Op reis in eigen stad

Een dagje NEDERLAND in Antwerpen

Kleine en Grote Pieter Potstraat

Niet vloeken in het klooster;
alhoewel: een roggeverdommeke…

Om met Pieter Pot kennis te maken, moeten we ver terug in de tijd. Hij werd geboren in Utrecht en was bijna dertig wanneer hij zich in 1404 in de Hoogstraat kwam vestigen als handelaar. Hij is een vermogend en liefdadig man en sticht op zijn grond in de toenmalige Munsterstraat een aalmoezenhuis, waar elke week brood wordt uitgedeeld aan armen. Hiervoor doet hij een beroep op kloosterlingen en in 1433 laat hij een kapel bouwen. Die wordt toegewijd aan Sint-Salvator (de Goddelijke Verlosser), in navolging van de door de Heilige Willibrord gestichte kerk in zijn geboortestad. In 1445 wordt dit een priorij, bewoond door cisterciënzers uit IJsselstein bij Deventer. Vijf jaar later sterft hij, maar bij testament laat hij de broodbedeling verder zetten. Daartoe dienen gronden die hij in Zeeland bezit. In 1652 wordt de priorij een abdij, die in de volksmond de naam Pieter Potabdij krijgt. Van deze abdij rest enkel nog overblijfselen van de kapel, op de hoek van Grote en Kleine Pieter Potstraat. Een laat-20ste–eeuwse muurschildering in de Kleine Pieter Potstraat alludeert op deze caritatieve stichting van broodbedeling. U begrijpt dat de zinsnede in het Onze Vader: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, door de armen zeer bewust werd meegebeden.

Broodbedeling aan de Pieter Potabdij
De Sint-Salvatorabdij, in de volksmond Pieter Potabdij

Volgens de overlevering hebben we aan Pieter Pot ook een gastronomische specialiteit te danken: het roggeverdommeke (roggebrood met krenten). Pieter Pot liet zorgen voor brood voor alle armen, ook voor hen die opgesloten zaten in het Steen. Voor alle duidelijkheid: opsluiting was geen straf. Men zat in de gevangenis in afwachting van een proces, waar dan de vrijspraak of de veroordeling werd uitgesproken: verbanning, een lijfstraf of in het ergste geval de doodstraf. Deze ‘voorlopige hechtenis’ duurde in principe niet erg lang, maar in tegenstelling tot gevangenissen vandaag kreeg men er geen ‘kost en inwoon’, enkel ‘inwoon’: eten moest men kopen van de bewakers of men moest hopen op hulp van buitenaf. Net zoals vandaag waren het ook toen vooral mensen uit de lagere bevolkingsklassen die in de gevangenis belandden en hen van eten voorzien was een werk van barmhartigheid. Het gewone brood was roggebrood. Op feestdagen mocht het voor de gevangenen volgens Pieter Pot ook wel eens feest zijn en vandaar dat hij opdroeg om op die dagen krenten door het deeg te mengen. Zo ontstond het roggebrood met krenten voor de ‘verdoemden’: het roggeverdommeke.