Op reis in eigen stad

Een dagje OOSTENRIJK in Antwerpen

Sint‑Jacobskerk

Lange Nieuwstraat 73-75

Het zgn. Habsburgerraam in de Sacramentskapel (Jan de Labaer, 1626)

Het glasraam met zijn schitterend groene landschap betreft een uitzonderlijk barok meesterwerk van Jan de Labaer uit ’s Hertogenbosch. Omwille van de compositie, de details als de geweldige kleurenpracht wordt het door kunsthistorici beschreven als een der mooiste glasramen uit de 17de eeuw.

Het brengt de eerste Habsburger in beeld die het recht had op de hoogste waardigheid van keizer, maar die tegelijkertijd een voorbeeld van nederige godsvrucht is voor Jezus in het Heilig Sacrament. Het gaat om Rudolf (1218-1291), graaf van Habsburg en in 1273 verkozen en gekroond tot Duits koning.

Als een stripverhaal geeft het in meerdere fasen het verhaal van graaf Rudolf van Habsburg weer die zijn paard bereidwillig afstaat aan een priester om met des te meer spoed de Heilige Communie naar een stervende te brengen.

(B) Links, midden. De priester draagt de hostie in een ciborie. Hij wordt begeleid door de koster, gekleed in rochet en voorzien van een berechtingslantaarn en -bel.

(D) Rechts, midden – op dezelfde hoogte van links. De priester en de koster te paard, gevolgd door de graaf en zijn gezel te voet.

(F) Bovenaan, midden. Het gezelschap, nog steeds pastoor en koster te paard, gevolgd door de beide edellieden te voet, op de terugweg naar de kerk.

(H) Midden. Een kluizenares bij een waterput voorspelt Rudolf van Habsburg de keizerskroon omdat hij Christus in het Heilig Sacrament nederig de nodige eer betoonde.

(A) Links boven: de parochiekerk. De pastoor krijgt het bericht omtrent een stervende parochiaan. Als laatste vertroosting wil hij deze de communie brengen.

(C) Onderaan. De priester ontmoet onderweg Rudolf, graaf van Habsburg (1273 1313), en diens gezel Regulus van Kyburg, tijdens hun jachtpartij. Uit eerbied voor Jezus in het Heilig Sacrament en uit meeleven voor de stervende nodigt (graaf) Rudolf de priester en de koster uit de paarden te bestijgen om de tocht naar de stervende te versnellen.

(E) Rechts, boven. De priester en de rest van het gezelschap komen aan bij de hoeve of het gehucht van de stervende die berecht wordt; m.a.w. die de laatste genademiddelen van de Kerk toegediend krijgt.

(G) Links boven: Bij de dorpskerk, binnen de kerkhofmuur. Blijkbaar was het Rudolf niet voldoende om vanuit sociale bekommernis voor de stervende zijn paard af te staan; hij wil het – uit respect – de plichtgetrouwe priester ook gemakkelijker maken en nog steeds zijn paard afstaan.

Het verhaal wil ons stichten in de eerbied tegenover Jezus in het Heilig Sacrament. Het geeft tevens de bijzondere devotie weer van de Broederschap van de Veertiendaagse Berechting. Om de twee weken ging een priester, plechtig vergezeld door leden van deze broederschap, de Communie bezorgen bij de zieken thuis: geestelijk voedsel voor onderweg hier op aarde. Voor de stervenden is dit voedsel voor de reis naar de eeuwigheid: vandaar genoemd ‘het Viaticum’ (Voedsel voor onderweg), ook toen wel ‘de heilige Teerspijze’ (lees ‘verteerspijs’). In het kader van de contrareformatie met haar accent op de zintuiglijk waarneembare sacramenten én in het kader van de pralerige barok, groeide deze communiebedeling uit tot een miniprocessie.

Eoitaaf van Melchior de Haze

In de middenbeuk staat het beeld van Sint-Petrus traditioneel op de eerste plaats van de geplande reeks van 12 apostelbeelden op de pijlers, maar waarvan slechts de eerste twee werden gerealiseerd. Het gaat om het epitaafbeeld van de Antwerpse klokkengieter Melchior De Haze (1632-1697). Zijn internationale faam inzake de zuivere klank van de ‘superiores’ of kleine beiaardklokjes vindt ook weerklank in Oostenrijk. In 1695 schaft de vorst-aartsbisschop Johann Ernest von Thun van Salzburg zich voor de toren van de Neue Residenz de (later beroemde) beiaard ‘Glockenspiel’ aan, waar Michaël Haydn nog composities voor geschreven heeft. De 35 klokken, in 1688-’89 te Antwerpen gegoten, waren oorspronkelijk bestemd voor de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Breda, maar deze werd nog voor hun plaatsing door brand vernield. De toren van de Salzburger Residenz werd er met twee verdiepingen voor verhoogd, maar er bleek geen vakman te vinden die de klokken kon plaatsen.

Residenz, Wenen - de klokketoren

Het duurde liefst tien jaar vooraleer de Salzburgse “Gross-Hoff-Uhrmacher” Jeremias Sauter erin slaagde het klokkenspel in 1704 in werking te krijgen. Ofschoon klokkengieter de Haze 35 passende klepels voor de verschillende grote klokken had mee gestuurd, gebruikte Sauter 35 even grote klepels, met als gevolg dat de tonen niet zuiver waren en gedeeltelijk ontstemd klonken. Ook had de wals van meet af aan fouten die het spel enigszins hakkelend deden klinken. Niettegenstaande dit alles is het dagelijks klokkenspel (om 7, 11 en 18 uur) een attractie die niet meer uit Salzburg weg te denken is. Ook Mozart zal er vanuit de Getreidegasse 9 van ‘genoten’ hebben.

In september 1765 bezoekt de negenjarige Mozart met zijn vader Leopold en zijn zus Marianne (= Nannerl) deze kerk. In zijn reisaantekeningen schrijft Leopold: “op Sint-Jacob het graf van Rubens (gezien) en aan het altaarblad zijn aangebracht portret en dat van zijn familie”. Dat Mozart het orgel zou bespeeld hebben, daar is geen sprake van, zoals men hier lange tijd beweerde vanuit een al te bekoorlijk wishful thinking.

Dichter bij huis zijn in de 18de eeuw musici uit Antwerpen aanwezig aan het hof van Maria-Elisabeth en Karel-Alexander van Lotharingen te Brussel. De bekendste is de componist en violist H.J. de Croes (1705-1786) die als kapelmeester aanvankelijk aan de Antwerpse Sint-Jacobskerk verbonden was.