest de Kauwenberg als vervanging dienen voor de eerste, maar volledig verdwenen berg: de Kattenberg.

Puur door gelijkenis roept de straatnaam de familienaam Van Cauwenbergh op. Zo denken we in Antwerpen bv. aan de beroemde stadsgids George van Cauwenbergh, met standbeeld op de Willem Ogierplaats (zie aldaar).