Op reis in eigen stad

Een BERGWANDELING in Antwerpen

Kruidtuin – Bergflora en -fauna in de stad

Leopoldstraat

Komen we soms bergsoorten tegen uit de dieren- en plantenwereld die in onze lage landen, en nog meer in onze steden van glas, steen en beton een geschikte woonplaats gevonden hebben?

In de bergen is er leven op verschillende hoogten en onder heel variabele omstandigheden van temperatuur, neerslag en wind. Hierdoor zijn er veel biotopen ontstaan waaraan tal van dieren en planten zich hebben aangepast. Men klimt er langs bossen op de berghelling tot boven de boomgrens met de alpenweiden op rotsbodem over de rotsen naar de besneeuwde toppen.

In de dierentuin (Zoo Antwerpen) verblijven er enkele bergbewonende zoogdieren. Wie kent de bergzebra’s en de bergbongo’s van Afrika? Hartmanns bergzebra’s grazen op steile en droge gebieden van Z.W. Angola en W. Namibië; de bergbongo’s, zijn bladeters in bergbossen van de Keniaanse hooglanden.
En takins? Mishmitakins klimmen op de rotsen aangebracht op het hoogste punt in de tuin van de zoo waar ze zich best thuis voelen. Deze middelgrote dieren (tussen geit en gems), zijn behendige klimmers en zijn goed bestand tegen de koude van het Aziatisch gebergte (China-Myanmar). Al deze dieren vertegenwoordigen hun soortgenoten in het wild.

Er zijn ook dieren die alleen hun weg naar de stad vinden. Onze steden verschaffen hen een geschikt biotoop, namelijk in onze ‘rotsen’ van steen en beton.

Stadsduiven die we op straten en pleinen zien samentroepen zijn verre afstammelingen van de schuwe rotsduif, die zeldzaam is in zijn oorspronkelijk biotoop van rotsrichels en bergkloven! De duiven zijn waarschijnlijk afkomstig uit het Middellandse zeegebied en lang geleden werden zij door de mensen gedomesticeerd. Ze worden zo talrijk in steden waar ze veel voedsel vinden dat ze zorgen voor overlast. Daarom worden ze door de stadsdiensten weggevangen of gelokt naar duiventillen om hun aantallen te beheersen.

Gierzwaluwen komen vanaf april tot midden augustus overgevlogen uit hun Afrikaanse ‘winterkwartieren’ en vinden het hier in de steden helemaal naar hun zin: insecten genoeg en talrijke nestplaatsen onder dakpannen en in muurgaten, althans tot enkele jaren terug. Met moderne, goed geïsoleerde gebouwen zijn er minder nestplaatsen mogelijk voor die acrobatische vogels. Daarom worden er op vele plaatsen speciaal ontworpen nestkasjes opgehangen. Zo kunnen zij zich hier toch een tijdje handhaven om zich voort te planten terwijl ze ons verlossen van een massa insecten die ze vangen in volle vlucht.

Wat de planten betreft is het eveneens een ‘dubbel’ verhaal. Afkomstig uit de bergen werden ze hier aangeplant, of vonden ze eerder toevallig in onze steden een geschikte biotoop? De botanische tuin (Leopoldstraat) heeft een rijke verzameling planten, geordend volgens de plantenfamilies, maar niet volgens herkomst of biotoop. Dat wordt dus een hele zoektocht! Waarschijnlijk is er geen edelweiss noch de blauwe gentiaan uit de Alpen te vinden, maar verwanten. Het is zeker de moeite waard om er eens rond te struinen in deze groene oase.
De stad is trouwens rijk aan biotopen. Waar veel steen, beton en asfalt is ontstaan hogere temperaturen en meer droogte. Dit vormt dan een geschikt microklimaat voor taaie planten. Meer beschutte plekken, vochtige muren, lage en hogere beplanting en arme bodems trekken andere soorten aan die men hier niet zou verwachten.

Meer dan één boomsoort uit de bergen kreeg in tuinen en parken, straten en pleinen een plaats als sierboom. Een bergiep (= ruwe iep) is eerder zelden te zien op een plein (vb. wel aan de Oever) want door de iepziekte stierven veel iepen. Hij groeit in een groot deel van Europa, West-Azië en de Kaukasus op meer dan 1000 meter hoogte in de bergen. Het is een grote boom met een donker ruw blad met scheve voet, die bloeit vóór het blad uitkomt (februari-maart) en even later gul zijn zaden uitstrooit. Deze gelijken op munten, (iepencenten in de Nederlandse volksmond)!

De Ginkgo biloba of Japanse notenboom, leefde oorspronkelijk in het berglandschap van China en werd bij tempels aangeplant. Hij is pas in de 18de eeuw naar Europa overgebracht. De boom verdraagt goed de warmte en de luchtvervuiling. Alles is er speciaal aan: zijn waaiervormig blad, zijn mooie gele verkleuring in de herfst, de stinkende zaden van de zelden aangeplante vrouwelijke bomen en zijn afstamming van een oeroude familie waarvan men dacht dat ze uitgestorven was. Als sierboom is hij in stadsparken te vinden en thans ook als straatboom. Er staat een oude boom in de kruidtuin naast een stuk fossiele stam.

Op kale, droge, goed waterdoorlaatbare gronden met stenen en keien kunnen rotsplanten gedijen zoals oorspronkelijke soorten in het gebergte tussen de rotsen. Ze hebben meestal een gedrongen vorm. Hierbij horen sedumsoorten (zoals witte sedum) die nu vrij populair zijn bij de aanleg van groendaken. Deze plantjes kunnen veel vocht in hun bladeren opslaan en overleven zo perioden van droogte. Huislook of Sempervivum dat men sinds lang op daken liet groeien als beschermer tegen donder en bliksem worden ook op groendaken gelegd.

Muurleeuwenbek

Goede waarnemers ontwaren nog andere plantjes die ontspringen op een vochtige en zonnige plek, zoals het muurleeuwenbekje. Het zaadje vindt hier goede bodem op een oude muur of in een keldergat. Het bloeit lang (april-oktober) en verspreidt verder de nieuwe zaadjes in steenspleetjes net zoals het in het noorden en midden van Italië en westelijk Joegoslavië doet in rotsachtige gebieden. Dat plantje is nu heel goed ingeburgerd in vele delen van Europa. Op oude muren vertoeft het soms in het gezelschap van de gele helmbloem, afkomstig van de zuidelijke Alpen en de Jurastreek.

Gele helmbloem
Tongvaren

In beschaduwde keldergaten en op vochtige oude muren groeien soms varens: tongvaren, muurvaren en steenbreekvaren groeien er net zoals op beschaduwde rotshellingen.

Planten van alpenweiden die op korte tijd groeien, bloeien en zaad vormen en een ondergrondse voedselreserve aanmaken, kunnen een lange, koude winter met vorst verdragen. Ooit werden ze naar onze streken ingevoerd. Van deze bolgewassen uit de bergen werden er enkele soorten verder veredeld om als sierplanten voor tuin en plantenbakken. Daarbij horen enkele voorjaarsbloeiers zoals de krokus en de tulp.

De bonte krokus is een bolgewas die in februari al kan bloeien. De wilde plant komt voor in de gebergten van Midden- en Zuid-Europa. Eens aangeplant kunnen ze verwilderen, maar er zijn veel soorten krokussen en variëteiten bekend.

Tulpen zijn bergplanten! De oorspronkelijke botanische tulp is afkomstig van de bergflanken van de Himalaya. Als de sneeuw net weg is verschijnen de planten die op 3 maanden groeien en bloeien vooraleer bovengronds af te sterven. De felle kleur van de bloemen trekt van ver insecten aan. In de bollen in de grond verzamelt zich het reservevoedsel.
Zo’n 450 jaar geleden (1562) kwamen de eerste tulpenbollen uit Turkije aan in de Antwerpse haven.

De tulpen werden ontdekt in de bergen van Kazachstan. In de 16de eeuw werden de tulpen in de tuinen van Constantinopel aangeplant. Tijdens hun bloei hield men grote feesten. De sultan zou een tulp als symbool van macht en rijkdom op zijn tulband dragen, vanwaar de naam van de bloem is afgeleid (tulipan). Als relatiegeschenk kwam de tulp zo in handen van Clusius (Charles de l’Ecluse, arts en botanicus, °Arras 1526 – † Leiden 1609) die de eerste tulp aan zijn studenten beschreef in Leiden, in 1593. Zo begon het succesverhaal van de tulp in Nederland.
De eerste tulpen hadden gevlamde bloemen zoals op stillevens van de 17de eeuw.
Het borstbeeld van Clusius staat op de gevel van de grote orangerie in de botanische tuin, tussen Linnaeus, de Jussieu en de l’Ecluse, de Lobel, van Sterbeek, Dodoens en Dumortier, allen plantkundigen.